Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AE9773

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-02-2001
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
R20010024 en R20010025
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemachtigde die geen advocaat of procureur is mag in hoger beroep het woord voren.

Afwijzing verzoek echtgenoot leidt tot afwijzing verzoek echtgenote in verband met huwelijk in gemeenschap van goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch

Arrest gewezen inzake

De man,

Wonende te P.,

Appellant,

Procureur mr. P.A. Goossens

en in zaak in hoger beroep met rekestnummer R200100024 van:

de vrouw

wonende te P.,

appellante,

Procureur mr. P.A. Goossens.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar vonnissen van de rechtbank te ‘s- Hertogenbosch van 8 januari 2001, waarvan de inhoud bij de man en de vrouw bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschriften, ingekomen ter griffie op 15 januari 2001 hebben de man en de vrouw die met elkaar in algemene gemeenschap van goederen zijn gehuwd het hof verzocht hen alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

2.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 januari 2001. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man en de vrouw bijgestaan door mr. ing. J.P. Bos.

2.3 Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschriften;

3. De gronden van het hoger beroep

De grief heeft betrekking op de afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling met toepassing van artikel 288 lid 2 sub b faillissementswet.

4. De beoordeling

4.1 Bij vonnis van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch d.d. 8 januari 2001 heeft de rechtbank de verzoeken van de man en de vrouw tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat de gegronde vrees bestaat dat de man tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen of zijn uit de schuldsaneringsregelingvoortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat ingevolge artikel 313 FW artikel 63 FW van overeenkomstige toepassing is, hetgeen met zich meebrengt dat nu de man en de vrouw in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, de afwijzing van het verzoek van de man tevens tot gevolg heeft dat ook het verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen.

4.2 De man en de vrouw zijn ieder afzonderlijk in hoger beroep gekomen tegen deze beslissing van de rechtbank. De behandeling van beide zaken heeft, gezien de samenhang van de beide zaken, gevoegd plaatsgevonden.

4.3 Het hoger beroep als in art. 292 FW is tijdig en de juiste wijze ingesteld. Ter zitting is de vraag gerezen of mr. ing. Bos, die geen advocaat of procureur is, als gemachtigd van beide echtlieden het woord mag voeren. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend, daar ervan dient uitgegaan geworden dat art.6 FW, dat de mogelijk opent dat de schuldenaar en zijn echtgenoot bij gemachtigde door de rechtbank worden gehoord - welke bepaling in hoger beroep mede van toepassing is blijkens art. 9 FW - ook toepasselijk is op de behandeling van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Zulks ligt temeer voor de hand, nu art 313 FW niet verwijst naar processuele bepalingen met betrekking tot de faillietverklaring en in art. 3,3a en 3b FW ook regelingen tot de schuldsanering zijn opgenomen.

4.4 Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben man en de vrouw gesteld dat er geen sprake van is dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder zijn geweest. Zij hebben bij de mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat er schulden tot een totaal bedrag van meer dan fl.100.000,-- zij ontstaan wegens verschillende tegenslagen tijdens de uitoefening van hun bedrijf in samenhang met gezondheidsproblemen van de man. De vrouw heeft gesteld dat zij tijdens de procedure in eerste aanleg mede namens de man uitvoerig alle mogelijke informatie verstrekt ten aanzien van het ontstaan van de schulden en het onbetaald blijven daarvan.

4.5 De man is in de tweede helft van 2000 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar wegens deelname aan een criminele organisatie.

Volgens de man en de vrouw staan de schulden en het strafbare feit waarvoor de man is veroordeeld in geen enkele relatie tot elkaar. De man is van deze beoordeling in hoger beroep gegaan. Het hoger beroep in deze strafzaak dient in mei 2001. Mr. ing. Bos heeft gesteld dat, mocht naderhand toch kwade trouw aan het licht komen de schuldsaneringsregeling alsnog stopgezet te kunnen worden.

4.6 Het hof is van oordeel dat uit hetgeen ter terechtzitting is besproken, onvoldoende informatie naar voren is gekomen met betrekking tot de strafzaak in de relatie tot het te goeder trouw zijn ten aanzien van het ontstaan en het betaald laten van de schulden. Voorts is aannemelijk dat de man, gezien de detentie van zes jaar, niet in staat kan worden geacht om de eerste jaren enige inkomsten te verwerven. In het licht van het bovenstaande en gezien het ernstige strafbare feit waarvoor de man is veroordeeld, bestaat er gegronde vrees dat de man tijdens de toepassing van de schuldsanering zijn schuldeisers zal trachten te benadelen of de uit de schuldsanering voortvloeiende betalingsverplichting niet naar behoren zal komen.

4.7 Gezien het bovenstaande zal het hof op grond van artikel 288 lid 1 sub b FW het verzoek van de man afwijzen.

Aangezien de man en de vrouw met elkaar in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, betekent de afwijzing van het verzoek van de man ingevolge artikel 313 juncto artikel 63 FW tevens dat het verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen.

4.8 In het geval dat de uitspraak in de strafzaak in hoger beroep daartoe aanleiding geeft staat het de man en de vrouw vrij om opnieuw een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank in te dienen.

5 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch van 8 januari 2001.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Teeffelen, Van Etten en Luijten-Meijer uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 2 februari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.