Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AF7940

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-07-2001
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
C9901041/HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Typ. HV

Rolnr. C9901041/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

tweede kamer, van 31 juli 2001,

gewezen in de zaak van

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. H.E.J.M. van Stiphout,

t e g e n :

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

procureur: mr. M.J.J. Bogaerts-Tholen,

op het bij dagvaarding van 11 november 1999 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank te 's-Hertogenbosch tussen appellant, [appellant], als gedaagde en geïntimeerde, [geïntimeerde], als eiser onder rolnummer 9300/HA ZA 94-2624 gewezen vonnissen van

22 november 1996, 20 juni 1997 en 3 september 1999.

---------------------------------------------------------

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen waarvan beroep, die zich bij de processtukken bevinden.

2. Het geding in hoger beroep

Van deze vonnissen is [appellant] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] tegen het eindvonnis van 3 september 1999 zes grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van de memorie van grieven nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van twee producties de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden eindvonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

Vervolgens heeft [appellant] een akte genomen en [geïntimeerde] een antwoordakte.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Tegen de tussenvonnissen van 22 november 1996 en

20 juni 1997 heeft [appellant] geen grieven gericht zodat hij in zijn beroep tegen deze vonnissen

niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

4.2. Tegen de feiten zoals in het tussenvonnis van

22 november 1996 onder 2 vastgesteld zijn geen grieven gericht zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Het hof verwijst daarnaar voor een beschrijving van de gebeurtenissen die in deze procedure van belang zijn.

4.3. Grief I betreft de vraag of [appellant] zich, naar Indonesisch recht, op risico-aanvaarding door [geïntimeerde] kan beroepen. Uit het antwoord van de deskundige op vraag E van de nadere vragen die hem door [appellant] zijn gesteld blijkt naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk dat een dergelijk beroep naar Indonesisch recht in een geval als dit op zich mogelijk is (antwoorden d.d. 6 januari 1999, in vertaling door [geïntimeerde] bij pleidooi in eerste aanleg overgelegd). Dit betekent dat het feit dat in artikel 28 van de Indonesische Wet voor Wegverkeer en Vervoer van 12 mei 1992 (de Wet) de aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover passagiers expliciet is geregeld niet aan een beroep op risico-aanvaarding in de weg staat. De rechtbank is er ten onrechte van uitgegaan dat een beroep op risico-aanvaarding in deze situatie niet mogelijk zou zijn, zodat deze grief die zich tegen dit oordeel richt in zoverre gegrond is.

Het hof merkt hierbij nog op dat volgens [geïntimeerde] de nadere vragen van [appellant] aan de deskundige en diens antwoorden daarop buiten beschouwing gelaten moeten worden, maar evenals de rechtbank (r.o. 2.5 eindvonnis) ziet het hof daar geen aanleiding voor.

De vraag of het beroep op risico-aanvaarding al dan niet slaagt zal aan de orde komen na de bewijslevering die hieronder onder 4.7 wordt aangegeven.

4.4. Grief II betreft de breedte van de weg. De rechtbank is er in het eindvonnis onder 2.13 van uitgegaan dat de weg vier meter breed was. [appellant] wijst erop dat hij de breedte heeft geschat en dat ervan uitgegaan moet worden dat de weg ongeveer vier meter breed was, hetgeen ook kan inhouden: minder dan vier meter breed. Hij acht het ook waarschijnlijk dat de weg minder dan vier meter breed was.

Het hof overweegt hierover het volgende. Het gaat hier om een schatting van [appellant] die door [geïntimeerde] niet is weersproken en niet om een nauwkeurige meting. Het is niet waarschijnlijk dat de breedte van de weg inderdaad exact vier meter bedroeg, zodat het op grond daarvan juister is uit te gaan van 'ongeveer vier meter'. Dat brengt intussen niet mee dat er dan ook uitgegaan zou moeten worden van 'minder dan vier meter' nu [appellant] ter onderbouwing van die stelling geen concrete feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht. Het hof houdt het dus op 'ongeveer vier meter breed', zodat de grief in zoverre slaagt zonder dat dit overigens tot een ander oordeel leidt.

4.5. De grieven III, IV en V betreffen de oorzaak van het ongeval en de vraag of [appellant] hiervoor ingevolge artikel 28 van de Wet aansprakelijk is.

Door [appellant] is in dit verband naar voren gebracht dat [geïntimeerde] nalatigheid of schuld van [appellant] niet heeft gesteld, laat staan bewezen. Het ongeval is volgens [appellant] niet te wijten aan een door hem gemaakte besturingsfout. Hij beroept zich op overmacht als bedoeld in artikel 29 onder a en onder b van de Wet.

4.6. Het hof overweegt hierover het volgende.

Door [geïntimeerde] is in de inleidende dagvaarding gesteld dat [appellant] tijdens het achteruit rijden de terreinwagen te dicht naar de rand van het ravijn heeft gestuurd en dat de wagen in het ravijn is gestort, waardoor [geïntimeerde] schade heeft geleden. Dit is niet anders op te vatten dan als stelling dat het ongeval en de daaruit voortvloeiende schade door de bestuurder,

[appellant], is veroorzaakt. Op dit punt ontbeert het verweer van [appellant] feitelijke grondslag.

4.7. Voor de verdere beoordeling van de vordering is het noodzakelijk vast te stellen wat de precieze toedracht van het ongeval is geweest en in welke mate

[appellant] daaraan schuld heeft.

Nu hetgeen [geïntimeerde] daaromtrent naar voren heeft gebracht, door [appellant] is betwist (afgezien van de hierboven onder 4.2 bedoelde feiten), is het ingevolge artikel 177 Rv. aan [geïntimeerde] om daaromtrent bewijs te leveren.

4.8. Op de overige kwesties zal het hof na bewijslevering terugkomen.

5. De beslissing

Het hof:

laat [geïntimeerde] toe te bewijzen de toedracht van het ongeval en de mate waarin [appellant] daaraan schuld heeft;

bepaalt, voor het geval [geïntimeerde] bewijs wenst te leveren door middel van getuigen, dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden ten overstaan van mr. B.A. Meulenbroek als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te

's-Hertogenbosch;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 21 augustus 2001 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op donderdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de procureur van [geïntimeerde] bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het proces-dossier zal meezenden;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de procureur van [geïntimeerde] tenminste

7 dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de griffier;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schaik-Veltman, Meulenbroek en Begheyn en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 31 juli 2001.