Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AD9072

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2002
Datum publicatie
08-02-2002
Zaaknummer
99/30240
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 301
FutD 2002-0365
V-N 2002/17.22
V-N 2002/10.2.8

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/30240

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de haar opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 1995 tot en met 31 december 1997, aanslagnummer 1.

1. Ontstaan en loop van het geding

De naheffingsaanslag bedraagt ƒ 27.291,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag bij de bestreden uitspraak verminderd tot een ten bedrage van ƒ 25.749,--.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek.

Bij brief van 20 juni 2001, ingekomen bij het Hof op 22 juni 2001, heeft de Inspecteur een nader stuk ingediend. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij een afschrift van dit stuk tijdig voor de zitting heeft ontvangen.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 16 oktober 2001 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord de heer B en de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is opgericht in juli 1995. De activiteiten van belanghebbende zijn gestart in de maand september 1995.

2.2. Alle aandelen in belanghebbende worden gehouden door A Beheer B.V. Deze vennootschap voert ook de directie van belanghebbende. Alle aandelen in A Beheer B.V. worden gehouden door B. Laatstgenoemde voert de directie van A Beheer B.V.

2.3. De ondernemingsactiviteit van belanghebbende bestaat uit het leggen en repareren van cement-dekvloeren, hoofdzakelijk in nieuwbouwwoningen. Deze activiteit wordt voornamelijk in de regio's Z1 en Z2 uitgevoerd.

2.4. In 1996 en 1997 heeft de heer B op zijn huidige woonadres, Astraat 1 te Y, een aan hem toebehorende boerderij verbouwd tot woning.

2.5. Op 23 maart 1996 heeft de Inspecteur een zogenoemde waarneming ter plaatse laten uitvoeren bij het huidige woonadres van de heer B. Aldaar waren op dat moment de heer B en enkele andere personen bezig met de verbouwing van de boerderij. De heer B en de andere personen weigerden zich te legitimeren.

2.6. Mede naar aanleiding van deze waarneming ter plaatse heeft de Inspecteur een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende.

2.7. Tijdens het boekenonderzoek is geconstateerd dat in de kasadministratie een aantal onregelmatigheden voorkomt. Zo is er, ter voorkoming van negatieve kassaldi, achteraf een aantal kasstortingen in de vorm van leningen van de echtgenote van de heer B geboekt. Verder ontbreekt een bladzijde uit het kasboek en is een aantal boekingen verwijderd.

2.8. Tijdens het boekenonderzoek is bij de Inspecteur het vermoeden gerezen dat, mogelijk mede met gebruikmaking van valse dan wel vervalste facturen, bedragen, betaald ten behoeve van de verbouwing van de boerderij, als zakelijke kosten van belanghebbende waren verantwoord. Op basis van dit vermoeden is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen belanghebbende, de heer B en diens echtgenote.

2.9. In de administratie van belanghebbende over 1996 is onder meer een factuur aangetroffen, gedateerd 9 januari 1996, van Aannemingsbedrijf C B.V. (verder: C B.V.) te H, ten bedrage van ƒ 6.000,--, vermeerderd met ƒ 1.050,-- aan omzetbelasting, met als omschrijving "werkzaamheden". Dit bedrag aan omzetbelasting is door belanghebbende in aftrek gebracht. Op een tweetal begrotingsstaten van Aannemingsbedrijf C B.V. betreffende deze factuur staat als opdrachtgever vermeld "Dhr. B" en achter de omschrijving werk "Schuur Astraat". Omtrent deze factuur heeft de heer C jegens opsporingsambtenaren het volgende verklaard:

"Ik kan me deze zaak nog goed herinneren. (...) Ik heb behalve het werk aan de schuur van B, nooit voor hem gewerkt en zal dat ook nooit meer doen. (...) Overigens blijkt ook, zoals U weet, uit mijn werkenadministratie duidelijk dat deze factuur betrekking heeft op de sloop van de schuur van B".

2.10. In de administratie van belanghebbende over 1996 is voorts aangetroffen een factuur van VoF D te Y, nummer 1, gedateerd 9 mei 1996, ten bedrage van ƒ 3.461,--, vermeerderd met ƒ 605,68 aan omzetbelasting, met als omschrijving "diverse werken". Dit bedrag aan omzetbelasting is door belanghebbende in aftrek gebracht. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen de heer B is een proces-verbaal opgemaakt van een verklaring van de heer D, mede-eigenaar van VoF D. In dit proces-verbaal staat ondermeer de volgende verklaring van de heer D opgetekend:

"Voor wat betreft factuur 26112 kan ik U zeggen, dat de omschrijving op deze factuur op verzoek van B er op is gezet. Hij had voor de verbouwing van zijn woning beton bij mij gehaald en hij had nog steeds niets betaald. Toen ik hem daarop aansprak zei hij, dat hij het geld niet had, maar, als ik de factuur zou opmaken op een manier, dat hij hem als zakelijke kosten kon boeken, zou hij wel kunnen betalen. Ik moest er dan "XX" opzetten. Het geleverde beton was bestemd voor het huis van B en voor het huis van zijn dochter in I. Ik kan U dat laten zien aan de hand van mijn inkoopfactuur van dat beton, waarop staat, waar het beton is afgeleverd".

2.11. In de administratie van belanghebbende over 1996 en 1997 is ook een veertiental facturen aangetroffen afkomstig van Aannemersbedrijf E, tot een totaalbedrag van

ƒ 85.554,80, vermeerderd met ƒ 14.972,39 aan omzetbelasting. Dit bedrag aan omzetbelasting is door belanghebbende in aftrek gebracht. Deze facturen betreffen geleverd cement en zand en gerepareerde vloeren. Aannemersbedrijf E werd in de vorm van een eenmanszaak gedreven door de heer E. De heer E is in de maand januari 1996 gefailleerd. Hij is op 15 juni 2001 in het huis van bewaring "Q" te P verhoord door twee opsporingsambtenaren en heeft bij die gelegenheid onder meer het volgende verklaard:

"Zoals ik al heb aangegeven heb ik mij na mijn faillissement per 10-01-1996 bezig gehouden met het, op verzoek, maken van valse facturen. Ik heb derhalve deze afgelopen jaren voor verschillende ondernemingen op verzoek valse facturen gemaakt en afgeleverd, die door deze ondernemingen kennelijk in hun kasadministratie zijn verwerkt. Ik zal hieromtrent per onderneming nadere informatie verschaffen.

In alle gevallen is het zo dat ik de op betreffende facturen vermelde "geleverde materialen" of "geleverde diensten" nimmer heb verricht. Ik heb aan deze ondernemingen uitsluitend "valse" facturen verkocht, waarbij de ingevulde factuurbedragen door deze opdrachtgevers werd bepaald.

(...)

Ik heb deze afgelopen jaren gebruik gemaakt van facturen van de ondernemingen:

* F Aannemersbedrijf, Bstraat 2 te Z1;

* Aannemersbedrijf E, Cstraat 3, te Z1;

X BV te Y:

U toont mij in dit verband, aan X BV geadresseerde:

* 14 kopiefacturen van Aannemersbedrijf E, totaal factuurbedrag:

* 1996: ƒ 34.430;

* 1997: ƒ 31.666;

* 1 kopiefactuur van F, totaal factuurbedrag:

* 1997 ƒ 2.061;

Ik heb op verzoek van B, de directeur van X BV, voornoemde "valse" facturen geleverd van:

* Aannemersbedrijf E;

* F Aannemersbedrijf.

Ik herken deze facturen als de persoonlijk door mij thuis bij B, in diens opdracht, opgemaakte "valse" facturen. B had een klein kantoortje in de tuin achter zijn woning.

(...)

U deelt mij in dit verband mede dat B tegenover de FIOD onder andere heeft verklaard dat:

* deze facturen van mij heeft ontvangen;

* ik de op die facturen vermelde materialen ook daadwerkelijk heb geleverd;

* ik daarvoor contant betaald ben geworden.

Ik kan hieromtrent verklaren dat B liegt. Ik heb aan hem alleen op zijn verzoek voornoemde facturen geleverd. Alle op die facturen vermelde materialen heb ik nooit geleverd."

2.12. In de administratie van belanghebbende over 1996 is ook een factuur aangetroffen van G Aannemings- en Onderhoudsbedrijf (verder: G), gedagtekend 2 juli 1996, ten bedrage van ƒ 6.187,50, vermeerderd met ƒ 1.082,81 aan omzetbelasting. Dit bedrag aan omzetbelasting is door belanghebbende in aftrek gebracht. G is niet bekend bij de belastingdienst. Volgens de Kamer van Koophandel te Z1 is G opgeheven per 1 april 1992.

2.13. Tevens is in de administratie van belanghebbende over 1996 aangetroffen een achttal facturen van Algemene Bouwmaatschapij J BVBA, tot een totaalbedrag van ƒ 40.218,96, vermeerderd met ƒ 7.038,30 aan omzetbelasting. Dit bedrag aan omzetbelasting is door belanghebbende in aftrek gebracht. Op een van deze acht facturen staat een Nederlands BTW-nummer vermeld. Blijkens het dossier dat door de eenheid R van de belastingdienst is bijgehouden, heeft dit bedrijf sinds 1992 geen activiteiten meer ontwikkeld.

2.14. Ten slotte is in de administratie van belanghebbende over 1997 aangetroffen een factuur van F Aannemersbedrijf, tot een bedrag van ƒ 2.520,--, vermeerderd met ƒ 441,-- aan omzetbelasting. Dit bedrag aan omzetbelasting is door belanghebbende in aftrek gebracht. F Aannemersbedrijf is een bestaande onderneming in Z1. De eigenaar van deze onderneming is in het kader van het opsporingsonderzoek tegen belanghebbende, de heer B en diens echtgenote verhoord. Omtrent deze factuur heeft hij ondermeer verklaard:

"Dat is helemaal geen factuur van mijn bedrijf. De facturen die ik voor mijn bedrijf uitschrijf hebben rechts een verticale streep en onder de kop een horizontale streep. Het soort papier, zoals u mij dit toont wordt door mij wel gebruikt, maar dan uitsluitend voor het maken van offertes. Zoals ik al eerder zei ken ik het bedrijf X niet. Ik weet dus ook niet wat deze factuur zou moeten betekenen. Bovendien wijs ik u er op dat ik mijn facturen nooit onderschrijf met "Fa; F". Dit moet dus een vervalsing zijn. Ook is het nog zo, dat ik het factuurnummer van mijn facturen altijd linksboven aan de factuur vermeld, en dat altijd met gebruikmaking van een volgnummer en het jaartal, dus bijvoorbeeld 0196 of 0198. Ook vermeld ik nooit rekno; maar reknr. De handtekening die onderaan de factuur staat is zeker niet die van mij. Ik vermoed dat die handtekening van de heer E is.

(...)

U moet weten dat ene E uit Z1 omstreeks 1995 wat werkzaamheden met zijn bedrijf heeft uitgevoerd voor mijn bedrijf. E maakte zich er toen sterk voor meer werk voor mijn bedrijf te regelen. Hij heeft toen aan mijn vader, die mij adviseerde voor mijn bedrijf, gevraagd of hij een blanco factuur van F mocht hebben, zodat hij, als hij werk voor F vond, kon laten zien dat het een goed bedrijf was. Mijn vader heeft mij toen gevraagd of hij dat mocht doen, en ik heb daarvoor toestemming verleend. Er is toen door mijn vader aan E een blanco offertepapier gegeven, dat op het lege deel van dat papier voorzien was van een kruis, getrokken met de pen. Ik vermoed dat E deze offerte gebruikt heeft om zelf facturen te vervaardigen. U moet weten dat ik vorig jaar ook al ben geconfronteerd met het gebruik van die blanco offerte als factuur door E. Toen heb ik daarvan ook aangifte gedaan bij de politie in Z1."

2.15. De in 2.11 tot en met 2.14 bedoelde facturen zijn volgens de administratie van belanghebbende contant voldaan, terwijl belanghebbende haar andere leveranciers normaliter per bank betaalde.

2.16. Bij arrest van de Strafkamer van het Hof van november 2000 is de heer B in hoger beroep veroordeeld tot het verrichten van 140 uur onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, wegens, samengevat weergegeven, het doen van opzettelijk onjuiste en of opzettelijk onvolledige aangiften inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen over de jaren 1995 tot en met 1996 en wegens het opdracht geven tot en feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift gepleegd door belanghebbende door het opmaken en in de administratie van belanghebbende opnemen van valse facturen. Tot de hiervoor bedoelde valse facturen worden mede gerekend de in 2.9 en 2.10 bedoelde facturen van Aannemingsbedrijf Van C B.V. en V.o.F. D.

2.17. Bij arrest van november 2000 is de echtgenote van de heer B door de Strafkamer van het Hof in hoger beroep veroordeeld tot een geldboete van ƒ 1.000,--, wegens valsheid in geschrift meermalen gepleegd bestaande uit, samengevat weergegeven, het in de maanden november en december 1996 verwerken van valse boekingen in de kasadministratie van belanghebbende.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende de omzetbelasting vermeld op de facturen bedoeld in de onderdelen 2.9 tot en met 2.14 terecht in aftrek heeft gebracht.

Belanghebbende beantwoordt die vraag in bevestigende zin en de tweede in ontkennende zin.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting het volgende toegevoegd.

3.2.1. Belanghebbende:

Het proces-verbaal dat is opgemaakt van de verklaring van de heer D, mede-eigenaar van VoF D, klopt niet. De heer D heeft nooit verklaard wat er in het proces-verbaal staat.

3.2.2. Inspecteur:

D heeft wel degelijk verklaard dat de levering van beton waarop de factuur ziet heeft plaatsgevonden bij de boerderij van de heer B en de woning van diens dochter. Die verklaring wordt trouwens bevestigd door bescheiden die wij in de administratie van D hebben aangetroffen. Hetzelfde geldt voor de verklaring van de heer C.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van ƒ 4.055,--.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. De Inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de omzetbelasting vermeld op de in 2.9 en 2.10 bedoelde facturen ten onrechte in aftrek is gebracht, gewezen op de processen-verbaal van de verklaringen van de heren C en D, geciteerd in de onderdelen 2.9 en 2.10. Voorts heeft de Inspecteur erop gewezen dat de verklaringen van C en D sporen met door hem overgelegde verklaringen van andere leveranciers en dat de verklaringen van C en D bevestiging vinden in de administratie van C B.V. en VoF D, hetgeen door belanghebbende niet is betwist en door het Hof als vaststaand wordt aangemerkt. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt naar het oordeel van het Hof in dit geval met zich dat het op de weg van belanghebbende ligt om tegenover hetgeen door de Inspecteur is aangevoerd aannemelijk te maken dat de meergenoemde facturen betrekking hebben op goederen en diensten die door belanghebbende zijn gebezigd in het kader van haar onderneming. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende daarin niet geslaagd.

4.2. Aangaande de in 2.11 tot en met 2.14 bedoelde facturen heeft de Inspecteur, ter onderbouwing van zijn standpunt dat het gaat om valse facturen die niet zien op daadwerkelijk verrichte leveringen of diensten, gewezen op de verklaring van de heer E, geciteerd in onderdeel 2.11, en op hem bekende gegevens omtrent de ondernemingen waarvan deze facturen afkomstig zijn, weergeven in de onderdelen 2.11 tot en met 2.14. Voorts heeft de Inspecteur gesteld dat de onregelmatigheden in de kasadministratie van belanghebbende erop wijzen dat deze facturen naar believen werden gebruikt om privé-opnamen uit de kas van belanghebbende te versluieren. Verder heeft de Inspecteur gesteld dat het theoretisch uurtarief volgens een elftal willekeurig gekozen facturen van belanghebbende aanmerkelijk hoger ligt dan het theoretisch uurtarief volgens de jaarstukken, waarin voormelde facturen zijn verwerkt. Als deze facturen buiten beschouwing worden gelaten, liggen, aldus de Inspecteur, beide uurtarieven aanzienlijk dichter bij elkaar. Het Hof acht deze stellingen van de Inspecteur aannemelijk en gaat uit van de juistheid ervan. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt naar het oordeel van het Hof in het onderhavige geval mee dat het op de weg van belanghebbende ligt om tegenover hetgeen door de Inspecteur is aangevoerd aannemelijk te maken dat de facturen onvervalst zijn en zien op daadwerkelijk aan belanghebbende geleverde goederen en aan haar verrichte diensten. Hierin is belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet geslaagd.

4.3. Het vorenoverwogene brengt mee dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Diens stelling dat de zogenoemde omkering van de bewijslast van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen moet worden toegepast omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 34 van de Wet op de omzetbelasting 1968 op haar rustende administratieve verplichtingen, behoeft geen behandeling meer.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 22 januari 2002 door R.J. Koopman, voorzitter, J.W. van der Voort en J.W. Zwemmer, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 22 januari 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een

beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak

overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.