Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AD5052

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-10-2001
Datum publicatie
05-11-2001
Zaaknummer
98/04957
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 1588
FutD 2001-2158

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/04957

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 1996.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 140.811,--, welke aanslag na een door belanghebbende daartegen ingediend bezwaarschrift bij de bestreden uitspraak is gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 4 september 2001 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende A en namens de Inspecteur B.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen en waarvan een exemplaar is overgelegd aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

Ter zitting heeft de Inspecteur een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is huisarts en oefent zijn beroep zelfstandig uit door middel van een maatschap met zijn echtgenote, die eveneens huisarts is. Tot het gezin van belanghebbende en zijn echtgenote behoren drie minderjarige kinderen.

2.2. Tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende behoort een personenauto merk C (verder: de C) met een catalogusprijs van ƒ 32.124,--.

2.3. De stand van de kilometerteller van de C was aan het begin van het jaar 30.990 en aan het eind 36.391.

2.4. Belanghebbende bezit nog een tweede personenauto, merk D (verder: de D), die hij tot zijn privévermogen rekent.

2.5. Belanghebbende en zijn echtgenote bezoeken beiden patiënten per auto. Afspraken voor deze thuisbezoeken (in de gedingstukken ook wel aangeduid als visites) worden vastgelegd in de praktijkagenda, waarbij per dag de namen van de te bezoeken patiënten wordt genoteerd. Niet echter wordt aangetekend of het bezoek wordt afgelegd door belanghebbende of zijn echtgenote.

2.6. Belanghebbende houdt in een schriftje de kilometerstanden van de C bij. Hij noteert per dag de ritten die hij met de C maakt onder vermelding van een adres of een naam en noteert per rit een kilometerstand.

2.7. Bij het beroepschrift heeft belanghebbende overgelegd een overzicht betreffende 20, 21, 23 en 24 mei 1996, waarin hij aan de hand van het in 2.6 bedoelde schriftje, de praktijkagenda en zijn patientenadministratie per rit de volgende gegevens heeft genoteerd: datum, beginstand kilometerteller, eindstand kilometerteller, de naam van de bezochte persoon of instelling, het bezoekadres en een vermelding of het karakter van de rit zakelijk dan wel privé was.

2.8. Bij het beroepschrift heeft belanghebbende een drietal garagefacturen overgelegd betreffende de C. Op twee van de drie facturen wordt de stand van de kilometerteller vermeld.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende heeft doen blijken dat de C in 1996 voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting het volgende toegevoegd:

3.2.1. Belanghebbende:

De praktijkagenda ziet zowel op de visites die belanghebbende rijdt als op de visites die zijn echtgenote rijdt. De echtgenote van belanghebbende rijdt meestal visites in de D, belanghebbende gebruikt meestal de C.

Ik slaag er niet in de aantekeningen in het schriftje voor te lezen. Ik betwist niet dat zij voor een derde onleesbaar zijn. Daar gaat het echter niet om. Van belang is dat belanghebbende zelf de aantekeningen wel kan lezen en dat hij met behulp van de praktijkagenda en zijn patiëntenadministratie voor het gehele jaar sluitende overzichten zou kunnen maken zoals die welke zijn overgelegd voor de dagen 20, 21, 23 en 24 mei 1996. Het enige wat hem ervan weerhouden heeft om dat ook daadwerkelijk te doen, is dat het buitensporig veel tijd kost om die overzichten te maken.

3.2.2. Inspecteur:

Het gaat er niet om wat voor overzichten belanghebbende zou kunnen maken. Van belang is alleen het bewijs dat hij daadwerkelijk heeft aangeleverd. En dat bestaat hoofdzakelijk uit het onleesbare schriftje. De praktijkagenda is ook niet bruikbaar omdat die ook ziet op de visites van de echtgenote.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 136.369,--.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 42, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 blijft de bijtelling van twintig percent van de catalogusprijs, bedoeld in het tweede lid van dat wetsartikel, achterwege indien blijkt dat de auto op jaarbasis voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.

4.2. De C van belanghebbende heeft in het onderhavige jaar 5401 kilometer gereden. Belanghebbende stelt dat uit de door hem gevoerde kilometeradministratie, bestaande uit het in 2.6 bedoelde schriftje en de praktijkagenda, blijkt dat de C voor minder dat 1000 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.

4.3. Het Hof kan belanghebbende hierin niet volgen. Belanghebbende heeft immers erkend dat de aantekeningen in het schriftje voor een derde onleesbaar zijn. Daarmee is het schriftje als bewijsmiddel onbruikbaar, aangezien het door een derde niet kan worden geraadpleegd. Verder kan geen aansluiting met de praktijkagenda worden gemaakt omdat in deze agenda ook de patiëntenbezoeken van de echtgenote van belanghebbende worden neergelegd, zonder dat wordt aangetekend wie de bezoeken aflegt. Daardoor is de administratie oncontroleerbaar en onbruikbaar als bewijsmiddel.

4.4. Aan hetgeen hiervoor in 4.3 is overwogen doet niet af de door belanghebbende gestelde omstandigheid dat hij in staat is om voor het gehele jaar een overzicht op te stellen overeenkomstig het overzicht dat hij heeft opgesteld voor 20, 21 ,23 en 24 mei 1996. Immers, belanghebbende heeft een dergelijk overzicht voor het gehele jaar niet daadwerkelijk opgesteld en overgelegd en hij heeft ook niet aangeboden zulks alsnog te doen. Het Hof, dat recht moet doen op basis van de in het geding gebrachte bewijsmiddelen, kan zijn beslissing niet doen steunen op speculaties omtrent de overtuigingskracht van stukken die niet zijn vervaardigd of ingebracht.

4.5. De bestreden uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 4 oktober 2001 door R.J. Koopman, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 4 oktober 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.