Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AD8682

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-01-2002
Datum publicatie
31-01-2002
Zaaknummer
C0000523/BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. JZ

rolnr. C0000523/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH,

tweede kamer, van 8 januari 2002,

gewezen in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellante,

procureur: mr C.M. van der Corput,

t e g e n

[de man],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

procureur: mr J.A.Th. van Zinnicq Bergmann,

op het bij dagvaarding van 8 mei 2000 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank te Breda tussen appellante, [de vrouw], als eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie en geïntimeerde, [de man], als gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie onder rolnummer 72501/HA ZA 99-830 gewezen vonnis van 15 februari 2000.

---------------------------------------------------------

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 14 september 1999, die zich bij de processtukken bevinden.

2. Het geding in hoger beroep

Van het eindvonnis van 15 februari 2000 is [de vrouw] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft zij één grief aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van de memorie van grieven nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft [de man] deze grief onder overlegging van twee producties bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [de vrouw] in haar vordering althans tot ontzegging daarvan met bekrachtiging van het bestreden vonnis en met veroordeling van [de vrouw] in de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

De grief van [de vrouw] luidt:

"Ten onrechte is in conventie verrekening door de man tot een bedrag van f. 6.045,78 toegestaan".

4. De beoordeling

4.1 Geen grieven zijn gericht tegen de feiten zoals in het bestreden vonnis onder 3.1 vastgesteld, zodat het hof hiervan ook in hoger beroep uitgaat.

4.2 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

Partijen zijn gehuwd geweest. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken. Bij de regeling van de gevolgen daarvan zijn tussen hen geschillen ontstaan. Ter beslechting van deze geschillen hebben partijen op 20 oktober 1994 een dadingsovereenkomst gesloten. Ingevolge deze overeenkomst diende [de man] aan [de vrouw] een bedrag van f. 28.000,= te betalen. Een gedeelte hiervan, groot f. 6.000,=, heeft hij voldaan. Het restant weigerde [de man] te betalen met als reden dat [de vrouw] hem een aantal malen schade had toegebracht, die hij met het openstaande bedrag wilde verrekenen.

4.3 In deze procedure heeft [de vrouw] in eerste aanleg betaling gevorderd van het resterende bedrag van f. 22.000,=, met rente en buitengerechtelijke incassokosten. [de man] heeft een beroep gedaan op verrekening met een zevental schadeposten die verband houden met onrechtmatige gedragingen van [de vrouw] jegens hem. Hierbij ging het, inclusief rente tot aan de dag der dagvaarding, om een bedrag van f. 11.113,76. Dit bedrag vordert hij tevens in voorwaardelijke reconventie.

4.4 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de door [de man] opgevoerde schadeposten van vóór de datum van de dading, 20 oktober 1994, afgewezen en de overige schadeposten, ten bedrage van in totaal f. 6.045,78, verrekend met het aan [de vrouw] toewijsbare bedrag van f. 22.000,=.

4.5 [de vrouw] betwist dat zij de gestelde schades heeft toegebracht. Volgens haar heeft [de man] daaromtrent geen bewijs bijgebracht en dient verrekening afgewezen te worden nu de gegrondheid van de vorderingen van [de man] niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Voor zover dit zou betekenen dat de schadeposten in reconventie aan de orde komen, dienen deze volgens [de vrouw] afgewezen te worden.

4.6 Het gaat in hoger beroep om de volgende posten:

a) f. 2.439,40, schade aan Mercedes, nota 17.11.1994 (prod. 5 c.v.a.);

b) f. 1.138,38, schade aan Mercedes, nota 20.01.1995 (prod. 6 c.v.a.);

c) f. 211,50, huur vervangende auto, nota 20.01.1995 (prod. 7 c.v.a.);

d) f. 400,=, twee banden Mercedes, nota 03.02.1995 (prod. 8 c.v.a.);

e) f. 1.856,50, schade garagedeur, nota 08.09.1995 (prod. 9 c.v.a.).

[de vrouw] heeft niet betwist dat [de man] deze schades heeft geleden, maar wel dat deze door haar zouden zijn toegebracht.

4.7 Naar aanleiding van deze betwisting heeft [de man] bij memorie van antwoord een brief van de Woningstichting [gemeente] van 20 oktober 1999 betreffende de garagedeur en een proces-verbaal van de politie betreffende een incident in de nacht van 7 op 8 november 1995.

Het verband tussen deze producties en de gestelde schadeposten is door [de man] vooralsnog niet duidelijk gemaakt. Het hof merkt hierbij op dat in de brief van de Woningstichting sprake is van een beschadiging van de garagedeur in de nacht van 24 op 25 december 1994, terwijl de hierboven onder e) vermelde nota een pro forma-nota van ruim acht maanden later betreft. Het incident waarop het proces-verbaal betrekking heeft dateert van geruime tijd na de hierboven onder a) tot en met d) vermelde nota's en staat hier dus op zich los van.

4.8 Tegenover de betwisting door [de vrouw] is het aan [de man] te bewijzen dat zij de gestelde schades heeft toegebracht. De overgelegde nota's en andere producties bieden daarvoor onvoldoende bewijs. Door [de man] is aangeboden nader bewijs te leveren. Het hof zal hem hiertoe in de gelegenheid stellen.

4.9 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

Het hof:

laat [de man] toe te bewijzen dat de hierboven onder 4.6 vermelde schades a) tot en met e) het gevolg zijn van onrechtmatig handelen van [de vrouw] jegens hem;

bepaalt, voor het geval [de man] bewijs wenst te leveren door middel van getuigen, dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden ten overstaan van mr B.A. Meulenbroek als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te

's-Hertogenbosch;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 29 januari 2002 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op donderdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de procureur van [de man] bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de procureur van [de man] tenminste 7 dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de griffier;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs Rothuizen-van Dijk, Meulenbroek en Sterk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 januari 2002.