Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AD5048

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-10-2001
Datum publicatie
02-11-2001
Zaaknummer
98/05597
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 1583
FutD 2001-2122

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/05597

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Z (hierna: de belanghebbende) tegen de door het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) gedane uitspraak van 23 november 1998 op het bezwaarschrift betreffende de aan haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting over het jaar 1994.

De mondelinge behandeling

Deze heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 18 september 2001 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord namens de belanghebbende, A en B, beiden verbonden aan C, accountants en adviseurs, alsmede, namens de Inspecteur, D.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 2 oktober 2001, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

De gronden voor de beslissing

1. De belanghebbende heeft uitdrukkelijk verklaard het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarfase in te trekken. Voorts heeft zij uitdrukkelijk verklaard als primair standpunt met betrekking tot de kiosk in te nemen, dat de gehele boekwaarde van de kiosk ten laste van de winst over het jaar 1994 moet worden afgewaardeerd.

Afwaardering kiosk

2. Vaststaat, dat de belanghebbende in de gemeente Q een kiosk had op ± 60 m2 grond. In het kader van een renovatie van het plein in het winkelcentrum E is er een pand naast de kiosk gebouwd. Volgens de voorschriften inzake brandveiligheid diende er een minimale afstand te zijn tussen dat pand en de kiosk van de belanghebbende. Op 26 juli 1993 heeft de belanghebbende met de gemeente een overeenkomst van ruiling (hierna: de overeenkomst) gesloten. In ruil voor ± 30 m2 van haar grond heeft de belanghebbende, onder bijbetaling van fl. 201.000,= (exclusief omzetbelasting), 164 m2 grond verkregen, die aansloot bij haar overige 30 m2. Op deze 194 m2 grond heeft zij vijf nieuwe winkelpanden laten bouwen, die zij is gaan verhuren. De kiosk heeft de belanghebbende in 1993 laten slopen en zij heeft in haar aangifte over het jaar 1994 de helft van de boekwaarde van de kiosk ad fl. 154.524,=, derhalve voor fl. 77.261,=, ten laste van haar winst afgewaardeerd.

3. Het Hof stelt voorop, dat de kiosk in 1993 is gesloopt en dat de vraag of de boekwaarde ten laste van de winst kan worden gebracht of bij de boekwaarde van het nieuwe perceel en de nieuwe opstallen moet worden geboekt in beginsel beantwoord moet worden voor het jaar 1993. De Inspecteur heeft echter uitdrukkelijk verklaard geen ambtshalve vermindering over 1993 te zullen verlenen, zodat een eventueel herstel van deze fout in het laatst openstaande jaar, 1994, dient te geschieden.

4. Gelet op het feit, dat de belanghebbende in 1993 een bedrag van fl. 12.996,= heeft geïnvesteerd in de kiosk, dat de sloop van de kiosk samenhangt met en logischerwijze voortvloeit uit de brandveiligheidvoorschriften en de overeenkomst, dat een gedeelte van de reeds in haar bezit zijnde grond deel uitmaakt van het perceel waarop de vijf nieuwe winkelpanden zijn gebouwd, en dat de belanghebbende de van F BV ontvangen (schade)vergoeding ten behoeve van de kiosk heeft afgeboekt op de kostprijs van de vijf nieuwe winkelpanden op het nieuwe perceel grond, is het Hof van oordeel, een en ander tezamen beschouwd, dat de boekwaarde van de kiosk met inbegrip van de waarde van de grond ad fl. 154.524,= is opgeofferd ten behoeve van de nieuw verkregen grond en de nieuwe opstallen en tot de kostprijs hiervan dient te worden gerekend. Het Hof is voorts van oordeel, dat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bedrijfswaarde van de kiosk vóór de sloop beneden de boekwaarde lag, nu zij in 1993 nog in de kiosk heeft geïnvesteerd en zij aan G BV huurnota's heeft verstuurd voor het gebruik van de kiosk. Aan dit laatste oordeel doet niet af, dat dit gebruik niet met instemming van de belanghebbende was en dat deze nota's niet zijn betaald. Gesteld noch gebleken is, dat ultimo 1994 de bedrijfswaarde van het nieuwe perceel en de daarop gebouwde nieuwe opstallen, welke groter in omvang zijn dan de kiosk, lager is dan de boekwaarde ad fl. 802.098,= (exclusief de afwaardering van de kiosk ad fl. 77.261,=). Nu de Inspecteur in de conclusie van dupliek zijn stelling, dat de boekwaarde van de kiosk aan de waarde van de grond van het nieuwe perceel moet worden toegerekend, heeft laten varen behoeft deze stelling geen behandeling meer.

5. Het Hof overweegt ambtshalve nog het volgende. Uit het vertoogschrift blijkt dat de belanghebbende in de aangifte een afschrijving in aanmerking heeft genomen van fl. 8.101,= voor 4 maanden in 1994, uitgaande van 3% afschrijving op de boekwaarde per jaar. Hieruit blijkt, dat, in strijd met de opstelling op bladzijde 4 van het rapport van de Inspecteur d.d. 13 november 1997 inzake een boekenonderzoek, is afgeschreven op basis van een bedrag van fl. 810.100,=. Derhalve is tevens afgeschreven op de waarde van de grond ad fl. 231.500,= ((30 m2 x fl. 508,33) + (164 m2 x fl. 1.500,=) - (30 m2 x (fl. 1.500,= - fl. 508,33)). De aanslag is derhalve eerder te laag dan te hoog, nu ingevolge goed koopmansgebruik (artikel 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet VpB 1969) jo artikel 9 Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964)) op grond niet dient te worden afgeschreven.

6. Gelet op het vorenoverwogene is met betrekking tot de afwaardering van de kiosk het gelijk aan de zijde van de Inspecteur.

Afwaardering vordering

7. Vaststaat, dat de belanghebbende en H, zoon van de I, voormalig vennoot in de na te noemen vennootschap onder firma, tot 1 juli 1991 vennoot waren in de vennootschap onder firma J, waarbij ieder voor 50% deelde in de resultaten. Op 30 juni 1991 is H uit de vennootschap onder firma getreden en op 1 juli 1991 is K, schoonzoon van de directeur-grootaandeelhouder van de belanghebbende in het onderhavige jaar, tot de vennootschap onder firma toegetreden. De vennootschap onder firma had ultimo 1991 een vordering op H van fl. 68.539,98. Na diverse mutaties, waaronder de rentebijschrijvingen over de jaren 1992 en 1993, is door middel van een boeking ten laste van de kapitaalrekening van de belanghebbende de vordering voor een bedrag van fl. 58.734,58 van de balans van vennootschap onder firma weggeboekt. De vordering is door de maatschap niet aan de belanghebbende gecedeerd. De vordering is door de vennootschap onder firma of de belanghebbende niet kwijtgescholden.

8. Het Hof is van oordeel, dat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vordering niet inbaar was en dat de waarde in het economische verkeer lager was dan de nominale waarde. De vraag of een geldvordering een lagere waarde in het economische verkeer heeft dan de nominale waarde wordt met name bepaald door de vermogenspositie van de schuldenaar; aangaande die vermogenspositie heeft de belanghebbende niets aannemelijk gemaakt. Evenmin heeft de belanghebbende andere feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt, waaruit zou volgen dat de waarde in het economische verkeer van de geldvordering lager zou zijn dan de nominale waarde. Met name heeft de belanghebbende niet aan haar bewijslast voldaan met haar stelling, dat zij om haar en haar directeur-grootaandeelhouder moverende redenen niet tot invordering van de vordering wenste over te gaan. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat de belanghebbende haar stellingen - tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur - dat het bedrag van de vordering moet worden beschouwd als een vergoeding voor de door H verrichte arbeid en de daaruit voortvloeiende hogere winst in de afgelopen 16 à 17 jaar, en dat het bedrag van de vordering moet worden beschouwd als een vergoeding voor goodwill niet aannemelijk heeft gemaakt. Derhalve kan op grond van goed koopmansgebruik (artikel 8 Wet VpB 1969 jo artikel 9 Wet IB 1964) in het onderhavige jaar geen last uit hoofde van afwaardering van de vordering worden genomen. In het midden kan blijven of de belanghebbende uit het oogpunt van een juiste bepaling van de totaalwinst (artikel 8 Wet VpB 1969 jo artikel 7 Wet IB 1964) de gehele vordering ten laste van haar winst kon afwaarderen of dat een juiste bepaling van de totaalwinst meebrengt dat de vordering ten laste van de winst van de vennootschap onder firma moet worden gebracht, in welk laatste geval de belanghebbende in ieder geval niet meer dan 50% van het resultaat van de vennootschap onder firma in haar winst tot uitdrukking kan brengen.

9. Op grond van het onder 7 en 8 overwogene is met betrekking tot de afwaardering van de vordering over het jaar 1994 het gelijk aan de zijde van Inspecteur.

10. Het beroep is ongegrond. Voor dit geval is niet in geschil, dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 2 oktober 2001 door P. Fortuin, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van D. Koopmans, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 10 oktober 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor de belanghebbende f 150,--.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van ƒ 150,-- verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.