Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE1216

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2002
Datum publicatie
09-04-2002
Zaaknummer
98/01635
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/20.1.15
FutD 2002-0793
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/01635

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1996.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 76.033,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van ƒ 80,--.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad met gesloten deuren ter zitting van het Hof van 6 maart 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende ter zitting een twee bladzijden tellend stuk overgelegd inhoudende enige rekenvoorbeelden inzake de aftrek van kosten voor aanschaf van een computer.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is als docent proces- en milieutechnologie in dienstbetrekking verbonden aan een Hogeschool.

2.2. In de maand november 1996 heeft belanghebbende voor ƒ 4.115,--een personal computer (verder: de PC) met toebehoren en printer aangeschaft ter vervanging van de inmiddels verouderde apparatuur die hij voordien gebruikte. De factuur die op deze aanschaf betrekking heeft is gedateerd 18 november 1996 en deze factuur is op 21 november 1996 voldaan.

2.3. Belanghebbende gebruikt de PC zowel privé als ten behoeve van zijn dienstbetrekking.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil het antwoord op de vraag of het bepaalde in artikel 36, lid 2, onderdeel h, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (verder: de Wet) leidt tot een verboden discriminatie van belanghebbende.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting het volgende toegevoegd.

3.2.1. Belanghebbende:

Ik beschik niet over bewijsmateriaal omtrent de restwaarde van PC's zoals die van mij. Ik trek daarom in mijn stelling dat de restwaarde na drie jaar lager is dan 10 percent van de aanschafprijs. Het gaat mij eigenlijk ook meer om de principiële vraag of de regeling waarbij enerzijds de afschrijving naar tijdsgelang plaatsvindt en anderzijds de drempel van ƒ 800,-- per jaar wordt berekend, wel deugt. Zoals uit de door mij overgelegde rekenvoorbeelden blijkt, wordt iemand die rond de jaarwisseling een PC koopt door dit systeem benadeeld ten opzichte van iemand die in het midden van het jaar tot aanschaf over gaat. Dat komt doordat iemand die rond de jaarwisseling een PC koopt over de totale levensduur van de PC bezien effectief met drie keer de drempel wordt geconfronteerd, terwijl iemand die zijn PC in het midden van het jaar koopt de totale afschrijving verminderd ziet met vier maal de drempel. Ik geniet over de totale levensduur van de PC bezien een aftrek van

ƒ 1.150,--. Als ik de PC had gekocht in juli 1996 had mijn aftrek

ƒ 869,-- bedragen en als ik de PC in januari 1996 had gekocht dan had ik in totaal ƒ 1304,-- mogen aftrekken van mijn inkomen.

3.2.2. Inspecteur:

Een zekere grofheid is inherent aan forfaits als het onderhavige. Die grofheid is gerechtvaardigd omdat de doelmatigheid van de regeling erdoor gediend wordt. Ook elders in de belastingwetgeving komen dit soort drempels voor. Te denken valt aan het algemene arbeidskostenforfait, waardoor iemand die verspreid over twee jaar een aantal studieboeken koopt, kan worden benadeeld ten opzichte van iemand die deze studieboeken in één jaar aanschaft. Verder kent ook de regeling inzake buitengewone lastenaftrek een aantal drempels die per jaar worden toegepast. Zonder deze forfaitaire regelingen zou de wet niet meer uitvoerbaar zijn en daarin vinden zij hun rechtvaardiging.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 75.612,--, te weten het door de Inspecteur vastgestelde belastbaar inkomen van ƒ 76.033,- minus de afschrijving PC (ƒ 154,--) en de verbruikskosten PC (ƒ 300,--) verminderd met de drempel naar tijdsgelang (ƒ 800,-- gedeeld door 24 is ƒ 33,--).

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1.Belanghebbende doet zijn stelling dat de drempel van artikel 36, tweede lid, onderdeel h, van de Wet tot een verboden discriminatie leidt steunen op een vergelijking van de totale aftrekpost gedurende de levensduur van een PC die rond de jaarwisseling is gekocht en van een PC welke in de loop van het jaar is gekocht. Aldus plaatst belanghebbende centraal in zijn betoog de aftrek die een bepaalde aanschaf genereert. Dit uitgangspunt is naar het oordeel van het Hof echter in zijn algemeenheid onjuist. Voornoemde drempel strekt er immers toe de jaarlijks kosten van het privégebruik van alle in die bepaling genoemde apparatuur van de belastingplichtige forfaitair te bepalen op te zamen ƒ 800,--. De regeling stelt aldus centraal de belastingplichtige en diens kosten ter zake van het gebruik van de in de regeling bedoelde apparatuur. Een belastingplichtige die, zoals belanghebbende in het onderhavige jaar heeft gedaan, in de loop van het jaar zijn oude computerapparatuur, al dan niet ten dele, vervangt, heeft voorafgaande aan deze vervanging de oude apparatuur gebruikt. De drempel van ƒ 800,-- ziet mede op de kosten verbonden aan het gebruik van die oude apparatuur. Daarom kan niet worden gezegd, zoals belanghebbende impliciet doet, dat in het jaar van aanschaf van nieuwe apparatuur de drempel van ƒ 800,-- geheel drukt op het afschrijvingspotentieel van de nieuwe apparatuur.

4.2. Gelet op het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat het bepaalde in artikel 36, tweede lid, onderdeel h, van de Wet niet leidt tot een ongeoorloofde discriminatie van belanghebbende ten opzichte van personen die rond de jaarwisseling een PC als de onderhavige aanschaffen. Het gelijk is derhalve aan de zijde van de inspecteur. Diens uitspraak moet in stand blijven.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 26 maart 2002 door R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 26 maart 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.