Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AD9359

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2001
Datum publicatie
18-02-2002
Zaaknummer
97/21456
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/18.15 met annotatie van Redactie
FutD 2002-0455
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/21456

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 201.637,=.

Na tijdig bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad met gesloten deuren ter zitting van het Hof van 9 mei 2001 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en drs. A, als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van drs. B, beiden verbonden aan C B.V. te D, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota met vier bijlagen toegezonden aan het Hof, dat deze stukken in afschrift naar de Inspecteur heeft gestuurd, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen het tot de stukken rekenen van de bij die pleitnota gevoegde vier bijlagen.

De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende exploiteert gedurende het onderhavige jaar een agrarisch bedrijf in de vorm van een eenmanszaak.

2.2. Bij notariële akte van 3 juli 1995 heeft belanghebbende verkocht en geleverd twee percelen bouwland, gelegen aan de A straat respectievelijk aan de B straat, beide te E, kadastraal bekend Gemeente F sectie C, nummer 235, groot 3.64.00 ha. (hierna: perceel A) en sectie C, nummer 273, groot 2.75.10 ha. (hierna: perceel B) aan G B.V. te H (hierna: G B.V.).

2.3. Op een daartoe door belanghebbende aan de Gemeente F gestelde vraag inzake de agrarische bestemming van perceel A en perceel B antwoordt de gemeente bij brief van 7 mei 1997: "Betreffende percelen vallen binnen het bestemmingsplan ''I''. Dit bestemmingsplan is sinds 26 april 1988 onherroepelijk. Het perceel met nummer 235 heeft de bestemming: 'Agrarische doeleinden, gebied met landschappelijke waarden'. Het perceel met nummer 273 heeft de bestemming 'Agrarische doeleinden, gebied met landschappelijke waarden en natuurwaarden'. Tot op heden zijn voornoemde bestemmingen ongewijzigd gebleven. Er ligt momenteel geen herziening van het bestemmingsplan voor.".

2.4. Door Provinciale Staten van Limburg is op 21 februari 1992 vastgesteld het 'Provinciaal Ontgrondingenplan, deelplannen regionale winningen' (hierna: het POP 1992). Onder 3.2.1 van het onderdeel "Beleidsvoornemens" van het POP 1992 staat vermeld: "Om in de behoefte aan Maasklei te kunnen blijven voorzien dient in Noord- en Midden-Limburg naar de huidige inzichten in het tweede decennium ca. 2,3 mln ton Maasklei gewonnen te worden.". Daartoe worden 4 winlokaties gekozen, waaronder het gebied 'J', waar perceel A en perceel B zijn gelegen. De in het POP 1992 uitgezette "beleidslijnen hebben een indicatieve status" waarbij voorts wordt opgemerkt: "Op het moment van de eerste integrale planherziening, kan m.b.t. de geplande uitbreiding een definitieve keuze worden gemaakt.". Ten aanzien van het gebied "J" vermeldt het POP 1992: "Naar de mening van Gedeputeerde Staten is verdere kleiwinning t.o.v. het dassenbeschermingsplan verantwoord, indien het plan van de eindtoestand zich richt op een herstel van de landschappelijke samenhang, de aanleg van kleine landschapselementen en het terugbrengen van (stroomdal)grasland onder extensief agrarisch beheer. Een uitbreiding van kleiwinning "J" in de periode 2000-2010 acceptabel geacht, mits:

* De uitbreiding plaatsvindt binnen het (indicatieve) plangebied zoals op bijgaande afbeelding is weergegeven.

* Een plan van de eindtoestand wordt overlegd dat voorziet in een herstel van de landschappelijke samenhang, de aanleg van kleine landschapselementen en het terugbrengen van (stroomdal)grasland onder extensief agrarisch beheer.

* Buiten het projectgebied ca. 2 ha zo dicht mogelijk bij de eerste burcht dasvriendelijk wordt ingericht en nabij de tweede burcht een dassenterp wordt opgeworpen, op een wijze zoals in het dassenonderzoek is aangegeven.".

2.5. Perceel A is gelegen buiten en perceel B is gelegen binnen het in het POP 1992 aangewezen "(indicatieve) plangebied".

2.6. In een door belanghebbende gevoerde correspondentie met drs. K van het bureau Ontgrondingen van de Provincie Limburg, als bijlage 1 gevoegd bij de pleitnota van belanghebbende, is met betrekking tot perceel A door belanghebbende gevraagd: "Bent u op basis van de medio 1995 bestaande ruimtelijke ordening plannen, meer in het bijzonder het POP 1992, van oordeel dat er voor het perceel C235 sprake is van een gerede (niet te verwaarlozen) kans op afgraving in de periode juli 1995 tot augustus 2001?". Het antwoord van drs. K luidde: "Nee, er bestonden en bestaan geen ro-plannen van de provincie Limburg waarin voorzien is dat bedoeld perceel ontgrond kunnen (Hof: kan) worden. Dit geldt voor de in de vraag aangegeven periode, maar ook voor daarna.".

Aangaande perceel B is door belanghebbende onder meer de volgende vraag gesteld: " Bent u op basis van de medio 1995 bestaande ruimtelijke ordening plannen, meer in het bijzonder het POP 1992, van oordeel dat er voor het perceel C 273 sprake is van een gerede (niet te verwaarlozen) kans op afgraving in de periode juli 1995 tot augustus 2001? Wilt u uw oordeel gemotiveerd geven?" Hierop is door genoemde ambtenaar geantwoord: "Nee, het beleid in het POP '92 ging ervan uit dat pas na 1/1/2000 ontgrond kon worden. Dit diende eerst opnieuw bij planherziening afgewogen te worden.".

2.7. Perceel B wordt aan de oostzijde begrensd door een doodlopende verharde weg, welke dient als ontsluitingsweg voor een aan de Maasoever wonende boer en in het verleden tevens de toegang vormde voor een niet meer in gebruik zijnde zogenoemde voetveer over de Maas.

2.8. Met betrekking tot een oostelijk van het perceel B gelegen deel van het indicatieve plangebied is, blijkens een op 29 september 1998 bij het Hof binnengekomen aanvulling van de Inspecteur op zijn vertoogschrift, in november 1996 het "L-plan" van M te N gereed gekomen. Voor enkele percelen, gelegen op korte afstand aan de oostzijde van perceel B, ter overzijde van voornoemde weg, zijn, in afwijking van het POP 1992, in september 1997 en april 1998 door Gedeputeerde Staten van Limburg, onder meer aan G B.V., ontgrondingsvergunningen verleend.

2.9. Gevraagd naar de reden waarom de in 2.8 vermelde vergunningen zijn verleend voor gronden die eveneens in het indicatieve kleiwingebied van het POP 1992 zijn gelegen merkt drs. K van het bureau Ontgrondingen van de Provincie Limburg op: "Tijdens de herziening van het POP 1992 bleek in 1997 een locaal tekort aan klei voor de grof keramische industrie. Dit noopte de provincie Limburg (GS) ertoe eerder binnen het zoekgebied de 'J' vergunningen te verlenen. (Het beleid om de winning ter plaatse te versnellen werd reeds ontwikkeld) -( vergunning-verlening was anticipatie op aanstaande beleidsontwikkeling.".

2.10. Blijkens een verklaring van G B.V. d.d. 24 januari 1997 alsmede een copie van een als bijlage bij die verklaring behorende overeenkomst van bruikleen d.d. 10 december 1996 zijn perceel A en perceel B aangekocht om deze van jaar tot jaar om niet in gebruik te geven aan agrariërs, "van wie wij wederom grond aangekocht hebben, gelegen in het ontgrondingsgebied "O" te Y.".

2.11. Belanghebbende heeft een belastbaar inkomen aangegeven van

f 33.801,=, daarbij rekening houdend met een onder de landbouwvrijstelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) te begrijpen voordeel van f 159.928,=, zoals berekend op bladzijde 2 bovenaan van het vertoogschrift.

Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat de verkoop van perceel A en van perceel B aan G B.V. leidt tot een te belasten bestemmingswijzigingswinst van de verkochte grond van f 167.885,=, omdat, beoordeeld naar het moment van verkoop (24 mei 1995), de grond voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf zal worden aangewend.

De aanslag is berekend als volgt:

Aangegeven belastbaar inkomen f 33.801,=

Correctie landbouwvrijstelling f 167.885,=

Giftenaftrek vervalt f 1.038,=

Lagere zelfstandigenaftrek f 3.960,=

Hogere meewerkaftrek -/- f 5.037,=

Vastgesteld belastbaar inkomen f 201.637,=.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard is tussen hen uitsluitend nog in geschil het antwoord op de vraag of onder de landbouwvrijstelling van artikel 8, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet valt:

Primair: de gerealiseerde winst ter zake van de verkoop van zowel perceel A als perceel B.

Subsidiair: de gerealiseerde winst ter zake van uitsluitend de verkoop van perceel A.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting het volgende toegevoegd.

3.3. Belanghebbende: Onderzoek ter zake van in perceel A of perceel B aanwezige winbare klei is bij mijn weten niet verricht. Er is sprake van een grondcarrousel waarbij G B.V. een aantal percelen op de plank moet hebben liggen. Perceel A zou sowieso niet worden afgegraven, ook niet in de verre toekomst. Perceel B mag inmiddels niet meer worden afgegraven. De weg bleek in 1998 een cruciale grens: aan de oostkant mag wel worden afgegraven. De weg kan niet aan het verkeer worden onttrokken. Indien het Hof van oordeel is dat in casu in het geheel geen sprake is van te belasten bestemmingswijzigingswinst, dient het belastbare inkomen van belanghebbende overeenkomstig de ter zake door de Inspecteur in het vertoogschrift gemaakte berekening, nader te worden gesteld op f 49.458,=.

3.4. De Inspecteur: In die periode was gangbaar dat G B.V. voor direct winbare grond 1,5 maal de landbouwprijs betaalde. G B.V. onderzocht dan wel of er winbare klei in de grond zat. Het in het vertoogschrift gestelde ten aanzien van een eventuele proceskostenveroordeling komt te vervallen.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Artikel 8, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet bepaalt dat niet tot de winst behoren de waardeveranderingen van gronden, behoudens voorzover de waardeverandering in de uitoefening van het bedrijf is ontstaan of verband houdt met de omstandigheid dat de grond voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend. De voormelde uitzondering, ertoe strekkende dat bestemmingswijzigingswinst tot de belastbare winst wordt gerekend, doet zich voor indien op het moment van vervreemding van de betreffende grond een redelijke kans bestaat dat die grond binnenkort buiten de agrarische sfeer zal worden aangewend.

4.2. Bij de beoordeling of sprake is van een dergelijke kans is van belang de op het moment van verkoop bestaande objectieve verwachting ten aanzien van het gebruik van de grond. Met name is de vraag aan de orde of het agrarische gebruik van perceel A en perceel B zal worden beëindigd in verband met ontgronding dan wel of perceel A en perceel B voor tenminste een periode van 6 jaren zullen worden aangewend binnen het kader van een landbouwbedrijf.

4.3. Met betrekking tot perceel A staat vast dat dit is gelegen buiten het indicatieve plangebied van het POP 1992. Gelet op het POP 1992, zoals vermeld in 2.4, alsmede blijkens de verklaring van de ambtenaar drs. K van het bureau Ontgrondingen van de Provincie Limburg bestonden, beoordeeld naar het moment van verkoop van perceel A, geen ruimtelijke ordeningsplannen van de Provincie Limburg om over te gaan tot ontgronding van perceel A. Dit geldt, blijkens voormelde verklaring, zowel voor de periode van juli 1995 tot augustus 2001 als voor de periode daarna. Na verkoop van de grond door belanghebbende aan G B.V. is de grond door middel van jaarlijkse bruikleenovereenkomsten om niet in gebruik gegeven aan de maatschap Q en als landbouwgrond in gebruik genomen. Gelet op de op het moment van verkoop uit het bestemmingsplan voortvloeiende onmogelijkheid om binnen een periode van 6 jaren over te gaan tot ontgronding van perceel A en het, na verkoop, voortdurende agrarische gebruik van die grond concludeert het Hof dat ten aanzien van de winst bij verkoop van perceel A de landbouwvrijstelling op de voet van artikel 8, aanhef en onderdeel b, van de Wet van toepassing is. Aan het vorenstaande doet niet af dat G B.V. in de regel 1,5 keer de WEVAB van de grond als koopprijs van gronden aanbood, G B.V. perceel A als voorraad aanhield alsmede dat de grond door middel van een bruikleenovereenkomst van jaar tot jaar om niet in gebruik werd gegeven aan voornoemde maatschap Q.

4.4. Na verkoop van perceel B door belanghebbende aan G B.V. is de grond door middel van jaarlijkse bruikleenovereenkomsten om niet aan de maatschap Q in gebruik gegeven en als landbouwgrond in gebruik genomen. Perceel B is gelegen binnen het indicatieve plangebied waar volgens het POP 1992 onder bepaalde in 2.4 omschreven voorwaarden kleiwinning acceptabel wordt geacht in de periode 2000-2010. Blijkens de in 2.6 vermelde mededeling van de provinciaal ambtenaar kon eerst bij een herziening van het POP 1992 ontgronding na 1 januari 2000 worden overwogen. Naar belanghebbende ter zitting onweersproken heeft gesteld was ten tijde van de verkoop van perceel B met de vervulling van de voorwaarden nog geen aanvang gemaakt zodat, naar het oordeel van het Hof, mede gelet op het ingrijpende karakter van de voorwaarden, ten tijde van de verkoop een redelijke kans niet aanwezig was dat tot ontgronding zou kunnen worden overgegaan vóór augustus 2001. De in 2.8 vermelde feiten doen hier niet aan af. Redengevend daartoe acht het Hof de verklaring in 2.9 van meervermelde ambtenaar van de Provincie Limburg.

4.5. Gelet op het vorenoverwogene acht het Hof, beoordeeld naar het moment van verkoop, een redelijke kans, in de zin van de onder 4.2 hieraan gegeven uitleg, niet aanwezig dat perceel A en perceel B binnenkort buiten het kader van een landbouwbedrijf worden aangewend. Het gelijk is volledig aan de zijde van belanghebbende. Voor dit geval zijn partijen het er over eens dat moet worden beslist als hierna vermeld.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op 2 punten maal f 710,= maal wegingsfactor 2 ofwel f 2.840,=.

6. Beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak, vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen f 49.458,=, gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van f 80,=, dat is 36,30 euro, veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van f 2.840,=, dat is 1.288,74 euro, en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld en uitgesproken op 20 december 2001 door G.J. van Muijen, voorzitter, J.W.J Huige en H.E. Koning, leden, en op die dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 10 januari 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.