Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AE2217

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-07-2001
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
R200100380
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afstand van recht op legitieme portie voorafgaand aan schuldsaneringsregeling geen voldoende grond voor tussentijdse beëindiging. Onvoldoende solliciteren wel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

X.,

Wonende te P.,

Appellant,

Hierna te noemen: X.,

Procureur mr. R.G. Roeffen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, op 29 mei 2001 gewezen onder nummer 99- 260 R, waarvan de inhoud bekend is bij appellant.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 6 juni 2001, heeft X. -zakelijk weergegeven - verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te beslissen, dat alsnog de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden voortgezet.

2.2 Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van:

de producties overgelegd bij het beroepschrift;

de brief met bijlagen van de procureur van X. d.d. 20 juni 2001;

de brief met bijlagen d.d. 3 juli 2001 van mr. Weehuizen, de bewindvoerder;

de brief met bijlagen van de procureur van X. d.d. 6 juli 2001;

de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juli 2001 en bij die gelegenheid zijn X. en zijn raadsman gehoord, alsmede voornoemde bewindvoerder.

3. De gronden van het hoger beroep

X. stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de beëindiging heeft uitgesproken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Zo heeft de nalatenschap van wijlen zijn vader geen invloed op de van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling, omdat hij afstand heeft gedaan van zijn aanspraken daarop. Voorts heeft hij wel pogingen ondernomen om inkomen te verwerven.

4. De beoordeling

Vaststaande feiten

4.1 Bij vonnis van 20 september 1999 werd ten aanzien van X. de voorlopige toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met onder meer de benoeming van mr. J. W. Weehuizen tot bewindvoerder.

4.1.1. Bij daaropvolgende beslissingen van 19 oktober 1999 werd de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van X. uitgesproken.

4.2 Op een daartoe strekkende voordracht van de rechter- commissaris heeft voornoemde rechtbank bij vonnis van 29 mei 2001 de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd. Tegen die uitspraak is X. opgekomen.

4.3 Met betrekking tot de nalatenschap van de vader van X. overweegt het hof het volgende.

4.3.1 X. heeft aangevoerd dat alle kinderen X. waaronder appellant, reeds voor het overlijden van de vader te kennen hebben gegeven dat door ieder van hen afstand zou worden gedaan van hun aanspraken op de nalatenschap van de vader. Door het overlijden van de vader op 23 mei 1999 is zijn nalatenschap opengevallen. Gebleken is dat de vader op 19 april 1995 bij zijn openbaar testament zijn echtgenote heeft benoemd tot zijn enige erfgename.

4.3.2 Voor zover X. bij leven van zijn vader afstand zou hebben gedaan van zijn potentiële aanspraken op de toekomstige nalatenschap van zijn vader, is deze afstand nietig en derhalve zonder juridisch effect.

Na het overlijden van de vader heeft X. derhalve de mogelijkheid gehad aanspraak te maken op zijn legitieme portie in de nalatenschap van zijn vader. Op 26 mei 1999 heeft B echter een verklaring afgelegd, waarin hij afstand heeft gedaan van zijn rechten op zijn legitieme portie. Deze schriftelijke afstandsverklaring bevindt zich bij de stukken.

4.3.3 Op grond van eerder genoemd testament en evengenoemde schriftelijke verklaring van 26 mei 1999 is B geen erfgenaam in de nalatenschap van zijn vader.

4.3.4 Voor zover de bewindvoerder van mening is dat X., gezien het gegeven dat hij ten tijde van het overlijden van zijn vader reeds vele schulden had die hij niet kon betalen, door deze onverplichte afstand van zijn rechten als legitimaris zijn schuldeisers heeft benadeeld, had de bewindvoerder de vernietigbaarheid van deze rechtshandeling dienen in te roepen nadat de schuldsaneringsregeling op X. van toepassing was geworden, hetgeen dat door hem niet is gedaan.

4.3.5 Nu vast staat dat bedoelde afstandsverklaring door X. is afgezegd voordat op hem de schuldsaneringsregeling van toepassing werd, kan de afstand van zijn rechten als legitimaris niet als de beëindiginggrond van art. 350 lid 3 sub d Faillissementswet, dat de schuldenaar tracht zijn schuldeisers te benadelen, gelden. De rechtbank heeft op die grond derhalve ten onrechte betrokken in het vonnis waarvan beroep. In zoverre slaagt de grief van X.

4.4 Met betrekking tot de inspanningsverplichting (en ) van X. in het kader van de toepasselijke schuldsaneringsregeling overweegt het hof het volgende. X. voert aan dat hij - anders dan de rechtbank en/ of de bewindvoerder stelt - geen wettelijke verplichtingen heeft om al het nodige te doen een betaalde baan met een zo hoog mogelijk inkomen te verwerven, zodat dit argument niet kan leiden tot de door de rechtbank gegeven beslissing, waarvan beroep.

4.4.1 Vast is komen te staan, dat X. vanaf het moment dat de (voorlopige ) toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken, te weten: 20 september 1999, niet deelneemt aan het arbeidsproces en hij ter bestrijding van de noodzakelijke kosten van zijn bestaan is aangewezen op een bijstandsuitkering.

4.4.2 Uit de inhoud van de door de bewindvoerder bij brief van 3 juli 2001 overgelegde bescheiden, meer in het bijzonder de processen- verbaal van de behandeling van deze zaak bij voornoemde rechtbank d.d. 29 september 2000 respectievelijk d.d. 29 maart 2001, is gebleken dat X. desgevraagd zelf heeft verklaard, dat hij "morgen een baan kan hebben tegen een inkomen van fl.2000,-- of fl.3000,-- per maand" en voorts dat hij de bewindvoerder geen enkele informatie heeft verschaft met betrekking tot de stand van zaken betreffende de mogelijk overname van een bedrijf in Zwitserland.

Ook ter zitting in hoger beroep heeft X. nagelaten het hof middels verificatoire bescheiden tijdig inlichtingen te schaffen ten aanzien van de zojuist genoemde overname van het Zwitsers bedrijf en voorts heeft hij zijn stelling herhaald dat hij ieder moment een baan kan hebben met een inkomen van fl.2000,-- tot fl.3000,-- per maand.

Van de door hem bij beroepschrift aangekondigde sollicitatiepoging heeft X. evenmin bescheiden overgelegd ter staving van zijn stellingen, terwijl ook overigens niet anders van deze pogingen is gebleken dan door mededelingen van X. ter zitting.

De enkele omstandigheid dat X. ter zitting van het hof heeft medegedeeld dat hij gesprekken heeft gevoerd in het kader van het aanvaarden van een dienstbetrekking acht het hof onvoldoende om zijn sollicitatie activiteiten te staven, temeer daar hij sinds februari 2001 weer dat de overname van de door hem genoemde Zwitserse bedrijf illusoir is.

4.4.3 Uit de parlementaire behandeling van de WSNP kan worden opgemaakt dat: "als hoofdregel van het wetsontwerp geldt het in het leven roepen van een regeling waarmee kan worden tegengegaan dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen tot in de lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat bevrediging van schuldeisers geen voorwaarde kan zijn voor het bieden van uitzicht aan natuurlijke personen om als het ware weer met een schone lei verder te kunnen gaan. Daar moet echter tegenoverstaan dat van de schuldenaar een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning moeten worden gevergd om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers".

4.4.4 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof tot de slotsom, dat B niet heeft voldaan aan de zojuist aangehaalde uitgangspunten van de WSNP en dat hij derhalve overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen heeft gehandeld. Dat betekend dat dit onderdeel van het door X. ingesteld hoger beroep geen doel treft.

4.5 Het hof is op grond van al hetgeen is overwogen van oordeel, dat het bestreden vonnis dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden.

5. De uitspraak

Het hof

bekrachtigd het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, op 29 mei 2001 gegeven onder nummer 99- 260 R, met verbetering van gronden.

Dit arrestis gewezen door mrs. Van Teeffelen, Draijer- Udo en Luijten- Meijer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 juli 2001, in tegenwoordigheid van de griffier.