Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AD9978

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-11-2001
Datum publicatie
08-03-2002
Zaaknummer
20.000541.01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 285a
Wetboek van Strafrecht 46a
Wetboek van Strafrecht 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2002/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.000541.01

uitspraakdatum : 29 november 2001

tegenspraak;

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda van 15 februari 2001 in de strafzaak onder parketnummer 4202/99 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Schie" te Rotterdam.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk beperkt tot de beslissingen met betrekking tot hetgeen aan de verdachte onder 1 en onder 2 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 30 september 1997, althans in een periode rond 30 september 1997, te Amsterdam en/of Zaandam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachten], althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd;

verdachte heeft tezamen en in vereniging met (één of meer van die) genoemde personen op of omstreeks 30 september 1997, althans in een periode rond 30 september 1997, te Amsterdam en/of Zaandam, althans in Nederland, die moord beraamd;

verdachte heeft tezamen en in vereniging met (één of meer van die) genoemde personen op of omstreeks 30 september 1997, althans in een periode rond 30 september 1997, te Amsterdam en/of Zaandam, althans in Nederland, afspraken gemaakt met betrekking tot de werkwijze en/of rolverdeling met betrekking tot dat misdrijf en aan die afspraken uitvoering gegeven;

verdachte en/of één van zijn mededaders heeft/hebben op of omstreeks 30 september 1997 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit met een vuurwapen, althans een schietwapen, twaalf, althans één of meer kogel(s) op die [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

2. hij op of omstreeks 2 oktober 1999 te Amsterdam, althans in Nederland, heeft gepoogd om [uitgelokte] door misbruik van gezag, te weten door misbruik van zijn, verdachtes, psychische overwicht op die [uitgelokte], welk overwicht aanwezig was als gevolg van de bij die [uitgelokte] bestaande angst voor verdachte, en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten het verschaffen van informatie aan die [uitgelokte] over de identiteit van het slachtoffer ([getuige 1]) en de reden waarom deze laatste het zwijgen moest worden opgelegd (namelijk de volgens verdachte bestaande wetenschap bij die [getuige 1] met betrekking tot de moord op [slachtoffer]) te bewegen opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding (bij gelegenheid van een bezoek of het maken van een andersoortig contact), zich jegens [getuige 1] te uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar (te weten een rechter of ambtenaar belast met het onderzoek naar de moord op [slachtoffer]) een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd.

Voor zover in de tenlastelegging schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door het hof verbeterd. De verdachte is door deze verbetering niet in de verdediging geschaad.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging

1.1 Namens de verdachte is ter terechtzitting aangevoerd dat in de onderhavige strafzaak het beginsel van "equality of arms" is geschonden, dat de verdediging daardoor ernstig in haar belangen is geschaad en dat, nu er geen sprake is geweest van een "fair trial", het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging, dan wel dat de door de bedreigde getuigen afgelegde verklaringen niet tot bewijs kunnen worden gebezigd.

1.2 De raadsman heeft daartoe -kort gezegd- aangevoerd dat, ondanks dat de twee bedreigde getuigen door de rechter-commissaris zijn gehoord buiten tegenwoordigheid van de officier van justitie, verdachte en zijn toenmalige raadsvrouwe en alleen schriftelijke vragen aan de bedreigde getuigen mochten worden gesteld, de rechter-commissaris de politieambtenaar [getuige 2], zijnde een opsporingsambtenaar en analist van het IRT Noord & Oost Nederland, de verhoren van de bedreigde getuigen heeft laten bijwonen.

1.3 In de ogen van de verdediging was de aanwezigheid van de politie-analist [getuige 2] ontoelaatbaar, nu hij zich bij zijn taakuitoefening niet heeft beperkt tot de noodzakelijke technische ondersteuning.

1.4 Blijkens de betreffende processen-verbaal van de verhoren van de bedreigde getuigen I en II door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Breda [getuige 3], respectievelijk gedateerd 18 februari 2000, 1 november 2000 en 1 november 2000, hebben de verhoren plaatsgevonden buiten aanwezigheid van de officier van justitie, de advocaten van verdachten en de verdachten zelf. Aan de bedreigde getuigen I en II konden slechts schriftelijke vragen worden gesteld. Aan de hand van de op schrift gestelde verklaringen van de bedreigde getuigen konden er aanvullende schriftelijke vragen worden opgegeven. Deze beslissingen zijn door de rechter-commissaris uitgebreid en afdoende gemotiveerd.

1.5 De rechter-commissaris achtte het zeer waarschijnlijk dat leden van de criminele organisatie actief zouden onderzoeken wie de bedreigde getuigen I en II waren. De rechter-commissaris was van oordeel dat hij zijn plicht de identiteit van de bedreigde getuigen te beschermen met grote nauwkeurigheid diende uit te oefenen. Gezien de complicaties die dat met zich bracht en de te verwachten grote gevolgen voor de bedreigde getuigen bij onthulling van hun identiteit, achtte de rechter-commissaris het noodzakelijk dat hij advies kon inwinnen bij een op dat terrein deskundige politieambtenaar.

1.6 Om die reden was bij de verhoren telkens aanwezig de politieambtenaar [getuige 2], analist in dienst van het IRT Noord & Oost Nederland. Zijn taak was blijkens de betreffende processen-verbaal enkel en alleen om de rechter-commissaris gevraagd en ongevraagd advies te geven welke (delen van) antwoorden van de bedreigde getuigen I en II in de processen-verbaal konden worden opgenomen zonder dat de identiteit van de bedreigde getuigen onthuld dreigde te worden. De beslissing wat werd weergegeven en wat niet lag blijkens de processen-verbaal bij de rechter-commissaris.

1.7 Gelet op de inhoud van de betreffende processen-verbaal zijn bijna alle schriftelijk opgegeven vragen gesteld en beantwoord, zijn een groot aantal antwoorden volledig weergegeven, maar zijn ook gegeven antwoorden door de rechter-commissaris geheel of gedeeltelijk niet opgenomen in de processen-verbaal omdat anders de identiteit van de bedreigde getuigen bekend zou kunnen worden. Ook heeft de rechter-commissaris een enkele schriftelijke vraag niet gesteld.

Blijkens de processen-verbaal zijn de bedreigde getuigen I en II geen politieambtenaren.

1.8 Ter terechtzitting in hoger beroep op 30 oktober 2001 zijn de rechter-commissaris [getuige 3] en de politieambtenaar [getuige 2] als getuigen gehoord.

1.9 De rechter-commissaris heeft voorzover van belang zakelijk weergegeven verklaard, dat de politie-analist van het IRT Noord & Oost Nederland [getuige 2] bij de verhoren van de bedreigde getuigen aanwezig was, omdat een rechter-commissaris niet beschikt over een eigen staf en voor advies is aangewezen op de politie. Naar het oordeel van de rechter-commissaris was de politieambtenaar [getuige 2] in het kader van de getuigenverhoren ondergeschikt aan hem en niet aan de officier van justitie. Voorafgaande aan de verhoren had de rechter-commissaris aan [getuige 2] medegedeeld dat hij hem zag als klankbord en dat de politieambtenaar aan de rechter-commissaris louter en alleen advies kon geven over de vraag of een bepaald antwoord kon worden weergegeven in het proces-verbaal in verband met de bescherming van de identiteit van de bedreigde getuigen. De opsporingstaak van [getuige 2] speelde daarbij in de ogen van de rechter-commissaris geen rol. Volgens de rechter-commissaris had [getuige 2] zich bij de verhoren niet inhoudelijk bezig gehouden met de te stellen vragen, noch met de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuigen, noch met de beoordeling of de bedreigde getuige II fysiek in staat was geweest bepaalde waarnemingen te doen. De rechter-commissaris had [getuige 2] bij het weergeven van antwoorden in de processen-verbaal in een aantal gevallen om advies gevraagd om de identiteit van de bedreigde getuigen afdoende te kunnen beschermen. Alleen de antwoorden die zouden kunnen leiden tot de onthulling van de identiteit van de bedreigde getuigen werden niet weergegeven. De waarheidsvinding stond voorop en de bronbescherming vormde daar een uitzondering op. De rechter-commissaris was van oordeel dat de rol van [getuige 2] zeer beperkt was geweest en dat er enkel sprake was van technische ondersteuning.

1.10 De politieambtenaar [getuige 2] heeft voorzover van belang zakelijk weergegeven verklaard, dat hij bij de verhoren van de bedreigde getuigen I en II door de rechter-commissaris aanwezig is geweest en dat hij in de periode van 1 juli 1999 tot 31 december 1999 analist was van het onderzoeksteam van IRT Noord & Oost Nederland dat was geformeerd voor het onderzoek naar de moord op [slachtoffer]. De taak van [getuige 2] bij het onderzoeksteam was het analyseren van afgeluisterde telefoongesprekken, getuigenverklaringen en verklaringen van verdachten om een dader of daders van de moord te kunnen aanwijzen. Aldus had hij een totaalbeeld van het onderzoek.

[getuige 2] verklaarde ter terechtzitting dat hij de inhoud van de door de bedreigde getuigen I en II afgelegde verklaringen kende en dat hij deze verklaringen voorafgaande aan de verhoren door de rechter-commissaris had gefilterd. Dit hield volgens zijn zeggen in dat [getuige 2] bekeek of de relevante gedeelten van die verklaringen informatie bevatten waaruit de identiteit van de bedreigde getuigen zou kunnen worden afgeleid.

Volgens [getuige 2] deed de rechter-commissaris het verhoor van de bedreigde getuigen I en II. De rechter-commissaris besliste of de antwoorden van de bedreigde getuigen werden opgenomen in het proces-verbaal. De rechter-commissaris gaf na een antwoord een voorlopig oordeel en checkte dat bij de politieambtenaar Beerink uit het oogpunt van bronbescherming. In een aantal gevallen verschilden de rechter-commissaris en [getuige 2] van mening over de vraag of een antwoord kon worden weergegeven, maar na een discussie daarover waren zij het in alle gevallen eens geworden. [getuige 2] benadrukte nogmaals dat de rechter-commissaris besliste.

[getuige 2] heeft voorts verklaard, dat hij bij de beoordeling of een antwoord van een bedreigde getuige kon worden weergegeven, rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat er van de verklaring iets moest overblijven om een veroordeling te kunnen krijgen. Volgens [getuige 2] had hij er bij zijn taakvervulling rekening mee gehouden dat er middelen moesten zijn om tot een veroordeling te komen. Ook bij het filteren van de verklaringen had hij daar al rekening mee gehouden.

[getuige 2] had blijkens zijn verklaring toestemming van de officier van justitie om de rechter-commissaris bij de verhoren bij te staan. De officier van justitie kende zijn rol bij het onderzoeksteam van de moord op [slachtoffer]. Naar zijn oordeel hoefde hij over zijn adviseurschap geen verantwoording af te leggen aan de officier van justitie, maar anderzijds was hij niet uitdrukkelijk ontslagen door de officier van justitie van zijn algemene verantwoordingsplicht als politieambtenaar.

1.11 In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet getuigenbescherming (Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22483, nummer 3, bladzijden 22 e.v.) is voorgesteld dat indien het verborgen blijven van de identiteit van de bedreigde getuige zulks vordert, de rechter-commissaris kan bepalen dat de verdachte of diens raadsman, dan wel beiden, het verhoor van de bedreigde getuige niet mogen bijwonen. In het geval aan de raadsman werd verboden om het verhoor bij te wonen, zou dat ook niet aan de officier van justitie moeten worden toegestaan. Dit voorstel is neergelegd in het thans geldende artikel 226d van het Wetboek van Strafvordering.

Blijkens de memorie van toelichting dienen de mogelijkheden om op het verhoor controle uit te oefenen voor beide partijen gelijk te zijn omdat uitsluitend de rechter-commissaris bevoegd is bedreigde getuigen te horen. Gelet op de door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens gestelde eis van voldoende tegenwicht, dient de regeling zoals deze tijdens het onderzoek ter terechtzitting geldt, uitgangspunt te zijn.

1.12 In zijn arrest van 30 juni 1998 stelde de Hoge Raad der Nederlanden dat voor de beantwoording van de vraag of in een concreet geval toepassing van de mogelijkheid van het horen van een bedreigde getuige buiten tegenwoordigheid van de verdachte, zijn raadsman en de officier van justitie inbreuk maakt op het aan de verdachte toekomende recht op een eerlijk proces, onder meer van belang is de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden en de maatregelen die zijn getroffen om de aldus voor de verdediging ontstane belemmering in de uitoefening van het ondervragingsrecht zoveel mogelijk te beperken. Daarnaast is volgens de Hoge Raad der Nederlanden ook van belang of de resultaten van het verhoor in overwegende mate bewijs opleveren voor de directe betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde.

Voorts overwoog de Hoge Raad der Nederlanden dat, hoewel de wet dienaangaande niets bepaalt, aangenomen moet worden dat in het geval dat de verdachte, de raadsman en de officier van justitie niet bevoegd zijn het verhoor bij te wonen, zulks ook niet aan politiefunctionarissen -anders dan ten behoeve van eventueel noodzakelijke technische ondersteuning- is toegestaan (HR 30 juni 1998, NJ 1999/88).

1.13 Het verweer van de raadsman richt zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris om bij de verhoren van de bedreigde getuigen I en II een politieambtenaar, te weten de politie-analist [getuige 2] die deel had uitgemaakt van het onderzoeksteam van het IRT Noord & Oost Nederland dat de moord op [slachtoffer] onderzocht, toe te laten in de ruimte waar de verhoren van de bedreigde getuigen I en II plaatsvonden. Het beginsel van "equality of arms" zou volgens de verdediging zijn geschonden, nu de politie-analist [getuige 2] anders dan ten behoeve van de noodzakelijke technische ondersteuning bij de verhoren aanwezig was geweest.

1.14 De advocaat-generaal heeft bij gelegenheid van zijn requisitoir naar voren gebracht dat hij van oordeel is dat de politieambtenaar [getuige 2] uitsluitend technische ondersteuning heeft verleend aan de rechter-commissaris en geen bemoeienis heeft gehad met het verloop van het verhoor van de bedreigde getuigen I en II.

1.15 Zoals uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, was de taak van de betreffende politieambtenaar om de rechter-commissaris te adviseren over de vraag of een door een bedreigde getuige gegeven antwoord in het proces-verbaal van het verhoor van die getuige kon worden weergegeven zonder dat daardoor onthulling van de identiteit van de bedreigde getuige dreigde.

Blijkens de verklaring van de politieambtenaar [getuige 2] heeft deze, anders dan kennelijk de rechter-commissaris voor ogen stond, bij de uitoefening van zijn taak echter niet alleen gelet op de bescherming van identiteit van de bedreigde getuigen, maar voorts in ogenschouw genomen dat er van de verklaringen van de bedreigde getuigen iets moest overblijven om tot een veroordeling te kunnen komen.

Volgens de politieambtenaar waren de rechter-commissaris en hij het in alle gevallen waarin een discussie ontstond over het al dan niet weergeven van een antwoord eens geworden.

Gelet op deze verklaring van [getuige 2] is het hof van oordeel dat zijn betrokkenheid bij de verhoren niet uitsluitend betrof de noodzakelijke technische ondersteuning in de zin van voornoemd arrest van de Hoge Raad der Nederlanden. De bemoeienissen van de politieambtenaar kunnen naar het oordeel van het hof van invloed zijn geweest op het verloop van de verhoren. Immers, bij de weergave van de antwoorden heeft het advies van de politie-analist [getuige 2] een rol gespeeld en deze heeft daarbij de bewijsgaring in het oog gehouden. Het openbaar ministerie oefende door deze taakvervulling van de aan de officier van justitie ondergeschikte politie-analist meer controle uit over het verhoor van de bedreigde getuigen I en II dan de verdachte en zijn raadsman konden doen.

Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat het beginsel van "equality of arms" is geschonden en dat vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld.

1.16 Gelet echter op de beperkte mogelijkheden die de politieambtenaar heeft gehad om het verloop van het verhoor te beïnvloeden en de omstandigheid dat de bedreigde getuigen uitsluitend zijn gehoord op vragen van de rechter-commissaris en de door de raadslieden van de betrokken verdachten gestelde schriftelijke vragen, is er naar het oordeel van het hof niet sprake van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt derhalve verworpen.

1.17 Rekening houdend met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, is het hof wel van oordeel dat de resultaten van de verhoren van de bedreigde getuigen I en II niet mogen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde. Het beginsel van "equality of arms" betreft immers een zwaarwegend beginsel van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM en in geval er op dat beginsel inbreuk wordt gemaakt, terwijl bovendien de verdediging door de wijze van verhoor van de bedreigde getuigen ernstig werd belemmerd in haar recht de getuigen vragen te stellen, acht het hof de sanctie van strafvermindering onvoldoende om het verzuim te compenseren.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 30 september 1997 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd;

verdachte heeft op 30 september 1997 te Amsterdam opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen twaalf kogels op die [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

2. hij op 2 oktober 1999 in Nederland heeft gepoogd om [uitgelokte] door misbruik van gezag, te weten door misbruik van zijn, verdachtes, psychische overwicht op die [uitgelokte], welk overwicht aanwezig was als gevolg van de bij die [uitgelokte] bestaande angst voor verdachte, en door het verschaffen van inlichtingen, te weten het verschaffen van informatie aan die [uitgelokte] over de identiteit van het slachtoffer ([getuige 1]), te bewegen opzettelijk mondeling (bij gelegenheid van een bezoek of het maken van een andersoortig contact) zich jegens [getuige 1] te uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar (te weten een rechter of ambtenaar belast met het onderzoek naar de moord op [slachtoffer]) een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en onder 2 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen staan vermeld in de aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering; deze aanvulling is aan dit arrest gehecht.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

2. Het hof heeft bewezen geacht dat de verdachte met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Het hof heeft dit afgeleid uit de uit de bewijsmiddelen naar voren komende omstandigheden dat:

-[slachtoffer] in gezelschap van [getuige 1] op de plaats van het misdrijf aanwezig was, omdat [slachtoffer] in een in de nabijheid gelegen horecagelegenheid een afspraak had met [betrokkene] over een geldschuld van die [betrokkene];

-in de week voorafgaande aan het misdrijf en ook op 30 september 1997 nog tot kort voor het misdrijf vele malen telefonisch contact is geweest tussen [betrokkene] en de [verdachte];

-[betrokkene] niet op de afgesproken plaats verscheen, maar wel de [verdachte] in gezelschap van een ander, die beiden met een auto aldaar waren afgezet;

-de [verdachte] en zijn metgezel met stevige pas op [slachtoffer] afliepen en dat de [verdachte], toen hij en zijn metgezel op korte afstand van [slachtoffer] waren gekomen, direct een groot aantal kogels gericht afvuurde op [slachtoffer] zonder dat er iets tussen de vier aanwezigen was voorgevallen;

-op betrekkelijk korte afstand van de plaats van het misdrijf een auto met chauffeur gereed stond, die direct nadat twee naar die auto toe hollende personen waren ingestapt, wegreed.

3.1 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd dat aan de verdachte het recht is onthouden met de burgergetuigen te worden geconfronteerd. De raadsman acht dat in strijd met artikel 6 EVRM. Het openbaar ministerie zou volgens de raadsman die situatie hebben gecreëerd door de vordering in te dienen om getuigen als bedreigde getuigen door de rechter-commissaris te laten horen. Het openbaar ministerie heeft derhalve de problemen rond de bescherming van de identiteit van de getuigen geschapen. De raadsman is naar zijn zeggen door het openbaar ministerie in een onmogelijke positie gebracht omdat hij, gelet op de wijze waarop het hof de identiteit van de bedreigde getuigen moet beschermen, de verdachte onmogelijk kan inlichten als bij gelegenheid van een getuigenverhoor één van de burgergetuigen bij vergissing zou laten blijken eerder zowel als bedreigde getuige als op naam te zijn gehoord. Anderzijds is de raadsman van oordeel dat hij tuchtrechtelijk is gehouden dat te doen. In een dergelijke positie zou een raadsman volgens de verdediging niet gebracht mogen worden en op grond daarvan acht de raadsman het optreden van het openbaar ministerie in strijd met de beginselen van een goede procesorde.

3.2 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie verworpen. De beslissing van het hof om de getuigen [getuige 3], [getuige 1], [getuige 4] en [getuige 5] buiten tegenwoordigheid van de verdachte te horen is gegrond op het bepaalde in de artikelen 296, eerste lid, en 297, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman van verdachte is bij de verhoren tegenwoordig geweest en heeft vragen kunnen stellen aan voornoemde getuigen. Na de verhoren is de verdachte telkens door de voorzitter onmiddelijk onderricht over hetgeen buiten zijn tegenwoordigheid is voorgevallen. De stelling van de raadsman dat het hof hem zou hebben verboden aan de verdachte mede te delen wat er buiten zijn tegenwoordigheid is voorgevallen is feitelijk onjuist.

Het hof is dan ook van oordeel dat de beginselen van een goede procesorde niet zijn geschonden. Voor bewijsuitsluiting of strafvermindering bestaat dan ook geen aanleiding.

Het namens de verdachte gevoerde verweer wordt ook in zoverre verworpen.

4. Ondanks de bezwaren van de verdediging heeft het hof de verklaringen van de getuige [getuige 1] tot bewijs gebezigd. De tot bewijs gebezigde verklaringen van deze getuige zijn gedetailleerd en stemmen op essentiële onderdelen onderling overeen. Voorts vinden de tot bewijs gebezigde verklaringen van de getuige [getuige 1] steun in de op de plaats van het misdrijf aangetroffen sporen en de tot bewijs gebezigde verklaringen.

Dat er ook andersluidende verklaringen zijn afgelegd ten aanzien van enkele onderdelen van zijn verklaring en de getuige op punten niet consistent is geweest, acht het hof onvoldoende om de getuige en de door hem afgelegde verklaringen als onbetrouwbaar te betitelen.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het onder 1 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Het onder 2 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 285a juncto de artikelen 46a en 47, eerste lid, onder 2e, van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De eerste rechter heeft de verdachte terzake van onder 1: "Medeplegen van moord" en onder 2: "Poging om een ander door misbruik van gezag en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om het misdrijf "opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd", te begaan" veroordeeld tot dertien jaar gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en met onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen wapen met munitie.

Van dit vonnis zijn de verdachte en de officier van justitie in hoger beroep gekomen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot zestien jaar gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en met onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen wapen met munitie.

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. De verdachte heeft immers opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven beroofd. Naar het oordeel van het hof kan bij een dergelijk ernstig misdrijf niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te melden duur met zich brengt.

Het slachtoffer is door de verdachte op een donkere en stille plaats te Amsterdam met twaalf kogels neergeschoten. Ten gevolge van de bij de schietpartij opgelopen verwondingen is het slachtoffer om het leven gekomen. De metgezel van het slachtoffer heeft zich, door het water in te vluchten en zich verborgen te houden, aan de gewelddadigheden kunnen onttrekken. Uit het dossier komt naar voren dat het ging om een koelbloedige afrekening in het criminele milieu. Aan de nabestaanden van het slachtoffer is een niet te vergoeden verlies toegebracht.

De schietpartij speelde zich af voor de ogen van een toevallige voorbijgangster voor wie het een zeer beangstigende ervaring is geweest waarvan zij blijkens het verhandelde ter terechtzitting nog altijd de negatieve gevolgen ondervindt. Het hof heeft voorts ten nadele van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat door zeer gewelddadige delicten als de onderhavige in de samenleving gevoelens van onveiligheid ontstaan en de rechtsorde daardoor op ernstige wijze wordt geschokt.

Kort na de schietpartij werd de metgezel van het slachtoffer, [getuige 1], zeer waarschijnlijk door de verdachte, maar anders door één van zijn companen, op het hart gedrukt zijn mond te houden over het gebeurde. Nadat enige tijd later in de onderhavige strafzaak companen van verdachte werden aangehouden door de politie, heeft de verdachte, die toen zelf gedetineerd zat, via [uitgelokte] getracht om [getuige 1] te laten zwijgen over hetgeen hij over de moord op [slachtoffer] wist.

Uit het dossier komt naar voren dat ook andere getuigen in deze strafzaak zijn bedreigd en dat zij onwaarheid hebben gesproken uit angst voor de [verdachte].

Uit de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, blijkt dat de verdachte een meedogenloze man is en niet alleen maar een journalist met Koerdische sympathieën zoals hij het hof ter terechtzitting wilde doen geloven.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 27, 46a, 47, 57, 63, 285a en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- het beroepen vonnis en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

onder 1: "Moord";

onder 2: "Poging om een ander door misbruik van gezag en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om het misdrijf "Het opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een persoon om naar waarheid of geweten een verklaring ten overstaan van een rechter of een ambtenaar af te leggen", te begaan".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van dertien jaar.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door Mr. Van den Elzen, als voorzitter

Mrs. Eijsenga en van Nierop, als raadsheren

in tegenwoordigheid van mr. Vos, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 november 2001.

Mr. Van Nierop is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.