Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AD8487

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2001
Datum publicatie
25-01-2002
Zaaknummer
99/02109
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AN8721
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2004:AN8721
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/11.25 met annotatie van Redactie
FutD 2002-0204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/02109

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Grote ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 1994 tot en met 31 december 1994, aanslagnummer 1, en tegen het kwijtscheldingsbesluit betreffende de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging.

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft voor wat betreft de enkelvoudige belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de verhoging in het openbaar plaatsgevonden ter zitting van het Hof van dinsdag 4 december 2001 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 18 december 2001, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende

tot een bedrag van fl. 2.840,=, onder aanwijzing van de Staat der

Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

en

- gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door deze

gestorte griffierecht ad fl. 85,= wordt vergoed.

De gronden voor de beslissing

(1) Niet is in geschil dat de onderhavige goederen naar Spanje zijn vervoerd, dat zij aldaar door Q S.L. (hierna: Q) zijn verkregen en dat zulks voor Q een intracommunautaire verwerving vormt. Dit laatste in ieder geval reeds omdat Q een rechtspersoon is en de door belanghebbende ter zake van de leveringen van deze goederen bedongen en verkregen vergoedingen al met de eerste partij de tegenwaarde van 10.000 ECU overschreden.

(2) Gelet op hetgeen onder (1) is overwogen, heeft belanghebbende op grond van het bepaalde in post a, punt 6, van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende tabel II, zoals deze post in het licht van de Zesde richtlijn moet worden opgevat, recht op toepassing van het 0%-tarief. Meer of andere eisen dan die waaraan blijkens hetgeen onder (1) is overwogen in casu is voldaan, stelt evengenoemde tabelpost niet.

(3) De enkele omstandigheid dat het door Q aan belanghebbende opgegeven Spaanse fiscale identificatienummer niet een btw-identificatienummer was, kan aan hetgeen onder (2) is overwogen niet afdoen nu laatstbedoelde nummers uitsluitend in het leven zijn geroepen teneinde de intracommunautair leverende ondernemer zekerheid te bieden omtrent de btw-status van zijn afnemer, alsmede teneinde als hulpmiddel te fungeren bij de controle door de belastingadministraties van de lidstaten op de juistheid van de toepassing van het 0%-tarief (vrijstelling met aftrek van voorbelasting) op intracommunautaire leveringen enerzijds en het aangeven van intracommunautaire verwervingen anderzijds. De aanwezigheid van een correct btw-identificatienummer is echter niet een constitutieve voorwaarde voor het mogen toepassen van het 0%-tarief op intracommunautaire leveringen.

(4) Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van belanghebbende. Voor dit geval is niet in geschil dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd.

(5) In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures, op 2 (punt) x fl. 710,= (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) is fl. 2.840,=.

(6) Nu het beroep gegrond is, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door haar voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 85,= te vergoeden.

(7) Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 18 december 2001 door J.A. Meijer, voorzitter, M.E. van Hilten en P. Fortuin, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van D.J. Koopmans, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 28 december 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende fl. 150,--.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van fl. 150,-- verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.