Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AE9797

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-10-2001
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
R200100499
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing in verband met belastingschulen die niet te goeder trouw zijn. Hof is wel van oordeel dat aan de verzoeker concreet moet worden aangegeven op welke termijn hij met succes een nieuw verzoek kan indienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te 's-Hertogenbosch

Arrest

in de zaak in hoger beroep van:

X.,

Wonende te P.,

Appellant,

nader te noemen: X.,

procureur mr. R.C.M. Rijk

1. het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naat het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 30 juli 2001, waarvan de inhoud bij X. bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen op 7 augustus 2001, heeft X. verzocht de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 30 juli 2001 onder nummer 68077 FT RK 01.788 te vernietigen en opnieuw rechtdoende voor hem alsnog de wettelijke schuldsanering van toepassing te verklaren en de zaak te verwijzen naar de rechtbank te 's-Hertogenbosch om te worden vootgezet met inachtneming van de overweging in het door het hof te wijzen arrest.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2001. Bij die gelegenheid zijn gehoord X., bijgestaan door zijn advocaat. Voorts is gehoord de curator.

2.3. Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van:

de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 30 juli 2001;

de brief van de procureur van X. d.d. 9 augustus 2001;

de brief d.d. 4 september 2001 van de curator, met bijlagen;

de brief d.d. 19 september 2001 van de curator, met bijlagen.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hiervoor naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Bij verzoekschrift d.d. 2 juli 2001 heeft X. de rechtbank verzocht zijn op 1 maart uitgesproken faillissement te beëindigen en de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren.

Bij vonnis d.d. 30 juli 2001 heeft de rechtbank het verzoek van X. afgewezen. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat vaststaat dat de belastingschulden van X. niet te goeder trouw zijn gemaakt.

Meer specifiek heeft de rechtbank overwogen dat uit de rapportage van de belastingdienst Ondernemingen Eindhoven van 23 juni 1999 blijkt dat de belastingdienst aan X. een reeks van aanslagen heeft opgelegd in de periode van 27 april 1995 tot 13 juli 1998 tot een bedrag van f705.744,- als gevolg van correctieaanslagen omzetbelasting, loonbelasting/ premie volksverzekering en inkomstenbelasting/ premie volksverzekering wegens verzwegen omzetten en "zwart" personeel. Door X. is ook ter zitting van de rechtbank beaamd, dat bedoelde schulden niet te goeder trouw zijn gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank is het tijdsverloop tussen de door X. gemaakte schulden en de indiening van het verzoekschrift nog te kort om, gezien de aard en de hoogte van die belastingschulden, X. de mogelijkheid te bieden om weer met een schone lei te kunnen beginnen. De rechtbank acht dat de aanmerkelijke periode die noodzakelijk is om aan te tonen dat hij zich de belangen van de crediteuren aantrekt thans nog niet is verstreken. X is in hoger beroep gekomen tegen dit vonnis van de rechtbank.

4.2. X. heeft een schuld aan de belastingdienst van f704.744,-. In dat verband is X strafrechtelijk veroordeeld en dient hij een werkstraf uit. Vaststaat dat deze belastingschuld geheel althans voor een aanmerkelijk deel niet te goeder trouw is ontstaan. Voormelde schuld is in ieder geval méér dan drie jaren oud.

Het faillissement van X. werd op 1 maart 2000 uitgesproken.

Ingevolge artikel 288 lid 1 onder b FW wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsanering afgewezen indien er gegronde vrees bestaat dat de schuldenaar tijdens de toepssing van de schildsanering zal trachten zijn schuldeisers te benadelen of zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.

4.3. X. heeft zich een inkomen uit arbeid verworven en lost met regelmaat een bedrag van f750,- per maand af aan de curator. Hij houdt zich strikt aan de instructies en aanwijzingen van de curator. Naar de mening van X. trekt hij zich van velangen van zijn crediteuren aan en dient hij derhalve in aanmerking te komen voor toepassing van schuldsaneringsregeling. In dit standpunt wordt X. gesteund door de curator.

Daar naar het oordeel van het hof bij de mondelinge behandeling in hoger beroep onvoldoende informatie voorhanden was omtrent het gedrag van X. en zijn financiële situatie, heeft het hof de advocaat van de man verzocht recente informatie te verschaffen, bij voorkeur in de vorm van een reclasseringsrapport dat in verband met de strafzaak is opgemaakt. Voorts heeft het hof de curator verzocht een opgave van de belastingdienst te overleggen omtrent de juiste omvang van de belastingschuld (exclusief verhogingen en boetes of ambtshalve aanslagen).

4.4. Bij brieven d.d. 4 september 2001 en 19 september 2001 heeft de curator nadere informatie aan het hof verschaft. Uit de overgelegde stukken is echter geen informatie naar voren gekomen, die vergeleken met op 31 augustus 2001 aanwezige informatie nieuw licht werpt op de zaak.

4.5. Naar het oordeel van het hof dient in het belang van de justitieabele wel door de rechtbank c.q. het hof aangegeven te worden op welk termijn aan de betrokkene de mogelijkheid wordt gegeven om weer met een schone lei te beginnen. In dit gevan acht het hof het verantwoord dat X. op 1 maart 2002 een hetnieuw verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling bij de rechtbank indient. Ervan uitgaande dat bedoelde schuldsaneringsregeling een looptijd heeft van tenminste drie jaar zal X. zich gedurende 5 jaar (het faillissement dateert van 1 maart 2000) de balangen van zijn schuldeisers maximaal hebben aangetrokken. Het hof overweegt daarbij in dit geval uitdrukkelijk dat X. inkomen uit arbeid heeft verworven en een aanmerkelijke bijdrage betaalt ter aflossing van zijn schuldenlast.

4.6. Gezien dhet bovenstaande is het hof overigens van oordeel dat de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling terecht heeft afgewezen. Het vonnis van de rechtbank d.d. 30 juli 2001 zal dan ook in zoverre worden bekrachtigd.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 30 juli 2001 waarvan beroep, met aanvulling van de gronden.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Teeffelen, Vlaardingerbroek en Van der Velden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 31 oktober 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.