Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AF7548

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-05-2001
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
20.002684.00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Produceren en exporteren van XTC door lid van een criminele organisatie.

Verwerping van niet-ontvankelijkheidsverweren, gevoerd op grond van:

- onduidelijke dagvaarding

- schending algemene beginselen behoorlijk procesrecht

- inkijkoperatie zonder aansluitende inbeslagneming.

Gevangenisstraf vier jaar en zes maanden.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 2
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 140
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.002684.00

uitspraakdatum : 29 mei 2001

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 9 november 2000 in de strafzaak onder parketnummer 01/089090/99 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1972,

wonende te [adres]

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. Nieuw Vosseveld/"De Leij" te Vught.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal reeds hierom worden vernietigd, omdat na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep de grondslag waarop het hof recht doet anders is komen te luiden.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.a. hij in of omstreeks het tijdvak van 1 oktober 1999 tot en met 30 november 1999 te Culemborg, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met [mededader 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk

- buiten het grondgebied van Nederland (te weten: naar Engeland) heeft gebracht, althans

- buiten het grondgebied van Nederland (te weten: naar Engeland) heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (die) ander(en), althans alleen, opzettelijk de hierna te noemen XTC-pillen met bestemming Engeland vervoerd, althans ten vervoer aangeboden, althans

- heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

- aanwezig heeft gehad

een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal (tussen de 100.000 en 150.000, althans een aantal XTC-pillen) bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in ieder geval een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel welk(e) is/zijn aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

en

1.b. hij in of omstreeks het tijdvak van 1 november l999 tot en met 31 december 1999 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte 6] en/of [mededader 1] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk

- buiten het grondgebied van Nederland (te weten: naar Engeland) heeft gebracht, althans

- buiten het grondgebied van Nederland (te weten: naar Engeland) heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (die) ander(en), althans alleen, opzettelijk de hierna te noemen XTC-pillen met bestemming Engeland vervoerd, althans ten vervoer aangeboden, althans

- heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

- aanwezig heeft gehad

een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal (een sporttas XTC-pillen) bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in ieder geval een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel welk(e) is/zijn aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

en

1.c. hij in of omstreeks het tijdvak van 1 december l999 tot en met 31 december 1999 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte 6] en/of [mededader 1] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk

- buiten het grondgebied van Nederland (te weten: naar Engeland) heeft gebracht, althans

- buiten het grondgebied van Nederland (te weten: naar Engeland) heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (die) ander(en), althans alleen, opzettelijk de hierna te noemen XTC-pillen met bestemming Engeland vervoerd, althans ten vervoer aangeboden, althans

- heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

- opzettelijk aanwezig heeft gehad

een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal (een doos XTC-pillen) bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in ieder geval een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel welk(e) is/zijn aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

en

1.d. hij op of omstreeks 6 januari 2000 te Valkenswaard en/of Breda, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met [mededader 1] en/of [medeverdachte 7] en/of een of meer ander(en), althans alleen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet,

althans opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal (ongeveer 7.553 gram - dat is ongeveer 20.000 stuks - XTC-pillen) bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in ieder geval een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel welk(e) is/zijn aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (die) ander(en), althans alleen, opzettelijk die XTC-pillen met bestemming België vervoerd, althans ten vervoer aangeboden, in elk geval opzettelijk aanwezig gehad, in het grensgebied van Nederland en België (in een door medeverdachte [medeverdachte 7] bestuurde auto), althans die XTC-pillen verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [medeverdachte 7] en/of vervoerd in elk geval opzettelijk aanwezig gehad;

en

1.e. hij in of omstreeks het tijdvak van 1 september 1999 tot en met 30 december 1999 te Baarle-Nassau (in een pand aan de [adres 1]), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [mededader 1] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd, een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal bevattende M.D.M.A., zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in ieder geval een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel welk(e) is/zijn aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet.

en

1.f. hij in of omstreeks het tijdvak van 1 oktober 1999 tot en met 25 november 1999 te 's-Hertogenbosch (in een pand aan de [adres 2]), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 9] en/of [mededader 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd, een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal bevattende M.D.M.A., zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in ieder geval een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel welk(e) is/zijn aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

en

1.g. hij in of omstreeks het tijdvak van l november 1999 tot en met 30 december 1999 te Geldrop (in een pand aan de [adres 3]), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 8] en/of [mededader 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd, een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal bevattende M.D.M.A., zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in ieder geval een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel welk(e) is/zijn aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

en

1.h. hij in of omstreeks het tijdvak van 1 maart 1999 tot en met 12 januari 2000 te Geldrop (in een pand aan de [adres 4]), in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte 11] en/of [mededader 1] en/of een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal bevattende M.D.M.A., zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in ieder geval een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel welk(e) is/zijn aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

en

3. hij in of omstreeks de periode van 1 september 1999 tot en met 12 januari 2000 te Heeze en/of te Valkenswaard en/of te 's-Hertogenbosch en/of te Geldrop en/of te Baarle Nassau en/of Culemborg en/of elders in Nederland

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie gevormd werd door een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 6] en/of [mededader 1] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5], (en/of een of meer anderen)

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen, en/of het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet (door het opzettelijk met bestemming naar het buitenland vervoeren en/of ten vervoer aanbieden), en/of het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig heben van een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal bevattende M.D.M.A, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in ieder geval een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel welk(e) is/zijn aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

a. in of omstreeks het tijdvak van 1 oktober 1999 tot en met 30 november 1999 een hoeveelheid of hoeveelheden (van tussen de 100.000 en 150.000 althans een aantal) XTC-pillen

en/of

b. in of omstreeks het tijdvak van 1 november 1999 tot en met 31 december 1999 een hoeveelheid of hoeveelheden (een sporttas) XTC-pillen

en/of

c. in of omstreeks het tijdvak van 1 december l999 tot en met 31 december 1999 een hoeveelheid of hoeveelheden (een doos) XTC-pillen,

en/of

d. op of omstreeks 6 januari 2000 een hoeveelheid of hoeveelheden (van ongeveer 7.533 gram - dat is ongeveer 20.000 stuks) XTC-pillen

en/of

het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of vervaardigen van een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in ieder geval een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel welk(e) is/zijn aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet,

i. in of omstreeks het tijdvak van 1 september 1999 tot en met 30 december 1999 te Baarle-Nassau ([adres 1]),

en/of

ii. in of omstreeks het tijdvak van 1 oktober 1999 tot en met 25 november 1999 te 's-Hertogenbosch ([adres 2]),

en/of

iii. in of omstreeks het tijdvak van 1 november 1999 tot en met 30 december 1999 te Geldrop ([adres 3]),

en/of

iv. in of omstreeks het tijdvak van 1 maart 1999 tot en met 12 januari 2000 te Geldrop ([adres 4]).

In deze weergave van de tenlastelegging zijn zowel de in eerste aanleg ter terechtzitting op 23 oktober 2000 als de ter terechtzitting in hoger beroep op 8 mei 2001 toegelaten wijzigingen begrepen.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

De raadsman heeft met overneming van hetgeen dienaangaande door Mr. Van de Kruijs, de raadsman in de gelijktijdig met de onderhavige zaak behandelde strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 3], is betoogd, aangevoerd dat de inleidende dagvaarding voor zover het de onder 1a en 1b ten laste gelegde feiten betreft, nietig behoort te worden verklaard, omdat aan de verdachte niet duidelijk is waartegen hij zich moet verdedigen.

Hetgeen door Mr. Van de Kruijs ter nadere adstructie van dit verweer in het kader van de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 3] is aangevoerd, is vermeld op pagina 22 van de door hem overgelegde pleitnota, welke aan dit arrest wordt gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

Het oordeel van het hof met betrekking tot dit verweer

Het hof verwerpt dit verweer.

Uit het onderzoek blijkt dat in deze zaak sprake is geweest van meerdere transporten van XTC-pillen met als bestemming Engeland, welke kort na elkaar hebben plaatsgehad. De verwijten die in verband met die transporten in het onder 1a en 1b ten laste gelegde aan de verdachte worden gemaakt, laten naar het oordeel van het hof aan duidelijkheid niets te wensen over.

Immers, onder 1a en onder 1b wordt aan de verdachte telkens primair (impliciet) verweten dat hij betrokken is geweest bij -kort gezegd- de daadwerkelijke uitvoer van een hoeveelheid XTC-pillen naar Engeland, terwijl aan hem onder 1a en 1b telkens subsidiair (impliciet) wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt -kort gezegd- aan de uitvoer van een hoeveelheid XTC-pillen naar Engeland, als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet.

De dagvaarding is derhalve, ook voorzover de feiten 1a en 1b betreffende, voldoende duidelijk om de verdediging in staat te stellen zich behoorlijk te verweren en het hof de mogelijkheid te bieden tot een behoorlijk onderzoek ter terechtzitting.

De dagvaarding voldoet ook overigens aan de daaraan in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Namens de verdachte is ten verweer betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn strafvervolging. Ter adstructie van dit verweer heeft de verdediging -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

De officier van justitie heeft op 17 mei 1999 beslist, dat een onderzoek zou worden ingesteld in politiebestanden en open bronnen teneinde te bezien of [medeverdachte 3] als verdachte zou kunnen worden aangemerkt. Aanleiding voor deze beslissing was, dat de politie [medeverdachte 3] voordroeg als object voor het te starten onderzoek naar een Nederlands netwerk dat XTC bereidde en/of verhandelde.

De keuze voor [medeverdachte 3] is de officier van justitie toegelicht door de analist van de politie Brabant-Noord die het criminaliteitsbeeld in Brabant-Noord bijhoudt en actualiseert.

De werkzaamheid van de politie voorafgaande aan evengenoemde beslissing van de officier van justitie van 17 mei 1999 moet -onder andere omdat deze in zijn requisitoir heeft aangegeven dat "BOB-conform" zou worden gehandeld- worden beoordeeld aan de hand van de eerst nadien in werking getreden Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden. Aldus beoordeeld behoort evenbedoelde werkzaamheid te worden aangemerkt als een verkennend onderzoek zoals thans bedoeld in artikel 126 gg van het wetboek van strafvordering.

Door aan het hof en de verdediging inzicht in dit verkennend onderzoek inzake [medeverdachte 3] te onthouden heeft het openbaar ministerie gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk procesrecht. Om die reden dient het in zijn vervolging van verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het hof overweegt als volgt.

In de door de verdediging bedoelde mededeling van het openbaar ministerie nopens "BOB-conform" optreden vindt het hof aanleiding om in het onderhavige geval de gewraakte werkzaamheid van de politie, inhoudende -kort gezegd- de misdaadanalyse die [medeverdachte 3] als potentiele verdachte tot resultaat heeft gehad, in het licht van de sedert de inwerkingtreding van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden geldende regels te beschouwen.

Het verkennend onderzoek, waarop de verdediging doelt, kenmerkt zich daardoor, dat er van een op een of meer personen herleidbaar redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit nog geen sprake is, dat er (alzo) nog geen wettelijke opsporingsbevoegdheden worden uitgeoefend en dat het strekt tot verbetering van de informatiepositie van politie en justitie ter voorbereiding van een eventueel opsporingsonderzoek.

De onderhavige misdaadanalyse kan niet worden geacht van een verkennend onderzoek deel uit te maken, nu die toch door zijn aard daaraan vooraf gaat.

Maar ook indien dat wel het geval zou zijn, zou de klacht dat rechter en verdediging inzicht in het verkennend onderzoek is onthouden geen doel treffen, omdat zij miskent dat de wet in controle door de strafrechter op een zodanig onderzoek niet voorziet. Dit laatste kan slechts op grond van algemene beginselen van een behoorlijk proces uitzondering lijden, indien zich ernstige aanwijzingen voordoen dat bij dat onderzoek onrechtmatig is gehandeld.

Met betrekking tot de "analyse-fase" is dat niet anders.

Uit verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn te dien aanzien zulke aanwijzingen niet naar voren gekomen.

De verdediging heeft onder verwijzing naar het arrest HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567, nog aangevoerd, dat hoewel het voorgaande betrekking heeft op de verdachte [medeverdachte 3] ook in deze zaak niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie niet is uitgesloten, maar dat betoog kan de verdachte niet baten, omdat het er aan voorbij ziet dat er alsdan sprake moet zijn van een buitengewone situatie, waarin op de beginselen van een behoorlijke procesorde een fundamentele inbreuk is gemaakt. Een zodanige inbreuk is bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep evenwel niet aannemelijk geworden.

Het hof verwerpt bijgevolg het verweer.

Voorts is namens de verdachte ten verweer betoogd, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn strafvervolging ter zake van het onder 1g ten laste gelegde feit.

Ter adstructie van dit verweer heeft de verdediging -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

Op 17 december 1999 is een zogenoemde inkijkoperatie uitgevoerd in het pand [adres 3] te Geldrop. Geconstateerd werd toen, dat zich in de onderzochte ruimte attributen en grondstoffen voor de vervaardiging van verboden verdovende middelen bevonden. Desalniettemin is toen niet tot inbeslagneming dan wel tot observatie in afwachting van inbeslagneming overgegaan, hetgeen in een zaak waarin "BOB-conform" opgespoord zou worden, had dienen te geschieden. De enige passende sanctie op dit verzuim is naar het oordeel van de verdediging de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie.

Het hof overweegt als volgt.

Op 17 december 1999 is geconstateerd dat de loods, gelegen aan de [adres 3] vrijwel leeg was, doch dat in een ruimte achter in de loods niet bij de wet verboden vloeistoffen stonden, onder meer grote hoeveelheden aceton en methanol. Op de eerste verdieping werden vaten en een zak korrels aangetroffen. Het vermoeden bestond, dat deze materialen bedoeld waren om een laboratorium voor de vervaardiging van synthetische drugs op te bouwen, maar zo ver was het op dat moment niet. Een plicht tot inbeslagneming als bedoeld in artikel 126 ff was derhalve niet aanwezig.

In verband met genoemd ernstig vermoeden is korte tijd nadien, te weten op 30 december 1999 opnieuw "ingekeken". Geconstateerd werd, dat een compleet laboratorium was opgesteld en er werd een grote hoeveelheid (vloei)stoffen aangetroffen. Dat heeft terecht tot de beslissing geleid om nog diezelfde nacht tot inbeslagneming en ontmanteling over te gaan.

Het hof acht, gelet op deze gang van zaken geen gronden aanwezig om wegens het achterwege blijven van in beslagneming op 17 december 1999 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De bewezenverklaring

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1h ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1a, 1b, 1c, 1d, 1e, 1f, 1g en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1.a. hij in het tijdvak van 1 oktober 1999 tot en met 30 november 1999 in Nederland tezamen en in vereniging met [mededader 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en/of een of meer ander(en), opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (te weten: naar Engeland) heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal (tussen de 100.000 en 150.000, althans een aantal XTC-pillen) bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met die anderen opzettelijk die XTC-pillen met bestemming Engeland ten vervoer aangeboden;

1.b. hij in het tijdvak van 1 november l999 tot en met 31 december 1999 in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte 6] en [mededader 1] en [medeverdachte 3] en/of een of meer ander(en), opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (te weten: naar Engeland) heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal (een sporttas XTC-pillen) bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

1.c. hij in het tijdvak van 1 december l999 tot en met 31 december 1999 in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte 6] en [mededader 1] en [medeverdachte 3] en/of een of meer ander(en), opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (te weten: naar Engeland) heeft gebracht, een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal (een doos XTC-pillen) bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

1.d. hij op 6 januari 2000 te Valkenswaard, tezamen en in vereniging met T.J.M.P. [mededader 1] opzettelijk heeft afgeleverd een hoeveelheid van een materiaal (ongeveer 7.553 gram - dat is ongeveer 20.000 stuks - XTC-pillen) bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

1.e. hij in het tijdvak van 1 september 1999 tot en met 30 december 1999 te Baarle-Nassau (in een pand aan de [adres 1]), tezamen en in vereniging met [mededader 1] en [medeverdachte 8] en/of een of meer ander(en), opzettelijk heeft bereid hoeveelheden van een materiaal bevattende M.D.M.A., zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

1.f. hij in het tijdvak van 1 oktober 1999 tot en met 25 november 1999 te 's-Hertogenbosch (in een pand aan de [adres 2]), tezamen en in vereniging met [mededader 1] en [medeverdachte 3] en/of een of meer ander(en), opzettelijk heeft bereid een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal bevattende M.D.M.A., zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

1.g. hij in het tijdvak van l november 1999 tot en met 30 december 1999 te Geldrop (in een pand aan de [adres 3]), tezamen en in vereniging met [mededader 1], opzettelijk heeft bereid een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal bevattende M.D.M.A., zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3. hij in de periode van 1 september 1999 tot en met 12 januari 2000 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie gevormd werd door een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en [medeverdachte 11] en [medeverdachte 6] en [mededader 1] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden van een materiaal bevattende M.D.M.A, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten:

b. in het tijdvak van 1 november 1999 tot en met 31 december 1999 een hoeveelheid of hoeveelheden (een sporttas) XTC-pillen en

c. in het tijdvak van 1 december l999 tot en met 31 december 1999 een hoeveelheid of hoeveelheden (een doos) XTC-pillen,

- en het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet (door het opzettelijk met bestemming naar het buitenland vervoeren en/of ten vervoer aanbieden) van een hoeveelheid van een materiaal bevattende M.D.M.A, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten:

a. in het tijdvak van 1 oktober 1999 tot en met 30 november 1999 een hoeveelheid (van tussen de 100.000 en 150.000 althans een aantal) XTC-pillen

- en het opzettelijk afleveren van een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal bevattende M.D.M.A, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten:

d. op 6 januari 2000 een hoeveelheid of hoeveelheden (van ongeveer 7.533 gram - dat is ongeveer 20.000 stuks) XTC-pillen,

en

het opzettelijk bereiden van hoeveelheden van een materiaal bevattende M.D.M.A, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

i. in het tijdvak van 1 september 1999 tot en met 30 december 1999 te Baarle-Nassau ([adres 1]),

en

ii. in het tijdvak van 1 oktober 1999 tot en met 25 november 1999 te 's-Hertogenbosch ([adres 2]),

en

iii. in het tijdvak van 1 november 1999 tot en met 30 december 1999 te Geldrop ([adres 3]),

en

iv. in of omstreeks het tijdvak van 1 september 1999 tot en met 12 januari 2000 te Geldrop ([aders 4]).

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1a, 1b, 1c, 1d, 1e, 1f, 1g en 3 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen staan vermeld in de aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering; deze aanvulling is aan dit arrest gehecht.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Namens de verdachte is op de gronden als weergegeven onder "De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie" ten verweer betoogd, dat de werkzaamheid van de politie met betrekking tot [medeverdachte 3] in de periode tot aan 17 mei 1999 moet worden aangemerkt als een verkennend onderzoek als bedoeld in artikel 126 gg van het wetboek van strafvordering.

Aangezien -zakelijk weergegeven- niet duidelijk is geworden of er voor het instellen van een zodanig onderzoek voldoende aanwijzingen als bedoeld in evengemeld artikel bestonden en van dat onderzoek geen althans onvoldoende verslaglegging heeft plaatsgevonden heeft dat plaatsgehad in strijd met de wet c.q. het recht en dienen de daaruit voortvloeiende onderzoeksresultaten als onrechtmatig verkregen te worden beschouwd.

Om die reden moet verdachte van de gehele tenlastelegging worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dat het betoog faalt aangezien de onderhavige misdaadanalyse -het hof verwijst naar hetgeen het hierboven onder De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft overwogen- niet kan worden geacht deel uit te maken van een verkennend onderzoek.

Het verweer wordt verworpen.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het onder 1a bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid, onder A, junctis artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.

Het onder 1b en 1c bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.

Het onder 1d, 1e, 1f en 1g bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid van de Opiumwet.

Het onder 3 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet telkens worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

-de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

-de omstandigheid dat de verdachte deel heeft uitgemaakt van een professioneel opgezette criminele organisatie die op intensieve wijze heeft beziggehouden met de productie van en handel in -kort gezegd- XTC;

-de omstandigheid dat het hierbij gaat om zeer grote hoeveelheden (meerdere kilo's) XTC;

-de omstandigheid dat de verdachte eerder ter zake van overtredingen van de Opiumwet is veroordeeld.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 27, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 2 en 10 van de Opiumwet.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1h ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1a, 1b, 1c, 1d, 1e, 1f, 1g en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1a, 1b, 1c, 1d, 1e, 1f, 1g en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1a, 1b, 1c, 1d, 1e, 1f, 1g en 3 bewezen verklaarde oplevert:

1a, 1b en 1c telkens: "Medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod";

1d, 1e, 1f en 1g telkens: "Medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod";

3: "Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaar en zes maanden.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door Mr. Huurman-van Asten, als voorzitter

Mrs. Bergkotte en Venhuizen, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mw. Busser-Roelofse, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 mei 2001.