Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AE9795

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-06-2001
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
R200100325
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nieuwe schulden als gevolg van zelfstandig budgetbeheer vormen geen beëindigingsgrond. Eerst moet mogelijkheid budgetbeheer worden onderzocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch

Arrest

in de zaak in hoger beroep van:

X.,

Wonende te P.,

Appellant,

Hierna te noemen: X.,

Procureur mr. J.E. Lenglet.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank te Breda van 8 mei 2001, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 15 mei 2001, heeft X. verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling uitgesproken bij vonnis van voormelde rechtbank van 11 april 2000, van kracht blijft met alle gevolgen van dien.

2.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 mei 2001. Bij die gelegenheid zijn gehoord de advocaat van X., de heer Verkade, de maatschappelijk werker die X. begeleidt en de heer Servais namens de bewindvoerder.

2.3 Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

het proces- verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 8 mei 2001;

een verslag van de bewindvoerder van 29 mei 2001;

een brief met bijlagen van de procureur van X van 29 mei 2001;

de door de advocaat van X. tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde notitie met daaraan gehechte producties, tevens toegezonden per telefax op 30 mei 2001.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1 Bij vonnis van voormelde rechtbank van 11 april 2000 werd de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Naar aanleiding van een daartoe door de bewindvoerder gedaan verzoek, is bij de bestreden beschikking de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd met benoeming van de rechter-commissaris en een curator in het faillissement van X. Daartegen komt X. op.

4.2 De bewindvoeder heeft in zijn verslag aan het hof geschreven dat per 11 april 2000 alle beslagen op het inkomen van X. zijn opgeheven, dat X toen op de hoogte is gesteld van zijn verplichtingen, waarbij met name is gewezen op de verplichtingen tot betaling van de alimentatie aan het LBIO en dat bij de vaststelling van het vrij te laten komen rekening is gehouden met de alimentatieverplichting van X. en met zijn overige lasten, zodat hij voldoende financiële ruimte had om zijn verplichtingen na te komen. Niettemin heeft X. nieuwe schulden laten ontstaan aan het ziekenfonds en aan het LBIO en heeft hij een achterstand laten ontstaan in zijn verplichtingen tot afdracht aan de boedel van zijn inkomsten boven het vrij te laten deel. Om die redenen heeft de rechtbank de schuldsaneringsregeling ten aanzien van X. beëindigd.

4.3 Niet in te zien valt in welk opzicht thans rekening zou moeten worden gehouden met de omstandigheid dat de schuld van X. aan het Ministerie van Defensie niet door hem is veroorzaakt. De eerste grief faalt dus.

4.4 Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door de advocaat en de maatschappelijk werker van X. betoogd dat de nieuwe schulden zijn ontstaan als gevolg van een te krappe berekening van het vrij te laten deel van de inkomsten van X. en voorts dat X. om redenen die in zijn persoonlijkheidsstructuur liggen niet in staat kan worden geacht zelfstandig een budget te beheren. Ter onderbouwing van die laatste stelling heeft de advocaat een brief van de psychiater H. Wanmaker, verbonden aan het psychiatrisch ziekenhuis Vredenrust te Halsteren van 2 juli 1998 en een brief van de huisarts van X. van 30 mei 2001 in het geding gebracht. Op grond van de inhoud van met name die eerste brief acht het hof bedoelde stelling aannemelijk.

4.5 X. is volledig arbeidsongeschikt. In zich bij de stukken bevindende, aan X. gerichte, correspondentie van de bewindvoeder en de curator is hij onder meer gewezen op de op hem rustende inspanningsverplichtingen naar betaalde arbeid te zoeken in welk verband hij maandelijks vier sollicitaties dient te verrichten. Desgevraagd hebben de advocaat en de vervanger van de bewindvoerder verklaard dat deze eis voortvloeit uit door de rechtbank gehanteerd algemeen beleid. Deze eis -waaraan X. niet heeft voldaan - kan naar het oordeel van het hof in zijn algemeenheid niet worden gesteld aan een gerechtigde op een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering. Er zijn geen omstandigheden op grond waarvan in het geval van X. dit uitgangspunt zou moeten of kunnen worden verlaten. X. kan niet tot het verrichten van betaalde arbeid in staat worden geacht.

4.6 Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat X. eigenlijk uitsluitend gebaat zou zijn met budgetbeheer en dat de mogelijkheid daartoe bestaat door tussenkomst van de Gemeentelijke Kredietbank te Roosendaal. Naar het oordeel van het hof in de omstandigheden waarin X. verkeert niet worden aangenomen dat hij toerekenbaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten. Ook de aard en de omvang van de nieuwe schulden zijn naar het oordeel van het hof niet zodanig, dat de rechtbank daarin reeds thans aanleiding had moeten vinden de schuldsaneringsregeling te beëindigen. Het hof acht hierbij van betekenis, dat X. geen nieuwe schulden heeft laten ontstaan als resultaat van consumptieve aanschaffingen. Naar het oordeel van het hof had - alvorens eventueel tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling over moeten te gaan - moeten worden onderzocht of de mogelijkheid van budgetbeheer, waarbij alle financiële verplichtingen voor X. worden voldaan en hem zelf slechts een beperkt budget voor persoonlijke uitgave ter beschikking wordt gesteld, realiseerbaar is en of er aanleiding bestaat het aan X. te laten deel van zijn inkomsten op hoger beroep vast te stellen. Een en ander dient thans alsnog te geschieden.

4.7 Op grond van het vorenstaande wordt de bestreden beschikking vernietigd en het inleidend verzoek van de bewindvoerder alsnog afgewezen.

5. De uitspraak

het hof

vernietigd het op 8 mei 2001 door de rechtbank te Breda gewezen vonnis,

wijst alsnog af het dit geding inleidende verzoek.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Teeffelen, Lamers en Draijer- Udo en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 6 juni 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.