Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AD7139

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-11-2001
Datum publicatie
14-12-2001
Zaaknummer
99/30143
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-2438
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/30143

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, achtste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid douane te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur), op het bezwaarschrift tegen de beschikking van de Inspecteur van 9 februari 1999, kenmerk A1, op zijn verzoek om vrijstelling van belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij de beschikking is het verzoek van belanghebbende hem op de voet van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM 1992 voorwaardelijke vrijstelling van BPM te verlenen, afgewezen. Het tijdig daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.2. De zaak is behandeld in raadkamer ter zitting van het Hof van

24 oktober 2001 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, diens gemachtigde, alsmede de Inspecteur

Belanghebbende en de Inspecteur hebben elk een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan aan het Hof en aan de wederpartij overgelegd.

Belanghebbende heeft ter zitting tevens met toestemming van de Inspecteur een kopie overgelegd van een brief van notaris Q te W in Duitsland van 30 augustus 2000.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter

zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een

der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende, geboren in juli 1965, gehuwd, wonende te Y in Nederland, is werkzaam voor A GmbH te S in Duitsland (hierna: de vennootschap)

2.2. Blijkens een in kopie onder bijlage 1 bij het vertoogschrift tot de stukken behorende notarieel gewaarmerkt afschrift van een in februari 1996 te W in Duitsland verleden notariële akte (hierna: de akte) hebben belanghebbende en de heer T, wonende te Çuracao, de vennootschap opgericht.

2.3. In §9 onder Geschäftsführung staat onder meer het volgende vermeld.

“4. Die Geschäftsführer T und

X sind stets jeweils allein vertretungsberechtigt, auch wenn weitere Geschäftsführer bestellt worden sind.

Der Geschäftsführer T ist ferner von den Beschränkungen des § 181 BGB befreit.

5. Die Geschäftsführer sind verpflichtet, die Weisungen der Gesell-schafter zu befolgen, insbesondere eine von den Gesellschaftern aufgestelte Geschäftsordnung zu beachten und von den Gesellschaftern als zustimmungsplichtig bezeichnete Geschäfte mit deren Zustimmung vorzunehmen.

(…)

Damit ist der Gesellschaftsvertrag der Firma

A Gesellschaft mit beschränkter Haftung

festgestellt.”.

2.4. In de akte staat onder Gesellschafterversammlung onder meer het volgende.

“1. Zu ersten Geschäftsführern der Gesellschaft werden

bestellt:

der Kaufmann, Herr T,

(…)

der Kaufmann, Herr X,

(…).

2. Die geschäftsführer T en

X sind stets alleinvertre-tungsberechtigt, auch wenn weitere Geschäftsführer bestelt sind.

Der geschäftsführer T ist ferner von den Beschränkungen des § 181 BGB befreit.

(…)

Damit ist die Gesellschafterversammlung geschlossen.”.

2.5. OP grond van §5 van de akte, een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken C en een brief van 2 april 1999, een en ander als vermeld in kopie onder de als bijlage 4 bij het vertoogschrift tot het geding behorende stukken, staat het volgende vast.

A B.V. te Y (hierna: A) heeft bij de oprichting van de vennootschap het totale grondkapitaal daarvan in contanten ingebracht.

Genoemde heer T is alleen en zelfstandig bevoegd A B.V. te vertegenwoordigen.

D B.V. is voor 100% gerechtigd in het aandelenkapitaal

van A B.V.

In het aandelenkapitaal van D B.V. is gerechtigd voor

5% genoemde heer T en voor

95% de heer Tt, wonende in Zwitserland.

2.6. Bij een, onder bijlage 1 bij het vertoogschrift in kopie tot de stukken behorende, door belanghebbende op 11 november 1998 ondertekend verzoekschrift (hierna: het verzoekschrift) heeft

belanghebbende ingevolge het gestelde in artikel 2 van het Uitvoeringsringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: het Besluit) om vrijstelling verzocht van belasting voor een, blijkens de in kopie onder bijlage 2 van het vertoogschrift tot de stukken behorende brief van 6 januari 1996 met een leasingcontract, door de vennootschap, te dier zake vertegenwoordigt door belanghebbende, van Autohaus E Gmbh te K in Duitsland geleasde auto van het merk Volvo, het type V70 2.5d en met het Duitse kenteken A1 (hierna: de personenauto).

2.7. In rubriek A van het verzoekschrift staat onder meer:

“16. Wie beslist en hoe wordt 16. De beslissing wordt

de beslissing genomen, in genomen door:

welke land het personen- dhr T.”.

voertuig wordt geregistreerd?

In rubriek B van het verzoekschrift, in te vullen door de werkgever, staat onder meer:

“Ondergetekende (naam én functie)

Directeur

en gemachtigd om namens het bedrijf deze verklaring af te geven en te ondertekenen, bevestigt hierbij, dat aan de bij haar in dienst zijnde verzoek(st)er (naam, adres en woonplaats)

X te Y een personenvoertuig (…)) ter beschikking is gesteld voor het verrichten van de hem/haar* opgedragen taak.

(…)

Hem is daarbij toestemming verleend de personenauto ook te bezigen:

voor het woon-werkverkeer

voor ander privé gebruik

(…)

Aldus naar waarheid ingevuld,

de werkgever,

naam: T

plaats: Aweg 1

0000 AA

datum: 12-11-’98.”.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel c, van het Besluit van toepassing is.

Het geschil is terug te voeren tot het antwoord op de vraag of belanghebbende in beginsel geen invloed kon uitoefenen op de beslissing in welk land de personenauto werd geregistreerd.

Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend, de Inspecteur daarentegen ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die

door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Zij hebben hieraan ter zitting, zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd.

3.2.1. Belanghebbende

Indien anders dan hij van mening is, § 181 van het BGB geen rol zou spelen, dan nog volgt uit § 9, onderdeel 5, van de akte dat hij als “Geschäftsführer” de aanwijzingen van de heer T als “Gesellschafter” moet opvolgen.

De praktijk is dat hij in alle zaken met de heer T moet overleggen en bij de uitvoering ervan toestemming aan hem moet vragen. Dit gebeurt gezien de woonplaats en het verblijf van T vaak telefonisch dan wel per fax. Hij weet altijd waar de heer T is. Ook in het onderhavige geval heeft hij voor het gebruik van de personenauto de toestemming van de heer T moeten vragen.

Destijds is tegen belanghebbende gezegd dat het rijden met zijn privé-personenauto tegen een kilometervergoeding voor de zaak te duur werd en dat hij in een auto van de zaak moest gaan rijden.

Dat hij toen dacht dat moet dan maar, wil niet zeggen dat hij daarvoor de beslissing nam.

Zoals in de uitspraak op het bezwaarschrift staat vermeld, is aan belanghebbende verzocht aannemelijk te maken dat er tussen hem en de heer T een mondelinge afspraak bestond dat belang-hebbende toestemming nodig had van de heer T voor transacties van boven de 10.000 DM. Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende de desbetreffende verklaring op 18 augustus 1999 de Inspecteur doen toekomen.

Belanghebbende heeft alleen met de heer T te maken.

3.2.2. De Inspecteur

Juist op grond van de specifieke arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en de vennootschap is de Inspecteur van mening

dat belanghebbende wel invloed kon uitoefenen in de zin als onder de geschilomschrijving beschreven.

De verklaring dat belanghebbende toestemming nodig heeft voor transacties die een bedrag van 10.000 DM te boven gaan, is van latere datum en strookt niet met diens eerdere verklaringen.

Omdat de heer T vaak in het buitenland verblijft, moest belanghebbende zelfstandig bevoegd zijn.

De door belanghebbende later afgelegde verklaringen komen niet over-een met zijn eerdere verklaringen en zijn mitsdien onaannemelijk.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verlening van de vrijstelling van artikel 2, lid 1, aanhef en letter c, van het Besluit voor de personenauto.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van 2.5 is het Hof van oordeel dat nu de heer T alleen en zelfstandig bevoegd is om A B.V. te vertegenwoordigen en A B.V. het gehele grondkapitaal van de vennootschap heeft ingebracht,de heer T van de vennootschap de “Gesellschafter” is in de zin van § 9, onderdeel 5, van de akte, wiens aanwijzingen belanghebbende als “Geschäftsführer” in de zin van die bepaling dient op te volgen.

4.2. De verklaringen van belanghebbende ter zitting als vermeld onder 3.2.1 en hetgeen staat vermeld onder 2.7 zijn met elkaar in overeenstemming. Het Hof heeft geen reden aan de juistheid van die verklaringen te twijfelen.

4.3. Het hiervóór onder 4.1 en 4.2 overwogene in onderling verband beschouwd,brengt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende voor de van belang zijnde rechtshandelingen toestemming nodig had van de heer T.

4.4. § 181 van het BGB bepaalt voor zover te dezen van belang, zakelijk weergegeven, het volgende.

Een vertegenwoordiger kan namens de vertegenwoordigde voor zich op eigen naam dan wel als vertegenwoordiger van een derde, zich geen rechtshandelingen ten doel stellen.

4.5. Weliswaar kan notaris Q voornoemd worden toegegeven dat, zoals in de op twee na laatste alinea op bladzijde 2 van diens onder 1.2 vermelde brief van 30 augustus 2000 staat vermeld, het door belanghebbende, handelend te dier zake op grond van gemelde bepaling §9, onderdeel 4, van de akte als “alleinvertretungsberech-tigt”, voor de vennootschap gesloten contract, waarbij die vennootschap een geleasde personenauto ter beschikking kreeg, niet valt onder § 181 van het BGB, doch hiermee is dan nog niet gezegd dat belanghebbende die, de vennootschap ter beschikking staande, personenauto ook mocht gebruiken. Het Hof is van oordeel dat wil belanghebbende het recht krijgen die auto te mogen gebruiken, hij hierover met de GmbH tot wilsovereenstemming moet komen, dat wil zeggen hierover met de vennootschap een overeenkomst moet sluiten, hetgeen, op grond van voornoemde uit §181 van het BGB voortvloeiende beperking in de bevoegdheid, rechtens niet mogelijk is.

4.6. Op grond van het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de vragen vermeld onder 3.1 bevestigend moeten worden beantwoord en dat mitsdien in de door belanghebbende voorgestane zin moet worden beslist.

5. Griffierecht en Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht ad fl. 80,= te vergoeden.

In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, vindt het Hof aanleiding belanghebbende te veroordelen in de kosten van het geding. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht op 2 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 1(gewicht van de zaak) is fl. 1.420,= voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6. Beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak;

verleent belanghebbende vrijstelling van BPM als bedoeld in artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel c, van het Besluit voor de personenauto;

gelast dat de Inspecteur belanghebbende het griffierecht ad fl. 60,= vergoedt;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten ten bedrage van fl. 1.420,= en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 19 november 2001 door A. Bijlsma, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van D.G. Moll van Charante, waarnemend- griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend aan partijen verzonden op: 19 november 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.