Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AD6771

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
07-12-2001
Zaaknummer
93/01278
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/10.5 met annotatie van Redactie
FutD 2001-2342
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 93/01278

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de door het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1985, aanslagnummer 1, en tegen het kwijtscheldingsbesluit betreffende de in de aanslag begrepen verhoging.

1. Ontstaan en loop van het geding

De navorderingsaanslag, gedagtekend 30 augustus 1991, is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 4.898.186,-- en opgelegd met een verhoging van 100% zonder kwijtschelding.

De voorzitter van de Belastingkamer van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 12 februari 1993 belanghebbende machtiging verleend zijn beroepschrift binnen twee maanden na verzending van het afschrift van deze beschikking in te dienen bij het Gerechtshof.

Belanghebbende is van deze navorderingsaanslag in beroep gekomen bij het Hof. Het beroepschrift is tijdig, op 13 april 1993 de dag volgend op tweede paasdag, bij het Gerechtshof binnengekomen.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 oktober 1995 te 's-Hertogenbosch voor wat betreft de enkelvoudige belasting in raadkamer en voor wat betreft de verhoging in het openbaar. Aldaar zijn verschenen en gehoord gemachtigden van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.

Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende bij zijn pleitnota 15 bijlagen overgelegd.

Naar aanleiding van het ter zitting door het Hof tot belanghebbende gerichte verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken, heeft tussen het Hof en partijen een briefwis­seling plaatsgevonden, waarbij het bepaalde in de artikelen 14, lid 1, aanhef en onderdeel 2°, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken overeenkom­stige toepassing heeft gevonden.

Partijen hebben het Hof schriftelijk laten weten het niet wenselijk te achten hun standpunten nogmaals mondeling toe te lichten.

De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 mei 1998 te 's-Hertogenbosch voor wat betreft de enkelvoudige belasting in raadkamer en voor wat betreft de verhoging in het openbaar. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, gemachtigden van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende bij zijn pleitnota 3 bijlagen overgelegd.

Naar aanleiding van het ter zitting door het Hof tot belanghebbende gerichte verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken, heeft tussen het Hof en partijen een briefwis­seling plaatsgevonden, waarbij het bepaalde in de artikelen 14, lid 1, aanhef en onderdeel 2°, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken overeenkom­stige toepassing heeft gevonden.

Partijen hebben het Hof schriftelijk laten weten het niet wenselijk te achten hun standpunten nogmaals mondeling toe te lichten.

De derde mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 juni 2001 te 's-Hertogenbosch voor wat betreft de enkelvoudige belasting in raadkamer en voor wat betreft de verhoging in het openbaar. Aldaar zijn verschenen en gehoord gemachtigden van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.

Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de Inspecteur bij zijn pleitnota een bijlage overgelegd.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zittingen, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende, geboren in september 1920, is architect. Middels diverse in Spanje gevestigde naar Spaans recht opgerichte vennootschappen, neemt belanghebbende als aandeelhouder middellijk dan wel onmiddellijk deel aan het project Q (Canarische eilanden). Eén van die vennootschappen is A SA.

2.2. Van de 100 aandelen in A SA zijn in oktober 1985 49 aandelen voor een bedrag van ƒ 5.194.000,-- verkocht aan B B.V.. De verkoopopbrengst is ten goede gekomen aan C B.V..

2.3. Belanghebbende is tevens directeur/enig aandeelhouder in drie in Nederland gevestigde, naar Nederlands recht opgerichte, vennootschappen, waarvan C B.V. er één is. In de maand juni 1989 is in opdracht van de inspecteur der vennootschapsbelasting te R, de destijds voor de heffing van vennootschapsbelasting van laatstgenoemde vennootschap bevoegde inspecteur, bij die vennootschappen een onderzoek ingesteld door de rijksaccountantsdienst te R resulterend in het RAD-rapport van 28 juni 1989 (verder: het RAD-rapport).

2.4. In het RAD-rapport staat ondermeer het volgende:

“Overigens is het uit de ons ter beschikking staande stukken nooit duidelijk geworden in welke hoedanigheid de heer X daadwerkelijk optreedt. Vaak wordt gesproken over “X c.q. C BV”, vaak ook wordt de naam van C helemaal niet genoemd. Pas uit de jaarrekening over 1985 blijkt dat C BV als belanghebbende in de aandelentransactie A SA beschouwd moet worden. Vooralsnog stellen wij u voor met deze zienswijze accoord te gaan.”.

2.5. C B.V. heeft voor het jaar 1985 bij de aangifte vennootschapsbelasting voor de bij de verkoop van de aandelen A SA behaalde winst (hierna: transactiewinst), aanvankelijk deels, de deelnemingsvrijstelling geclaimd. In het RAD-rapport wordt het standpunt ingenomen dat de deelnemingsvrijstelling toepassing mist omdat niet is voldaan aan de zogenaamde annaal-bezitseis, destijds gesteld in artikel 13, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De inspecteur der vennootschapsbelasting te R heeft bij de vaststelling van de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1985, gedagtekend 31 juli 1989, toepassing van de deelnemingsvrijstelling geweigerd. Tegen deze aanslag heeft C B.V. tijdig bezwaar aangetekend. In dit bezwaarschrift wordt het standpunt verdedigd dat wel voldaan is aan die hiervoor bedoelde annaal-bezitseis.

2.6. Tot maart 1990 was de inspecteur der directe belastingen te P de bevoegde inspecteur voor de heffing van inkomstenbelasting van belanghebbende. De inspecteur der vennootschapsbelasting te R was tot maart 1990 de bevoegde inspecteur voor de heffing van vennootschapsbelasting van C B.V. en de andere aan belanghebbende gelieerde vennootschappen. Vanaf maart 1990 is de Inspecteur bevoegd voor belanghebbende en de aan hem gelieerde vennootschappen.

2.7. Met dagtekening 30 augustus 1991 is door de Inspecteur ter zake van de transactiewinst als winst uit aanmerkelijk belang aan belanghebbende de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd.

2.8. Met dagtekening 27 februari 1993 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de aan C B.V. opgelegde aanslag vennootschapsbelasting 1985, met de volgende vermelding:

“uitspraak doende op het bezwaarschrift ingediend tegen de onder nummer 2 vastgestelde aanslag:

overwegende, dat aan het bezwaar wordt tegemoetgekomen; dat in verband hiermede rekening wordt gehouden met de hieronder afgedrukte gegevens;

besluit een vermindering te verlenen tot het in de kolom “verschil” vermelde bedrag.

de inspecteur.”.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen.

Is bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de transactiewinst enkel in de vennootschapsbelasting zal worden belast?

Is er sprake van een navordering rechtvaardigend nieuw feit?

Is de transactiewinst terecht en tot een juist bedrag in de navorderingsaanslag begrepen?

Is met betrekking tot de verhoging de redelijke termijn overschreden?

Belanghebbende beantwoordt de eerste en laatste vraag bevestigend en de overige vragen ontkennend, de Inspecteur beantwoordt die vragen in tegengestelde zin.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

De Inspecteur heeft ter zitting van 13 mei 1998 desgevraagd verklaard dat hij niet betwist dat de door belanghebbende genoemde getuigen onder ede datgene zullen verklaren wat ze in de stukken hebben verklaard. De Inspecteur heeft tevens verklaard dat hij aan belanghebbende heeft meegedeeld dat hij de transactiewinst slechts één maal zal belasten, ofwel in de inkomstenbelasting ofwel in de vennootschapsbelasting. Belanghebbende heeft daarop zijn aanbod een en ander middels getuigen te bewijzen ingetrokken.

Belanghebbende heeft tijdens de laatste zitting desgevraagd verklaard dat zijn beroep op de redelijke termijn enkel de opgelegde verhoging betreft.

Partijen hebben ter zittingen verder geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot handhaving van de navorderingsaanslag.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Op grond van het RAD-rapport en de naar aanleiding daarvan aan C B.V. opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1985 en het aanvankelijk, ten tijde van de oplegging van de aanslag vennootschapsbelasting, achterwege blijven van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting, mocht belanghebbende er redelijkerwijs vanuit gaan dat de inspecteur der vennootschapsbelasting te R en de inspecteur der directe belastingen te P gezamenlijk het standpunt hadden ingenomen dat de transactiewinst, als zijnde behaald door deze vennootschap, in de heffing van vennootschapsbelasting zou worden betrokken, en niet, als zijnde behaald door belanghebbende als winst uit aanmerkelijk belang, in de heffing van inkomstenbelasting.

4.2. Nu geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die een standpuntwijziging rechtvaardigen was naar het oordeel van het Hof de Inspecteur gebonden aan onder 4.1 genoemde standpuntbepaling van zijn rechtsvoorgangers, de inspecteur der vennootschapsbelasting te R en de inspecteur der directe belastingen te P. Aan dit oordeel doet naar het oordeel van het Hof niet af dat eerstgenoemde inspecteur destijds niet bevoegd was voor de heffing van inkomstenbelasting, zulks aangezien belanghebbende er gelet op de aard van de materie op mocht vertrouwen dat de voor de heffing van vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting bevoegde inspecteurs niet zonder overleg en afstemming met elkaar een standpunt zouden innemen omtrent de vraag of de transactiewinst was behaald door C B.V. of belanghebbende.

4.3. Het gelijk is derhalve aan de zijde van belanghebbende. Voor dat geval is niet in geschil dat de onderhavige navorderingsaanslag moet worden vernietigd. De overige in geschil zijnde vragen behoeven geen behandeling meer.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op 4 punten maal ƒ 710,-- maal wegingsfactor 2 ofwel ƒ 5.680,--.

6. Beslissing

Het Hof vernietigt de navorderingsaanslag, gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 75,--, veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 5.680,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 14 november 2001 door A.J. van Soest, voorzitter, R.J. Koopman en J.C. Kranenburg, in tegenwoordigheid van C.A.F.M. Stassen, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 14 november 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.