Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AD8669

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-07-2001
Datum publicatie
30-01-2002
Zaaknummer
KG C0100285/HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MC

rolnr. KG C0100285/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH,

tweede kamer, van 24 juli 2001,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CSU SCHOONMAAK B.V.,

statutair gevestigd te Uden,

appellante,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

de rechtspersoonlijkheid bezittende

POLITIEREGIO BRABANT ZUID OOST,

gevestigd te Eindhoven,

geïntimeerde,

procureur: mr. J.H.M. Erkens,

op het hoger beroep van het vonnis van de president van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, onder rolnummer 60993/ KG ZA 01-18 op 6 februari 2001 uitgesproken tussen appellante - hierna: CSU - als eiseres en geïntimeerde

- hierna: de Politieregio - als gedaagde.

1. De procedure in eerste aanleg

Hiervoor verwijst het hof naar het beroepen vonnis.

2. De procedure in hoger beroep

Bij appeldagvaarding heeft CSU twee grieven tegen het beroepen vonnis aangevoerd en geconcludeerd zoals in

die memorie staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft de Politieregio de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten, waarna zij de gedingstukken voor arrest hebben overgelegd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de exacte tekst van de grieven verwijst het hof naar de appeldagvaarding.

4. De beoordeling

4.1 Blijkens paragraaf 4 van de appeldagvaarding wenst CSU het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof te onderwerpen. Het hof zal derhalve de grieven niet afzonderlijk beoordelen.

4.2 Geen grieven zijn gericht tegen de feiten, zoals door de president in r.o. 2 van het beroepen vonnis weergegeven. Het hof zal van diezelfde feiten uitgaan.

4.3 De zaak komt kort weergegeven op het volgende neer.

De Politieregio heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure uitgeschreven voor een opdracht tot het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden en glasbewassing ten behoeve van ongeveer 189 politiepanden en het leveren van sanitaire voorzieningen. Op deze aanbestedingsprocedure is van toepassing de Richtlijn 92/50/EEG van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/52/EEG van 13 oktober 1997 (hierna: Richtlijn Diensten).

De aankondiging van de aanbesteding is gepubliceerd onder nummer 2000/S 203 131209. In de aankondiging zijn de volgende passages opgenomen:

" 9.a) Uiterste datum voor de ontvangst van de inschrijvingen: 8.12.2000" en

"10.a) Bij de opening toegelaten personen: De projectgroep van de samenwerkende politieregio's

b) Datum, uur en plaats: 8.12.2000 (12.00) te Eindhoven."

Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Politieregio de offerteaanvraag met het bestek aan de gegadigden toegezonden. Een van de gegadigden was CSU.

Bij brief van 27 november 2000 heeft de Politieregio aan de gegadigden onder meer bericht:

"Voor alle duidelijkheid ten aanzien van de vraag wanneer de offertes uiterlijk dienen te zijn ingeleverd, verwijs ik u naar de publicatie 2000/S 203-131209. Hierin wordt aangegeven dat de offertes 8 december uiterlijk 12.00 uur dienen te zijn ingeleverd . . ."

Op 8 december 2000 om 12.07 uur heeft een medewerker van CSU de offerte bij de Politieregio ingeleverd. Deze offerte is door de Politieregio op 21 december 2000 ongeopend aan CSU geretourneerd.

4.4 In hoger beroep vordert CSU primair - kort weergegeven dat het hof de Politieregio gebiedt de inschrijving van CSU alsnog toe te laten bij de onderhavige aanbestedingsprocedure. Op de hierna in de rechtsoverwegingen 4.5 en 4.6 weergegeven gronden is het hof van oordeel dat de President deze vordering terecht heeft afgewezen.

4.5 Naar het voorlopig oordeel van het hof blijkt uit

de hiervoor weergegeven passages in de aankondiging voldoende duidelijk dat de sluitingstermijn voor het inleveren van de inschrijvingen op de onderhavige aanbesteding viel op 8 december 2000 om 12.00 uur.

Weliswaar staat in het model voor de aankondiging van overheidsopdrachten voor dienstverlening (bijlage III B van de Richtlijn Diensten) dat bij punt 9.a de uiterste datum voor de ontvangst van de inschrijvingen vermeld moet worden en bij punt 10.b dag, uur en plaats van de opening van de inschrijvingen, maar een redelijke lezing van de onderhavige aankondiging laat zich moeilijk anders lezen dan hiervoor is weergegeven.

Het hof verwerpt derhalve de stelling van CSU dat het enkele feit, dat bij punt 9.a in de aankondiging naast

de datum van 8 december 2000 geen nader tijdstip staat vermeld, geen ander oordeel mogelijk maakt dan dat de inschrijvingen nog tot 24.00 uur op die dag ingeleverd konden worden.

De hiervoor weergegeven mededeling in de brief van

27 november 2000 van de Politieregio is derhalve niet

een verkorting van een eerder genoemde termijn (namelijk van 8 december 2000 om 24.00 uur naar 8 december 2000 om 12.00 uur,) zoals CSU meent, maar een herhaling van hetgeen al in de aankondiging zelf heeft gestaan.

Uit het voorgaande volgt dat CSU te laat was met het inleveren van haar offerte.

4.6.1 Het hof verwerpt de stelling van CSU, dat de Politieregio gehouden was om de offerte van CSU desondanks nog te aanvaarden.

4.6.2 Op grond van het gelijkheidsbeginsel, dat bij een aanbestedingsprocedure als een belangrijke leidraad heeft te gelden, mocht de Politieregio de onderhavige offerte niet zonder meer in aanmerking nemen. De Politieregio was naar het voorlopig oordeel van het hof evenmin op enigerlei grond jegens CSU verplicht om aan de overige inschrijvers te vragen of zij bezwaren hadden tegen het alsnog in aanmerking nemen van de te laat ingeleverde offerte van CSU. De omstandigheid, dat de overige inschrijvingen ten tijde van het aanbieden van de offerte van CSU nog niet geopend waren, doet aan het voorgaande niet af.

4.6.3 De stelling van CSU dat het, gezien de grote belangen van CSU om in aanmerking te komen voor de onderhavige opdracht, op de weg van de Politieregio had gelegen om een oplossing voor dit probleem te zoeken, snijdt geen hout. De Politieregio dient op grond van het gelijkheidsbeginsel alle gegadigden en alle inschrijvers gelijk te behandelen. Naar het voorlopig oordeel van het hof verdraagt de door CSU voorgestane handelwijze van de Politieregio zich daar niet mee. Hetgeen CSU in dit verband verder heeft aangevoerd, behoeft derhalve geen afzonderlijke beoordeling meer.

4.6.4 Ingevolge punt 21 van de aankondiging valt de onderhavige aanbesteding onder de werking van de Agreement on Government Procurement (GPA). Ook deze regelgeving noopte de Politieregio niet tot het in aanmerking nemen van de onderhavige inschrijving van CSU. Allereerst heeft CSU niet gesteld noch is aannemelijk geworden dat het te laat indienen van de onderhavige inschrijving door CSU alleen aan de Politieregio te wijten is. Voorts is naar het voorlopig oordeel van het hof in casu geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden, die er toe zouden kunnen leiden dat deze te laat ingediende offerte in aanmerking zou moeten worden genomen.

4.7 Ten overvloede overweegt het hof dat CSU niet heeft gesteld dat zij door de wijze van aankondiging van het tijdstip van sluiting van de inschrijvingen op enig moment in onzekerheid daarover heeft verkeerd of dat zij om die reden te laat is geweest met het indienen van haar offerte.

4.8.1 Subsidiair vordert CSU in hoger beroep om op straffe van verbeurte van een dwangsom de Politieregio te verbieden de opdracht te gunnen op basis van de onderhavige aanbestedingsprocedure en de Politieregio te gebieden de opdracht te heraanbesteden.

Het hof begrijpt dat CSU aan deze vordering ten grondslag legt dat de aanbestedingsprocedure op onregelmatige wijze heeft plaatsgevonden en daardoor ongeldig zou moeten worden verklaard (par. 4.4 pleitnota mr. Heeresma).

CSU wijst er in dit verband op dat de Politieregio bij brief van 3 december 2000, welke brief CSU pas op 5 december 2000 heeft ontvangen, nog inlichtingen heeft verstrekt. CSU stelt dat op grond van artikel 18, lid 4 en 5, van de Richtlijn Diensten de termijn van sluiting van de inschrijvingen had moet worden verlengd.

4.8.2 De Politieregio heeft onbetwist aangevoerd dat de vragen, die tot de inlichtingen in de brief van 3 december 2000 hebben geleid, niet tijdig zijn gesteld en voorts dat de inlichtingen zelf niet omvangrijk zijn. Deze brief (slechts de eerste pagina bevindt zich als productie b bij pleidooi in eerste aanleg bij de gedingstukken) is door CSU na het pleidooi in hoger beroep met toestemming van de wederpartij aan het hof gezonden. Na lezing van deze brief acht het hof voorshands voornoemde conclusie van de Politieregio met betrekking tot de omvang van de verstrekte inlichtingen aannemelijk. Gelet daarop acht het hof de kans dat in een bodemprocedure de aanbesteding op die grond ongeldig wordt verklaard niet zodanig waarschijnlijk, dat daarop vooruit gelopen moet worden in deze kort gedingprocedure. De subsidiaire vordering - zowel het verbod tot gunning op basis van de onderhavige aanbestedingsprocedure als het gebod tot heraanbesteding - is derhalve door de president eveneens terecht afgewezen.

4.9 De meer subsidiaire vordering in hoger beroep - het treffen van een zodanige voorziening als het hof in goede justitie vermeent te behoren - is zodanig vaag dat het hof deze vordering niet toewijsbaar acht.

4.10 De president heeft derhalve terecht de vordering van CSU afgewezen. Gelet hierop behoeft het hof niet meer in te gaan op eventuele complicaties, nu Politieregio na het vonnis in kort geding van de president de opdracht inmiddels aan een inschrijver heeft gegund.

4.11 Nu CSU de in het ongelijk gestelde partij is, dient zij veroordeeld te worden in de kosten van de procedure in hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de president van de rechtbank te 's-Hertogenbosch d.d. 6 februari 2001;

veroordeelt CSU in de kosten van de onderhavige appelprocedure, welke kosten het hof tot op heden begroot op

f 475,-- voor verschotten en op f 5.100,-- voor salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door de mrs. Rothuizen-Van Dijk, Begheyn en Van der Flier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 juli 2001.