Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AD9073

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2002
Datum publicatie
08-02-2002
Zaaknummer
C0000781/MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. SK

rolnr. C0000781/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vierde Kamer, van 17 januari 2002,

gewezen in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 17 juli 2000,

procureur: mr. J.H.M. Erkens,

tegen:

[de vrouw],

wonende te woonplaats], gemeente gemeente],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het hoger beroep tegen de door de rechtbank te Maastricht gewezen vonnissen van 24 juni 1999 en 18 mei 2000 tussen appellant - de man - als eiser en geïntimeerde - de vrouw - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 40207/1998)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven met een productie heeft de man drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van zijn vorderingen.

2.2. Bij memorie van antwoord met producties heeft de vrouw de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten ter terechtzitting van dit hof van 22 november 2001, waarbij voor de man optrad mr. R.F. Cohen en voor de vrouw mr. G. Nymeijer. De pleitnotities van beide raadslieden bevinden zich bij de gedingstukken.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De man heeft twee grieven aangevoerd tegen het tussenvonnis en een grief tegen het eindvonnis.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. Partijen zijn op 15 april 1971 met elkaar gehuwd met uitsluiting van iedere gemeenschap (prod. 1 CvE).

b. In art. 6 van de huwelijkse voorwaarden is een zgn. Amsterdams verrekenbeding opgenomen. Dit beding luidt:

"De echtgenoten zijn verplicht, aan het einde van ieder jaar, datgene wat van hun inkomsten onverteerd is gebleven, of daaruit door belegging is verkregen, bij helfte te verdelen."

Aan dit beding is door partijen tijdens hun huwelijk geen uitvoering gegeven. De vrouw heeft haar aanvankelijk andersluidende standpunt op dit punt (CvD punt 7) in eerste aanleg niet gehandhaafd (Antwoordconclusie na Comparitie punt 2) en zij is daarop in hoger beroep niet teruggekomen.

c. Op 30 juni 1972 heeft de vrouw blijkens een daarvan opgemaakte transportakte (productie 1 cvr) een perceel bouwterrein waarop voor rekening van de vrouw een woonhuis is gebouwd, gelegen aan [adres] te [plaats], gekocht en in eigendom verworven, zulks voor een bedrag van F 8.330,- plus F 1.166,20 BTW. Ten tijde van de aankoop was de (af)bouw van dit woonhuis nagenoeg gereed.

d. De totale koop/aanneemsom van bouwterrein en woonhuis bedroeg F 60.700,-. Dit bedrag is gefinancierd door middel van een eigen kapitaal van F 7.000,- en een hypothecaire lening van F 54.000,-.

De hypothecaire lening is door de bank aan partijen gezamenlijk verstrekt tegen een rente van 8% per jaar over F 40.000,- en 9% per jaar over F 14.000,-. Overeengekomen is dat rente en aflossing halfjaarlijks zouden plaatsvinden en dat partijen daarvoor hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn (prod. 2 CvR).

e. Partijen hebben desgevraagd bij pleidooi verklaard dat de hypothecaire lening in 1981 is verhoogd met F 25.000,- in verband met de aanbouw van de keuken en dat de restant-hypotheekschuld ten tijde van de echtscheiding F 51.000,- bedraagt, zodat F 28.000,- is afgelost. In zoverre zijn partijen teruggekomen op het uitgangspunt ter comparitie in eerste aanleg dat in totaal F 26.216,27 is afgelost.

f. De samenleving van partijen is feitelijk beëindigd in september 1996.

g. Op 4 juli 1997 is de tussen partijen uitgesproken echtscheidingsbeschikking van 1 mei 1997 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

h. Tijdens hun huwelijk hebben partijen een markthandel gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma (zie producties bij MvA).

4.2. De man heeft op de voet van art. 6 van de huwelijkse voorwaarden verrekening gevorderd van de vermeerdering van de waarde van het woonhuis tijdens het huwelijk en terzake van de vrouw een bedrag gevorderd van F 107.000,-.

Dit bedrag is als volgt berekend.

Waarde woning t.t.v. echtscheiding

in onbewoonde staat F 265.000,-

Af: rest-hypotheekschuld t.t.v. echtscheiding F 51.000,-

F 214.000,-

De helft van F 214.000,- is F 107.000,-

4.2.1. Daarnaast heeft de man enkele vorderingen ingesteld met betrekking tot de verdeling van de aan partijen in gemeenschappelijke eigendom toebehorende zaken.

4.3. In eerste aanleg is een comparitie van partijen gehouden. Partijen zijn toen overeengekomen dat het totale bedrag van de aflossingen op de hypotheekschuld tot 1 september 1996 kan worden gesteld op een bedrag van F 26.216,27 en dat terzake van afrekening van de vof de man nog een bedrag van F 717,35 aan de vrouw dient te betalen.

De vrouw heeft voorts haar verweer dat de hypothecaire aflossingen zijn voldaan uit schenkingen van haar ouders bij antwoordconclusie in eerste aanleg niet gehandhaafd.

4.3.1. De rechtbank heeft daarop bij eindvonnis d.d. 18 mei 2000 beslist dat verrekend moet worden het bedrag van de aflossingen ad F 26.216,27, en dat aan de man toekomt een bedrag van F 13.108,14 onder aftrek van het bedrag van F 717,35 terzake van de afrekening van de vof.

4.3.2. De rechtbank heeft de vrouw vervolgens veroordeeld tot betaling van een bedrag van F 12.390,79 en de vorderingen van de man voor het overige afgewezen.

4.4. Blijkens het petitum van de memorie van grieven in hoger beroep handhaaft de man niet alleen zijn vordering genoemd in rov. 4.2., maar ook die genoemd in rov. 4.2.1.

4.4.1. Nu de man bij conclusie van repliek pag. 2, laatste alinea reeds te kennen had gegeven dat alleen nog de onder 4.2. bedoelde verrekening aan de orde is en in hoger beroep geen grief aanvoert tegen de afwijzing door de rechtbank van de in rov. 4.2.1. genoemde vordering, zal het hof het eindvonnis van de rechtbank met betrekking tot deze afwijzing bekrachtigen.

4.5. Met de grieven II en III bestrijdt de man het oordeel van de rechtbank dat de man slechts recht heeft op de helft van het nominale bedrag van de hypothecaire aflossingen. De man handhaaft zijn stelling dat hij recht heeft op F 107.000,- met dien verstande dat daarop in mindering kan strekken het bedrag van F 717,35 terzake van afrekening van de vof.

4.6. De vrouw stelt dat de man zelfs geen recht heeft op de helft van het nominale bedrag van de aflossingen, aangezien deze aflossingen geheel zijn voldaan uit schenkingen van haar ouders, maar dat zij geen incidenteel appel wenst in te stellen en zich neerlegt bij de beslissing van de rechtbank dienaangaande.

4.6.1. Indien echter het hof zou concluderen dat aan de man F 107.000,- toekomt, dienen daarop volgens de vrouw de navolgende bedragen in mindering te komen:

- een bedrag van F 7.000,-, welk bedrag zij als gift van haar ouders heeft ontvangen en heeft besteed aan de aankoop van de woning in 1972;

- een aantal bedragen ten belope van F 12.800,- in totaal; dit bedrag is - overeenkomstig de kapitaal - en winst-verdelingsverhouding tussen partijen in de vof - gelijk aan 2/3 deel van de bedragen (totaal F 19.200,-) die de vrouw als gift van haar ouders heeft ontvangen en die zij in de jaren 1992 tot en met 1995 in de vof heeft gestort (MvA pag. 2 en 4).

4.7. Het hof overweegt als volgt.

4.7.1. Tussen partijen is niet in geschil dat, voorzover de man aanspraak zou kunnen maken op verrekening van de waarde van de (verbouwde) woning, daarbij kan worden uitgegaan van een waarde van F 265.000,- ten tijde van de echtscheiding. Voorts staat tussen partijen vast dat de vrouw deze woning heeft verworven tegen betaling van een totaalbedrag van F 86.000,- (F 7.000,- + F 54.000,- +

F 25.000,-) en dat de waardevermeerdering van de woning gedurende de periode waarover eventueel verrekening zou moeten plaatsvinden, dus F 179.000,- bedraagt.

4.7.2. Op de totale hypotheekschuld van F 79.000,- is F 28.000,- afgelost. De vrouw zal de restant-hypotheekschuld van partijen ad F 51.000,- overnemen en ervoor zorgen dat de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen.

4.8. Volgens de man zijn de bedragen van F 7.000,-, F 54.000,- en F 25.000,- volledig ten laste gekomen van bespaarde en onverdeelde inkomsten. Beide partijen hebben tijdens het huwelijk gewerkt (de man meer dan de vrouw)en uit de daarmee verworven inkomsten vond volgens de man betaling van aflossing en rente plaats (CvR pag. 2, toelichting op grief I en pleitnota pag. 1).

4.8.1. Volgens de vrouw echter zijn genoemde bedragen geheel, althans grotendeels, ten laste gekomen van de gelden die zij tijdens het huwelijk van haar ouders geschonken heeft gekregen (CvA pag. 1, MvA pag. 1 en 2).

4.9. De vrouw heeft aangeboden de door haar gestelde schenkingen te bewijzen, onder meer door middel van het horen van de accountant die zowel de boekhouding van haar vader als die van partijen verzorgde.

4.9.1. Het hof zal de vrouw daarom toelaten te bewijzen

a. dat haar ouders haar in 1972 F 7.000,- hebben geschonken om de aankoop van de woning destijds mogelijk te maken en dat zij deze geschonken gelden destijds aan de aankoop van de woning heeft besteed;

b. dat haar ouders door de jaren heen haar vele schenkingen hebben gedaan om de hypotheekverplichtingen na te komen en dat zij de aldus geschonken gelden aan aflossingen van de hypotheekschuld heeft besteed, althans tot een bedrag van F 12.800,-.

4.9.2. Het hof wijst erop dat voor deze bewijslevering niet kan worden volstaan met het bewijs dat de vrouw gelden van haar ouders geschonken heeft gekregen om in het levensonderhoud (van partijen zelf en de kinderen) te voorzien, zoals de vrouw stelt in de MvA pag. 2 eerste alinea. Daaruit kan immers niet volgen dat de vrouw de geschonken gelden gescheiden van het overige vermogen van partijen heeft gehouden en daaruit een deel van de koopsom en de aflossingen heeft voldaan.

4.10. Indien ten aanzien van het bedrag van F 7.000,- zou komen vast te staan dat dit door de vrouw is betaald met door haar ouders aan haar geschonken gelden, en ten aanzien van de hypothecaire aflossingen en rente niet, overweegt het hof ter orientering van partijen omtrent de verrekening voorshands en voorlopig het volgende.

4.10.1. In deze (veronderstelde) situatie is van de totale financiering van de woning ad F 86.000,- een bedrag van F 7.000,- niet ten laste gekomen van bespaarde en onverdeeld gebleven inkomsten, zodat een redelijke begroting meebrengt dat de woning ten belope van het bedrag van F 7.000,- plus 7/86 gedeelte van de waardevermeerdering ad F 179.000,- (= F 14.570,-), derhalve in totaal F 21.570,-, buiten de verrekening moet blijven.

4.10.2. Op grond van het verrekenbeding dient de woning ten belope van het bedrag van de aflossingen ad F 28.000,- plus het daaraan toe te rekenen gedeelte van de waardevermeerdering van F 179.000,-, zijnde 28/86 van F 179.000,- = F 58.279,-, derhalve ten belope van totaal F 86.279,-, in de verrekening te worden betrokken, aangezien tijdens de periode waarover verrekend moet worden, de financiering van de woning voor dat gedeelte ten laste van bespaarde en onverdeelde inkomsten van partijen is gekomen en er daarom van moet worden uitgegaan dat de vrouw de woning in zoverre heeft verkregen uit of door belegging van overgespaarde inkomsten. Dit impliceert dat naast het bedrag van de aflossingen, slechts de waardevermeerdering naar rato van het bedrag van de aflossingen op grond van het verrekenbeding in de verrekening wordt betrokken. Voorzover de (verbouwde) woning is verworven met geleend geld waarvan gedurende de periode waarover verrekend moet worden, slechts de rente en niet de aflos-singen ten laste zijn gekomen van de inkomsten van partijen, kan niet worden aangenomen dat de woning is gefinancierd met geld dat ten laste van bespaarde en onverdeeld gebleven inkomsten is gekomen. De rentebetalingen hebben immers niet tot vermogensvermeerdering geleid maar zijn aan te merken als consumptieve bestedingen waartegenover partijen gelijkelijk het genot van de woning hebben gehad.

4.10.3. In de hier veronderstelde situatie dient echter niettemin het gedeelte van de waardevermeerdering dat is toe te rekenen aan het niet afgeloste deel (F 51.000,-) van het geleende geld in de verrekening te worden betrokken. In verband met het feit dat partijen dit geld gezamenlijk hebben geleend en gezamenlijk hebben belegd in de op naam van de vrouw gestelde woning brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met het feit dat de rentelasten daarvan ten laste van de inkomsten van partijen zijn gebracht, mee dat de man ook voor de helft in dat gedeelte van de waardevermeerdering van de woning deelt. Derhalve moet de woning ook voorzover de waardevermeerdering is toe te rekenen aan het nog niet afgeloste hypotheekbedrag van F 51.000,- in de verrekening worden betrokken, zijnde 51/86 van de waardevermeerdering ad F 179.000,- = F 106.151,-.

4.10.4. De woning zou alsdan voor een bedrag van F 192.430,- (F 86.279,- + F 106.151,-) in de verrekening moeten worden betrokken en aan de man zou dan de helft ad F 96.215,- toekomen.

4.10.5. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich bij memorie na (eventueel niet gehouden) enquête uit te laten over deze voorlopige zienswijze van het hof.

4.11. Tot slot overweegt het hof nog het volgende.

4.11.1. Indien de vrouw een groter bedrag met de man moet verrekenen dan de rechtbank heeft aangenomen, komt nog de vraag aan de orde of daarop de bedragen van F 7.000,- en van F 12.800,- in mindering moet worden gebracht, zoals door de vrouw gesteld en onder rov. 4.6.1. is weergegeven.

4.11.2. Het bedrag van F 7.000,- komt daarop niet in mindering. Indien bewezen wordt dat dit bedrag een schenking van de ouders van de vrouw betreft en door de vrouw is besteed aan de aankoop van het bouwterrein, wordt hiermee aldus rekening gehouden dat, naar het voorlopig oordeel van het hof, de vrouw een deel van de waarde van de woning ten belope van F 21.570,- niet met de man behoeft te verrekenen (zie 4.10.1.).

4.11.3. Bedragen ten belope van F 12.800,- en het daaraan toe te rekenen gedeelte van de waardevermeerdering komen alsdan in mindering op het te verrekenen bedrag, voorzover komt vast te staan dat die bedragen zijn besteed aan aflossingen.

Voor het overige komen die bedragen niet in mindering.

Ook al heeft de vrouw aanzienlijke bedragen die haar ouders haar hebben geschonken, in de vof gestort, dan brengt die enkele omstandigheid niet mee dat zij bij beëindiging van de vof jegens de man aanspraak kan maken op terugbetaling van die bedragen. Er zijn door de vrouw geen feiten gesteld waaruit kan volgen dat de man aan haar bij beëindiging van de vof een bedrag van F 12.800,- dient uit te keren. Met name is door de vrouw niet gesteld dat in het kader van de afwikkeling van de vof een zodanig kapitaal resteerde dat de vrouw jegens de man nog aanspraak kan maken op voormeld bedrag van F 12.800,-.

5. De uitspraak

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

Laat de vrouw toe te bewijzen

a. dat haar ouders haar in 1972 F 7.000,- hebben geschonken om de aankoop van de woning destijds mogelijk te maken en dat zij deze geschonken gelden destijds aan de aankoop van die woning heeft besteed;

b. dat haar ouders door de jaren heen haar vele schenkingen hebben gedaan om de hypotheekverplichtingen na te komen en dat zij de aldus geschonken gelden aan aflossingen van de hypotheekschuld heeft besteed, althans tot een bedrag van F 12.800,-;

bepaalt, voor het geval de vrouw bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Th.L.J. Bod als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 5 februari 2002 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n)op de maandagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de procureur van de vrouw tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

stelt partijen in de gelegenheid zich bij memorie na (eventueel niet gehouden) enquête uit te laten over de voorlopige zienswijze van het hof, vermeld in

4.10. - 4.10.4.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Kranenburg en Smeenk-Van der Weijden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 januari 2002.