Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AD5040

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-10-2001
Datum publicatie
02-11-2001
Zaaknummer
98/02437
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/02437

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling Publiekszaken van de gemeente P (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift betreffende de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken aan belanghebbende gezonden beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak I (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 1995 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000.

De mondelinge behandeling

Deze heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 18 september 2001 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord de belanghebbende en zijn echtgenote, alsmede de ambtenaar, A, tot zijn bijstand vergezeld van B, jurist bij taxatiebureau C BV te Q.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 2 oktober 2001, de volgende monde-linge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de bij de beschikking voor de onroerende zaak vastgestelde waarde tot een waarde van fl. 351.000,=; en

- gelast dat de ambtenaar aan belanghebbende het gestorte griffierecht ten bedrage van fl. 80,= vergoedt.

De gronden voor de beslissing

1. Bij voormelde beschikking heeft de ambtenaar de waarde van belanghebbendes onroerende zaak vastgesteld op fl. 361.000,= en bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2. De ambtenaar, op wie de bewijslast rust van de juistheid van de in geschil zijnde waarde van de onroerende zaak, beroept zich op een taxatierapport en ter ondersteuning daarvan op de opbrengst behaald bij verkoop van een aantal met de onroerende zaak vergelijkbare objecten.

3. Het Hof heeft onvoldoende reden aan de betrouwbaarheid van dit taxatierapport te twijfelen. De belanghebbende heeft geen taxatierapport of gegevens van gelijk gewicht overgelegd.

4. De belanghebbende verdedigt een waarde van de onroerende zaak van fl. 241.000,=. In het taxatierapport is rekening gehouden met de door belanghebbende aangevoerde waardedrukkende onderhoudssituatie van de onroerende zaak.

5. Voor de benadering van de waarde van een onroerende zaak kan het beste worden uitgegaan van de waarde van op of omstreeks de peildatum verkochte vergelijkbare objecten, rekening houdende met afwijkende objectkenmerken zoals een grotere inhoud en een groter perceel. Het door de belanghebbende kennelijk voorgestane systeem waarbij hij uitgaat van het gemiddelde van de WOZ - waarden van door de ambtenaar aangevoerde referentiepanden kan niet worden gevolgd.

6. De omstandigheid dat de door de ambtenaar ter vergelijking aangevoerde objecten andere objectkenmerken hebben, brengt nog niet met zich dat deze objecten niet als vergelijkbaar met de onroerende zaak kunnen worden bestempeld. Wel is van belang dat bij de vergelijking met zodanige verschillen rekening wordt gehouden. De ambtenaar heeft gemotiveerd gesteld dat zulks is geschied.

7. De belanghebbende stelt dat de bestreden uitspraak onvoldoende dan wel onzorgvuldig is gemotiveerd. Daargelaten wat daarvan zij, merkt het Hof op dat deze klacht ongegrond is reeds omdat blijkens de jurisprudentie de loop van de procedure in belastingzaken meebrengt dat, indien de uitspraak op een bezwaarschrift niet of niet voldoende met redenen is omkleed, dit alleen ten gevolge heeft dat het Hof, zo het de uitspraak van de ambtenaar bevestigt, verplicht is zelf de gronden daarvoor in zijn uitspraak op te nemen (onder meer: de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 4 april 1973, nummer 17 036, BNB 1973/117, van 25 oktober 1978, nummer 18 967, BNB 1978/311, van 26 maart 1980, nummer 19 418, BNB 1980/161, en van 4 mei 1994, nummer 29 841, BNB 1994/195).

8. De ambtenaar verdedigt in zijn vertoogschrift de waardevaststelling van de onroerende zaak met een beroep op een taxatierapport en andere motiveringen, welke niet ten grondslag hebben gelegen aan zijn in de bezwaarfase ingenomen standpunt. Dit is niet in strijd met het tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur behorende vertrouwensbeginsel. Het vertrouwensbeginsel verzet zich niet ertegen dat een ambtenaar voor het Hof de juistheid van de beschikking baseert op andere gronden dan hij bij de uitspraak op het bezwaar heeft aangevoerd, zoals het ook een belastingplichtige vrij staat in beroep de juistheid van de beschikking te bestrijden op andere gronden dan hij in de bezwaarfase heeft aangevoerd (arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 7 oktober 1998, nummer 33 577, BNB 1999/33).

9. Uit de door de ambtenaar overgelegde brief van de belanghebbende van 25 augustus 1996 met betrekking tot overlast vanwege zwerfafval en het antwoord van de gemeente op die brief komt naar voren dat de eventuele overlast vanwege zwerfafval alleen betrekking heeft op de periode na 1 januari 1995. De belanghebbende heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat op de waardepeildatum rekening dient te worden gehouden met een waardedrukkend effect ten gevolge van overlast vanwege zwerfafval.

10. Ter zitting heeft de ambtenaar aangevoerd dat de grondprijs zijns inziens gesteld moet worden op fl. 155,= per m2 in plaats van fl. 175,= per m2 zoals in de door de ambtenaar overgelegde matrix is vermeld. Het perceel van de onderhavige onroerende zaak is 508 m2 groot.

11. De belanghebbende voert aan dat de aanwezigheid van asbestplaten in de kapconstructie een waardedrukkend effect heeft. Het Hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat op 1 januari 1995 de aanwezigheid van asbesthoudende materialen een aanwijsbare waardedrukkende invloed had op de waarde van de onderhavige onroerende zaak.

12. Gelet op het vorenstaande dient de waarde van de onroerende zaak te worden verminderd met fl. 10.000,= tot een waarde van fl. 351.000,=.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, nu de belanghebbende daarom niet heeft verzocht en ook niet is gebleken dat de belanghebbende, die zich niet heeft laten bijstaan door een beroepsgemachtigde, kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten fiscale procedures heeft gemaakt.

Aldus vastgesteld op 2 oktober 2001 door P. Fortuin, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van D.J. Koopmans, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 4 oktober 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende f 150,--.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van ƒ 150,-- verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.