Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AD5766

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-10-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
99/02500
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 1617
FutD 2001-2189
V-N 2002/4.12

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/02500

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zesde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer

X (hierna: belanghebbende) te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd welke aanslag na een door belanghebbende daartegen ingediend bezwaarschrift bij de bestreden uitspraak is verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van

ƒ 61.146,--.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 20 augustus 2001 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is in 1983 een onderneming gestart onder de naam “Fiscaal- en Juridisch adviesbureau X” (hierna: de onderneming). De onderneming wordt sinds 1992 gedreven in de vorm van een eenmanszaak en de activiteiten van de onderneming bestaan uit het drijven van een fiscaal- en juridisch adviesbureau en het voeren van administraties.

2.2. Belanghebbende is in 1995 vanuit Q naar Y verhuisd en heeft de onderneming daar ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken.

2.3. De cliënten van de onderneming wonen hoofdzakelijk in de omgeving van de voormalige woonplaats van belanghebbende, Q. Om zijn cliënten te bezoeken reist belanghebbende per openbaar vervoer.

2.4. Belanghebbende heeft de inkomsten die hij genoten heeft uit de onderneming bij zijn aangifte inkomstenbelasting 1997 aangegeven als winst uit onderneming. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur het ondernemerschap van belanghebbende en het toepassen van de zelfstandigenaftrek niet geaccepteerd. Bij de uitspraak op het bezwaar heeft de Inspecteur het ondernemerschap van belanghebbende alsnog aanvaard, maar zijn standpunt ten aanzien van de zelfstandigenaftrek gehandhaafd op de grond dat niet is voldaan aan het urencriterium. De Inspecteur heeft hierover ter zitting verklaard dat hij niet zo zeer bestrijdt het aantal door belanghebbende verantwoorde uren, blijkende uit het bij zijn bezwaar overgelegde overzicht betreffende het aantal uren besteed aan het drijven van de onderneming, maar het zakelijke karakter van de door belanghebbende bestede uren, en dan uitsluitend de uren die aan het reizen naar de cliënten zijn besteed. Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat de door belanghebbende gemaakte uren die niet zijn gedeclareerd, te weten 101 uren, als privé-uren moeten worden aangemerkt en buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de bepaling van het aantal aan het drijven van de onderneming bestede uren.

2.5. Alle kosten door belanghebbende met betrekking tot de onderneming in aanmerking genomen, inclusief de door belanghebbende ten aanzien van zijn cliëntenbezoeken gemaakte reiskosten, zijn door de Inspecteur als zakelijk aangemerkt en geaccepteerd als kosten van de onderneming.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat het geschil uitsluitend nog de vraag betreft of de door belanghebbende aan het reizen naar zijn cliënten per openbaar vervoer bestede uren, kunnen worden aangemerkt als uren die zijn besteed binnen het kader van het drijven van de onderneming, zodat deze uren meetellen bij de beoordeling of wordt voldaan aan het urencriterium in de zin van artikel 44m van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting het volgende toegevoegd:

De Inspecteur:

Het is niet zakelijk om zoveel uren te besteden aan het reizen naar cliënten. Deze uren kunnen niet worden aangemerkt als effectief aan het drijven van de onderneming bestede uren. De verhouding tussen het aantal door belanghebbende gemaakte uren en de gerealiseerde omzet (het omzet/urencriterium) is daardoor niet meer als zakelijk aan te merken.

Belanghebbende:

Mijn cliënten kunnen niet de dupe zijn van het feit dat ik in 1995 ben verhuisd naar Y. De reizen die ik maak om hen te kunnen bezoeken moeten worden gezien als een service die ik verleen om de cliënt van dienst te kunnen blijven.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van het belastbaar inkomen met de zelfstandigenaftrek ad ƒ 9.825,-- tot ƒ 51.321,--.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Op grond van artikel 44m van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt ten aanzien van een belastingplichtige die winst uit onderneming geniet een zelfstandigenaftrek toegepast indien gedurende het kalenderjaar de voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 1225 uren in beslag wordt genomen door het voor eigen rekening feitelijk drijven van een onderneming.

4.2. Nu de Inspecteur heeft gesteld niet het aantal door belanghebbende ten behoeve van de onderneming bestede uren te bestrijden maar alleen het zakelijke karakter van de uren besteed aan het reizen naar cliënten, gaat het Hof uit van de specificatie welke door belanghebbende bij zijn bezwaarschrift is overgelegd en volgens welke belanghebbende in 1997 1454 uren in de onderneming heeft gewerkt. Gezien hetgeen tussen partijen ter zitting is overeengekomen, opgenomen in onderdeel 2.4. van de feiten, zal het vorengenoemde aantal uren met de niet-gedeclareerde uren moeten worden verminderd. Dit resulteert in een urenaantal van 1454 uren minus 101 uren is 1353 uren.

4.3. Ten aanzien van laatstgenoemd aantal uren wordt door de Inspecteur gesteld dat de uren die hiervan door belanghebbende zijn besteed aan het reizen naar zijn cliënten niet als uren kunnen worden aangemerkt die zijn besteed aan het voor eigen rekening feitelijk drijven van de onderneming. Het Hof is van oordeel dat, mede ook gezien het feit dat de kosten die zijn gemaakt voor deze reizen door de Inspecteur wel als bedrijfslast van de onderneming zijn aanvaard, het reizen door belanghebbende ook moet worden geacht te hebben plaatsgevonden binnen het kader van het drijven van de onderneming. Hieraan doet niet af dat op grond van het omzet/urencriterium belanghebbende mede hierdoor op een laag uurtarief uitkomt.

4.4. Het voorgaande brengt mee dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is. Voor dat geval is niet in geschil dat de aanslag moet worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van

ƒ 51.321.

5. Proceskosten

De omstandigheid dat de aanslag wordt verminderd, brengt met zich dat de Inspecteur veroordeeld moet worden tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende. Belanghebbende heeft, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures, enkel recht op vergoeding van reiskosten. Het Hof stelt de te vergoeden reiskosten op een bedrag van ƒ 13,25.

6. Beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak, vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 51.321,--, gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 80,-- en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 13,25 en wijst de staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 24 oktober 2001 door J. Huige, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van C.A. van Roosmalen, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 24 oktober 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een

beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak

overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.