Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AE5190

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-12-2001
Datum publicatie
11-07-2002
Zaaknummer
98/05276
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/54.1.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/05276

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1994 t/m 31 december 1997 een naheffingsaaslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van fl. 3.840,--, zonder boete (nr. A) (hierna: de naheffingsaanslag). Bij de naheffingsaanslag is belanghebbende fl. 232,-- heffingsrente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de heffingsrente een bezwaarschrift ingediend. Bij de bestreden uitspraak heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de beschikking inzake de heffingsrente gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van voormelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrfit bestreden.

1.3. De eerste mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 30 juni 2000 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en de Inspecteur. Buiten bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende bij de eerste mondelinge behandeling drie stukken overgelegd.

1.4. Vóór de eerste mondelinge behandeling, op 5 juni 2000 is bij het Hof binnengekomen een brief d.d. 30 mei 2000 van belanghebbende, vergezeld van twee ongenummerde bijlagen alsmede van een aantal bijlagen, door belanghebbende genummerd van 1 t/m 78. Na de eerste mondelinge behandeling, op 23 augustus 2000, is bij het Hof binnengekomen een brief van belanghebbende d.d. 21 augustus 2000, vergezeld van een aantal stukken, door belanghebbende genummerd van 1 t/m 12. Van alle op 5 juni 2000 en 23 augustus 2000 ingekomen stukken heeft het Hof na voormelde eerste mondelinge behandeling kopie verstrekt aan de Inspecteur.

1.5. Daarna heeft de tweede mondelinge behandeling van het beroep plaatsgevonden ter zitting van 11 december 2001 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en de Inspecteur.

Met goedvinden van de Inspecteur merkt het Hof voormelde, op 5 juni 2000 en 23 augustus 2000 bij het Hof ingekomen stukken aan als ter zitting van 11 december 2001 te zijn overgelegd.

Voor zover nodig merkt het Hof bedoelde stukken aan als pleitnota waarvan de inhoud ter zitting van 11 december 2001 is voorgedragen en waarvan de inhoud als hier ingelast wordt aangemerkt.

1.6. Ter zitting van 11 december 2001 heeft belanghebbende nog een aanvullende pleitnota in het geding gebracht en exemplaren daarvan overgelegd aan de wederpartij en aan het Hof. De inhoud van die pleitnota wordt aangemerkt als ter zitting te zijn voorgedragen. De inhoud van die pleitnota wordt als hier ingelast aangemerkt.

1.7. Ter zitting van 11 december 2001 heeft eveneens plaatsgevonden

de (derde) mondelinge behandeling van het beroep van belanghebbende betreffende de hem over het tijdvak van 1 januari 1985 t/m 31 december 1988 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting (nr. A, hofkenmerk 95/03084). Het Hof rekent ambtshalve een kopie van een stuk in die procedure tot de stukken van het onderhavige geding. Dat stuk betreft een brief d.d. 1 november 1999 van de Inspecteur aan het Hof, ter griffie binnengekomen daags daarna.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende dreef gedurende (ondermeer) het tijdvak van naheffing een boekhoud- en administratiekantoor. Als zodanig genoot hij winst uit onderneming, zowel voor de heffing van de inkomstenbelasting als voor de heffing van de omzetbelasting. Belanghebbende bezat een personenauto welke tot zijn privé-vermogen behoorde. Van die personenauto werd ook voor zakelijke doeleinden gebruik gemaakt.

2.2. In verband met autokosten nam belanghebbende, als voor de omzetbelasting aftrekbaar geoordeelde voorbelasting, 17,5% van een door hem in het verleden als autokosten verdisconteerd bedrag in aanmerking. Ter zake van die bevinding, tijdens een bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek d.d. 22 april 1998 (betreffende de aanvaardbaarheid van (ondermeer) de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1994 t/m 31 december 1997), werd de naheffingsaanslag opgelegd. Facturen met betrekking tot die aftrekbaar geoordeelde voorbelasting zijn niet (meer) voorhanden.

2.3. Eerder, naar aanleiding van de bevindingen van een in 1990 bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek betreffende de aanvaardbaarheid van (ondermeer) de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1985 t/m 31 december 1988, werden de door belanghebbende voor de vaststelling van de winst uit onderneming berekende autokosten voor de jaren 1985, 1986, 1987 en 1988 verminderd met respectievelijk fl. 2.000,--, fl. 3.000,--,

fl. 3.000,-- en fl. 3.000,--.

2.4. Naast de in 2.3 vermelde correcties heeft de Inspecteur, wat de jaren 1985 t/m 1988 betreft, "als voorbelasting in aftrek laten komen de forfaitaire aftrekregeling (artikel 16 Beschikking OB) van 12,5% respectievelijk 13,5%", aldus de in 1.7 vermelde brief d.d. 1 november 1999.

2.5. Bij de naheffingsaanslag is fl. 3.840,-- aan omzetbelasting, zonder boete nageheven. Tevens is belanghebbende bij de naheffingsaanslag fl. 232,-- heffingsrente in rekening gebracht.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of de Inspecteur terecht de onderhavige naheffingsaanslag heeft opgelegd. Tevens is in geschil of de Inspecteur terecht heffingsrente in rekening heeft gebracht. Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend. De Inspecteur beantwoordt beide vragen bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, vermeld in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting zijn daargaan geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak alsmede, naar het Hof begrijpt, primair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot (fl. 3.840,-- - fl. 520,-- =)

fl. 3.320,-- en vermindering van de heffingsrente tot nihil en subsidiair tot handhaving van de naheffingsaanslag en vermindering van de heffingsrente tot nihil. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Ter zitting van 11 december 2001 is komen vast te staan dat, wat de naheffingsaanslag zelf betreft, belanghebbendes enige grief is dat "belanghebbende over de jaren 1994 tot en met 1997 volstrekt heeft gedaan wat de controleur over 1985 t/m 1988 heeft goedgekeurd". De Inspecteur heeft ter zitting van 11 december 2001 met nadruk betwist dat belanghebbende heeft gehandeld overeenkomstig een door bedoelde controleur goedgekeurde gedragslijn. In dat verband heeft de Inspecteur aangevoerd dat het door belanghebbende met betrekking tot het tijdvak van naheffing als autokosten in aanmerking genomen bedrag niet berust op enige vastlegging.

4.2. Het is het Hof niet gebleken dat de naheffingsaanslag op zichzelf onjuist is.

4.3. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft tegenover de betwisting daarvan door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft gehandeld overeenkomstig een door bedoelde controleur goedgekeurde gedragslijn. In dit verband merkt het Hof op dat belanghebbende niets in het geding heeft gebracht omtrent een vastlegging van autokosten, betrekking hebbende op het tijdvak van naheffing.

4.4. Ook anderszins zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld of aannemelijk geworden waaruit voortvloeit dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, door de naheffingsaanslag op te leggen.

4.5. Tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft belanghebbende geen zelfstandige grieven geformuleerd. Het is het Hof niet gebleken dat de beschikking inzake de heffingsrente onjuist is.

4.6. Gelet op het vorenstaande is de bestreden uitspraak juist. Het beroep van belanghebbende is ongegrond

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.

Aldus vastgesteld op 17 december 2001 door G.J. van Muijen, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 17 december 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van dit beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien de belanghebbende na een mondelinge uitspraak griffierecht heeft betaald ter verkrijging van een vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit griffierecht in mindering op het door de belanghebbende voor het indienen van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht.

In het beroepschrift in cassatie kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.