Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AD4819

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-10-2001
Datum publicatie
25-10-2001
Zaaknummer
99/01188
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 1503
FutD 2001-2054

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/01188

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de door het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) gedane uitspraak van 2 april 1999 op het bezwaarschrift betreffende de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996.

De mondelinge behandeling

Deze heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 18 september 2001 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord de belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 2 oktober 2001, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

De gronden voor de beslissing

1. Vaststaat dat de belanghebbende bij overeenkomst van 13 januari 1996 (hierna: koopovereenkomst) het onderhavige bedrijfspand en woonhuis heeft verkocht aan Beleggingsmaatschappij T. In deze koopovereenkomst is in artikel 15.2 bepaald, dat de overdracht van de eigendom zal plaatsvinden tussen 1 mei 1999 en 1 mei 2001. In artikel 15.6 wordt van de totale koopsom ad fl. 1.100.000 een bedrag van fl. 600.000,= toegerekend aan het bedrijfspand en fl. 500.000,= aan het woonhuis. In artikel 10 van vorenbedoelde koopovereenkomst is bepaald dat het onderhavige bedrijfspand en woonhuis met ingang van het moment van het tekenen van de akte van levering voor risico van de koper is, tenzij de feitelijke levering eerder plaats heeft, in welk geval het risico met ingang van die dag overgaat op de koper. Uit artikel 15.1 volgt, dat de feitelijke levering plaatsvindt op 1 mei 1996. De eigendomsoverdracht van het onderhavige bedrijfspand en het woonhuis heeft bij akte van levering in april 2001 plaatsgevonden.

2. Voorts staat vast, dat de belanghebbende het onderhavige bedrijfspand en het woonhuis bij overeenkomst van 13 januari 1996 (hierna: huurovereenkomst) conform artikel 15.3 van de koopovereenkomst heeft verhuurd aan Beleggingsmaatschappij T voor een huur van fl. 120.000,= per jaar.

3. De belanghebbende heeft zijn onderneming op 1 mei 1996 gestaakt. De boekwaarde van het bedrijfspand bedroeg op deze datum fl. 439.117,=. De woning behoorde op deze datum tot het privé-vermogen.

4. In geschil is het antwoord op de vraag of bij de bepaling van de winst ten tijde van de staking van de onderneming moet worden uitgegaan van een waarde van het bedrijfspand ad fl. 520.000,=, zoals de belanghebbende stelt, of van fl. 850.000,=, zoals de Inspecteur stelt.

5. In het ten behoeve van de Inspecteur opgestelde taxatierapport is de koopsom ad fl. 1.100.000,= gesplitst in een bedrag van fl. 850.000,= voor het bedrijfspand en fl. 260.000,= voor het woonhuis. De belanghebbende heeft een taxatierapport overgelegd, waarin de waarde van het bedrijfspand is bepaald op fl. 520.000,= op 15 november 1995.

6. In het ten behoeve van de Inspecteur opgestelde taxatierapport wordt de waarde van het bedrijfspand van fl. 850.000,= onderbouwd uitgaande van het gegeven dat het bedrijfspand en het woonhuis zijn verhuurd aan een derde voor fl. 120.000,= per jaar. Ten tijde van het opstellen van het door de belanghebbende overgelegde taxatierapport was de huurovereenkomst nog niet gesloten; in dat rapport is derhalve geen rekening gehouden met het gegeven dat het bedrijfspand en het woonhuis zijn verhuurd aan een derde voor fl. 120.000,= per jaar.

7. Gelet op het gegeven dat het bedrijfspand en het woonhuis op 1 mei 1996 waren verhuurd aan een derde voor fl. 120.000,= per jaar, mede gelet op het feit dat de belanghebbende voor de toepassing van artikel 42a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) een waarde van het woonhuis voor de inkomstenbelasting over het jaar 1996 in aanmerking genomen heeft van fl. 190.000,= en mede gelet op het feit, dat volgens het rapport van het boekenonderzoek van 7 oktober 1998 in de beschikking Wet waardering onroerende zaken aan het woonhuis een waarde per 1 januari 1995 is toegekend van fl. 248.000,=, acht het Hof, een en ander tezamen beschouwd, de bepaling van de waarde door de Inspecteur op fl. 850.000,= voor het bedrijfspand en op fl. 260.000,= voor het woonhuis aannemelijk. Het Hof neemt hierbij in aanmerking, dat de belanghebbende zijn stelling dat een deel van de in de huurovereenkomst overeengekomen huur diende ter vergoeding van de overname door Beleggingsmaatschappij T van de handelsnaam inclusief goodwill, tapijtrekken, drie bestelauto’s, overige inventaris en van het aangaan door de belanghebbende van een anticoncurrentiebeding, -tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur- op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt.

8. Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur.

9.1. Ambtshalve overweegt het Hof het volgende. De belanghebbende heeft verzocht te doteren aan de Fiscale Oudedags Reserve (hierna: FOR). De Inspecteur heeft per abuis een bedrag van fl. 7.778,= als dotatie in aanmerking genomen. Als grondslag voor de dotatie moet in aanmerking worden genomen de jaarwinst van fl. 33.249,= negatief en de stakingswinst ad fl. 390.883,= (zijnde fl. 850.000,= (waarde van het bedrijfspand) -/- fl. 439.117,= (boekwaarde) -/- fl. 20.000(stakingswinstvrijstelling op de voet van artikel 8, eerste lid, onderdeel d Wet IB 1964)), derhalve in totaal fl. 357.634,=. Ingevolge artikel 44e, tweede lid Wet IB 1964 bedraagt de dotatie aan de FOR fl. 19.913,=.

9.2. Uitgaande van de beginstand van de FOR van fl. 190.607,= bedraagt de vrijval van de FOR over 1996 fl. 210.520,= (artikel 44f, eerste lid, onderdeel c Wet IB 1964). Het bedrag dat in beginsel belast moet worden naar het tarief van artikel 57, tweede lid Wet IB 1964 bedraagt fl. 601.403,=,=, berekend als volgt: fl. 210.520,= (vrijval FOR) +/+ fl. 390.883,= (zijnde fl. 410.883,= (boekwinst) -/- fl. 20.000,= (stakingswinstvrijstelling op de voet van artikel 8, eerste lid, onderdeel d Wet IB 1964)). Het in de aanslag begrepen belastbare inkomen bedraagt fl. 581.808,= en de in de aanslag begrepen belastbare som fl. 567.802,=. Over de eerste fl. 45.325,= is 6,35% inkomstenbelasting geheven, zodat ingevolge artikel 57, eerste lid, aanhef Wet IB 1964 een bedrag van fl. 522.477,= is belast naar het tarief van artikel 57, tweede lid Wet IB 1964.

9.3. Uit het overwogene in 9.1 en 9.2 en artikel 57, eerste lid, aanhef Wet IB 1964 volgt, dat het in aanmerking nemen van het juiste bedrag voor de dotatie aan de FOR en het juiste bedrag voor de vrijval van de FOR niet kan leiden tot een vermindering van de aanslag.

10. Uit het vorenoverwogene volgt dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 2 oktober 2001 door P. Fortuin, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van D. Koopmans, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 4 oktober 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende f 150,--.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van ƒ 150,-- verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.