Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AD8680

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-01-2002
Datum publicatie
31-01-2002
Zaaknummer
C0000506/MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. GH

rolnr. C0000506/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 10 januari 2002,

gewezen in de zaak van:

[curator],

in zijn hoedanigheid van curator over de onbeheerde nalatenschap van [erflater],

wonende en kantoorhoudende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 13 april 2000,

procureur: mr. J.H.M. Erkens,

tegen:

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ONDERNEMINGEN ROERMOND,

kantoorhoudende te Roermond,

geïntimeerde bij gemeld exploot;

procureur: mr. J.E. Lenglet,

op het hoger beroep tegen het door de rechtbank te Maastricht gewezen vonnis van 13 januari 2000 tussen appellant - de curator - als gedaagde en geïntimeerde - de Ontvanger - als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 39117/HA ZA 98-565)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de curator één grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van de Ontvanger althans tot bepaling dat de rechtbank te Maastricht, na verwijzing, rekening dient te houden met de gestelde overeenstemming tussen de curator en de benoemend rechter over de wijze van afhandeling van de onbeheerde nalatenschap, in dier voege dat gelet op de gelijkstelling met de faillissementssituatie het bepaalde in artikel 476a Rv buiten werking dient te blijven.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de Ontvanger de grief bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de wetgever in de artikelen 4:1174 en 1176 BW de taak van de curator van een onbeheerde nalatenschap op voldoende wijze heeft omschreven en dat de curator in overeenstemming met die bepalingen zijn taak dient uit te oefenen, zonder rekening te houden met het verweer van de curator dat hij bij gebrek aan een voldoende houvast biedende wettelijke regeling na overleg met en instemming van de benoemend rechter voor zoveel mogelijk de vereffening ter hand heeft genomen als ware er sprake van een vereffening in het kader van een faillissement.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Op 15 november 1993 is overleden [erflater]. Bij beschikking van de rechtbank te Maastricht van 9 december 1993 is [curator] benoemd tot curator over de onbeheerde nalatenschap van [erflater].

4.1.2. De Ontvanger heeft op 16 december 1996 ten laste van (de erven van) [erflater] onder de curator executoriaal derdenbeslag doen leggen uit hoofde van de in het beslagexploot vermelde dwangbevelen tot verhaal van een vordering groot fl. 43.887,-- te vermeerderen met invorderingsrente. Van die vordering staat thans nog fl. 26.075,-- open, te vermeerderen met fl. 1.470,-- aan kosten en met invorderingsrente.

4.1.3. De curator is, ook na sommatie door de Ontvanger, in gebreke gebleven met het doen van verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv.

4.1.4. In deze procedure vordert de curator, verkort en zakelijk weergegeven,

primair:

a. dat de curator in rechte verklaring, met reden omkleed, zal doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen;

b. dat de curator, nadat die verklaring door hem zal zijn gedaan en door de Ontvanger goedgekeurd of in geval van tegenspraak door de rechter zal zijn vastgesteld, bij vonnis zal worden veroordeeld om de geldsommen die door het beslag zijn getroffen aan de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd te voldoen en de verschuldigde goederen of af te geven zaken aan voornoemde belastingdeurwaarder ter beschikking te stellen;

subsidiair:

voor het geval dat de curator niet zal verschijnen of, verschenen zijnde, geen verklaring zal doen: dat de curator bij vonnis zal worden veroordeeld tot betaling aan de Ontvanger van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, zijnde fl. 27.545,--, vermeerderd met de invorderingsrente en de kosten van vervolging en executie, sedert de betekening van de dwangbevelen, als ware hij daarvan zelf schuldenaar.

4.1.5. De curator heeft in de procedure in eerste aanleg geen verklaring gedaan. De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de curator alsnog in de gelegenheid gesteld verklaring te doen.

4.2. Ook in hoger beroep heeft de curator geen verklaring gedaan.

4.2.1. Het betoog van de curator in hoger beroep komt erop neer dat de wijze van vereffening van een onbeheerde nalatenschap wettelijk niet voldoende is geregeld, dat de vereffening van een onbeheerde nalatenschap vergelijkbaar is met een faillissementssituatie en dat er geen plaats is voor een andere voorkeursbehandeling voor preferente schuldeisers dan een voorrang bij de in het kader van de vereffening te verrichten betalingen.

4.2.2. Dit betoog vindt geen steun in het wettelijke systeem. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de wijze van vereffening van een onbeheerde nalatenschap in de artikelen 4:1172 ev BW in voldoende mate is omschreven. Daarbij heeft de wetgever op onderdelen aansluiting gezocht bij de wettelijke regeling voor de aanvaarding van een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

Voor aansluiting bij een faillissementssituatie is te meer geen plaats nu de Faillissementswet bijzondere bepalingen kent voor de faillietverklaring van een nalatenschap en de gevolgen daarvan. De Ontvanger heeft onweersproken gesteld dat van een faillissement geen sprake is (pt. 10 cvr). Inmiddels is de in artikel 201 Faillissementswet gestelde termijn van zes maanden na het overlijden van [erflater], waarbinnen de faillietverklaring van de nalatenschap kan worden aangevraagd, reeds lang verstreken.

4.2.3. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het bepaalde in de artikelen 476a ev Rv in de onderhavige situatie onverminderd van toepassing is. Op de curator rust derhalve de verplichting om overeenkomstig het in die artikelen bepaalde verklaring te doen van de door het executoriale beslag van 16 december 1996 getroffen vorderingen en zaken en daarna de volgens de verklaring verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te voldoen en de verschuldigde goederen of zaken aan hem af te geven. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat zij de curator bij gebreke daarvan zal veroordelen tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, als ware de curator daarvan zelf schuldenaar.

4.2.4. Ook in hoger beroep heeft de curator zijn stelling dat hij handelt overeenkomstig een afspraak met de "benoemend" rechter op geen enkele wijze onderbouwd, zodat hieraan, wat daar overigens ook van zij, voorbij zal worden gegaan.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat de grief van de curator faalt en het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd. De zaak zal voor verdere behandeling naar de rechtbank te Maastricht worden verwezen.

4.4. Ten overvloede wijst het hof er nog op dat de curator krachtens het bepaalde in artikel 4:1176 BW in verbinding met artikel 4:1082 BW verplicht is binnen zeven maanden na zijn benoeming rekening en verantwoording te doen aan alle bekende en onbekende schuldeisers en legatarissen. Deze termijn is reeds jaren verstreken.

4.5. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

5.1. bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

5.2. verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank te Maastricht ter verdere behandeling;

5.3. veroordeelt de curator in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 215,55 (fl. 475,-) aan verschotten en € 771,43 (fl. 1.700,-) aan salaris procureur;

5.4. verklaart de veroordeling onder 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Kranenburg en Smeenk-Van der Weijden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 januari 2002.