Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AD6324

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-10-2001
Datum publicatie
29-11-2001
Zaaknummer
99/00337
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 1678
FutD 2001-2306

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/00337

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de erven van de heer J (hierna: de erven), laatstelijk gewoond hebbende

te Lanaken (België), tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren/ondernemingen buitenland Heerlen van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op hun bezwaarschrift betreffende de aan de erven voor het jaar 1996 opgelegde aanslag inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen.

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 16 oktober 2001 te

's-Hertogenbosch. Aldaar is toen, namens de Inspecteur, verschenen en gehoord de heer drs. A., verbonden aan de hiervoor genoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 30 oktober 2001, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

De gronden

1. De heer J., geboren op 00-00-0000, had de Nederlandse nationaliteit.

In het verleden heeft hij in Nederland gewerkt. Nadat hij arbeidsongeschikt was geworden, is aan hem een uitkering op grond van de WAO toegekend. Vervolgens is hij in 1993 naar België geëmigreerd. Zijn WAO-uikering bedroeg in het jaar 1996

fl. 38.431,=. Op 1 april 1998 is hij overleden.

2. Het geschil gaat over de vraag of de Inspecteur de heer J over het jaar 1996 terecht heeft aangeslagen in de heffing voor de Nederlandse premie volksverzekeringen.

3. Het Hof stelt voorop dat de heer J, enkel beoordeeld naar Nederlands nationaal recht, gedurende het jaar 1996 verplicht verzekerd was op grond van de volksverzekeringswetten en daardoor ook verplicht was tot het betalen van premie voor de volksverzekeringen. In dit jaar was hij weliswaar geen ingezetene meer van Nederland, maar als niet-ingezetene was hij verplicht verzekerd op grond van artikel 8, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (Stb. 164). Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Verzekerd ingevolge de volksverzekeringen is degene, die

buiten Nederland is gaan wonen en op de dag van zijn vertrek

recht had op

a. een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (...) mits die uitkering (...) ten minste gelijk is

aan 35% van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de

Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657)

bedoelde bedrag.”.

De heer J voldeed in 1996 aan alle vereisten van deze bepaling, nu hij ten tijde van zijn vertrek uit Nederland in 1993 recht had op een WAO-uitkering, en deze uitkering in 1996 ruimschoots uitging boven 35% van het zojuist bedoelde bedrag van het minimumloon (in 1996 35% van fl. 26.325,= is fl. 9.213,75 per jaar).

4. De erven stellen zich op het standpunt dat premieheffing voor de Nederlandse volksverzekeringen in strijd is met het Europese gemeenschapsrecht. Naar hun oordeel is uitsluitend de Belgische wetgeving van toepassing op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel b, in samenhang met artikel 13, eerste lid, van EG-Verordening nr. 1408/71.

Het Hof overweegt dat toepassing van de Belgische wetgeving op grond van deze voorschriften alleen aan de orde zou kunnen komen indien de heer J beroepswerkzaamheden op Belgisch grondgebied heeft verricht. Uit het vertoogschrift van de Inspecteur leidt het Hof af dat deze ontkent dat er sprake is geweest van werkzaamheden van belanghebbende op het grondgebied van België. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt dan mee dat de erven aannemelijk maken dat er van dergelijke werkzaamheden wel sprake is geweest. De erven hebben echter geen feiten gesteld die zouden kunnen wijzen op beroepswerkzaamheden van de heer J in België. Evenmin zijn zulke feiten gebleken uit de processtukken of uit het verhandelde op de zitting. Het Hof gaat er daarom vanuit dat er van beroepswerkzaamheden van de heer J op Belgisch grondgebied geen sprake is geweest en verwerpt daarom het beroep van de erven op artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van EG-Verordening nr. 1408/71. Het Hof wijst er voor de volledigheid op dat het tot dit oordeel is gekomen op grond van de normale regels over de verdeling van de bewijslast, dus zonder toepassing van de zogenaamde omkering van de bewijslast van artikel 29, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen waarop de Inspecteur zich heeft beroepen.

Gelet op het voorgaande faalt ook het beroep van de erven op het arrest De Jaeck van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 januari 1997, zaak nr. C-340/94, onder meer gepubliceerd in BNB 1997/308c*.

5. Nu beroepswerkzaamheden van de heer J in België of in enige andere lidstaat dan Nederland niet aannemelijk zijn geworden, moet worden aangenomen dat hij tot het moment van beëindiging van zijn beroepswerkzaamheden in Nederland op grond van het bepaalde in artikel 13, tweede lid, onderdeel a of b, van EG-Verordening nr. 1408/71 aan de Nederlandse socialezekerheids-wetgeving onderworpen was. Het Hof kan in het midden laten of hier sprake is geweest van werkzaamheden in loondienst of van werkzaamheden anders dan in loondienst (in deze procedure is dat niet duidelijk geworden), aangezien dat voor de aanwijzing van de toepasselijke wetgeving in dit geval geen verschil maakt. Hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen brengt mee dat de onderworpenheid van de heer J aan de Nederlandse wetgeving, enkel beoordeeld naar Nederlands nationaal recht, ook in het jaar 1996 in stand is gebleven. Het Hof ziet geen aanwijzingen dat deze onderworpenheid tussen de beëindiging van zijn beroepswerkzaamheden en het onderhavige jaar 1996 zou zijn onderbroken. Derhalve was de heer J in 1996 niet op grond van het bepaalde in artikel 13, tweede lid, onderdeel f, van EG-Verordening nr. 1408/71 in samenhang met artikel 10ter van de toepassingsverordening nr. 574/72 onderworpen aan de wetgeving van zijn woonland België. Nu er evenmin aanleiding is om aan te nemen dat een van de andere bepalingen over de toepasselijke wetgeving in titel II van EG-Verordening nr. 1408/71 de wetgeving van een andere lidstaat aanwees, is het Hof van oordeel dat de heer J ook na de beëindiging van zijn beroepswerkzaamheden op grond van de genoemde verordening onderworpen bleef aan de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving. Dit oordeel kan weliswaar niet gebaseerd worden op de letterlijke tekst van de verordening, maar een andere uitleg zou tot gevolg hebben dat de bepalingen in deze verordening over de toepasselijke wetgeving een onbedoelde leemte vertonen voor personen zoals de heer J die hun beroepswerkzaamheden beëindigen en enkel naar nationaal recht onderworpen blijven aan de wetgeving van hun voormalige werkland, terwijl zij hun woonplaats hebben in een andere lidstaat.

6. De erven beroepen zich vervolgens op het recht van vrij verkeer en het verbod van discriminatie naar nationaliteit uit het EG-verdrag. Onder 5 is het Hof tot het oordeel gekomen dat de heer J op grond van EG-Verordening nr. 1408/71 in het jaar 1996 was onderworpen aan de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving. Gelet op het bepaalde in het eerste lid van artikel 13 van deze verordening was de Nederlandse wetgeving aangewezen met uitsluiting van de wetgeving van andere lidstaten. Het Hof kan niet inzien waarom deze exclusieve aanwijzing van de Nederlandse wetgeving, noch de voorwaarden waaronder de Nederlandse wetgeving de heer J in de verplichte verzekering en de premieheffing voor de volksverzekeringen betrekt, het recht op vrij verkeer voor hem zou kunnen belemmeren. De desbetreffende regelingen in de Nederlandse wetgeving maken ook geen onderscheid naar nationaliteit en er zijn evenmin feiten gesteld of gebleken die erop kunnen wijzen dat in feite vooral personen met een bepaalde nationaliteit of bepaalde nationaliteiten door deze regels worden benadeeld.

7. Ten slotte beroepen de erven zich op het arrest-Asscher van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1996, zaak nr. C-107/94, onder meer gepubliceerd in BNB 1996/350c*. Ook dit beroep moet worden verworpen. Het arrest-Asscher ziet alleen op het tarief voor de inkomstenbelasting en heeft geen betrekking op de premieheffing voor sociale verzekeringen.

8. Nu het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is en bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

9. Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 30 oktober 2001 door M.W.C. Feteris, lid van voormelde Kamer, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 12 november 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende fl. 150,=.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak eveneens een griffierecht van fl. 150,= verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.