Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AD4818

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-10-2001
Datum publicatie
25-10-2001
Zaaknummer
98/03610
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 1534
FutD 2001-2048

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/03610

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid douane district te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift tegen de hem zonder verhoging opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM), aanslagnummer 1.

1. Ontstaan en loop van het geding

De vorenvermelde naheffingsaanslag is opgelegd tot een bedrag van fl. 15.278,= aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging.

Na tijdig daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 80,=. De Inspecteur heeft het beroepschrift bij vertoogschrift bestreden.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 28 juni 2000 te

‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

Tot de stukken van het geding behoort de na voormelde mondelinge behandeling op de voet van artikel 14, lid 1, sub 2°, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken met partijen gevoerde briefwisseling, waarbij het bepaalde in artikel 16 van deze wet is nageleefd.

Partijen hebben schriftelijk verklaard geen behoefte te hebben aan een tweede mondelinge behandeling.

Het Hof rekent genoemde stukken tot de stukken van het geding.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is woonachtig in Nederland op het adres Astraat 1 in Y. Hij is hoofd van het eenmansbedrijf Zarbeiten, een grondverzet- en loonbedrijf, aan de Aweg 1 te Q in Duitsland.

2.2. Ter beschikking van belanghebbende staat een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type C220, met het Duitse kenteken AAA-AA 111 (hierna: de auto).

2.3. Op 7 mei 1997 hebben twee ambtenaren van de belastingdienst douane post L een controle uitgevoerd te M (Nederland). Zij hebben toen geconstateerd dat belanghebbende hier te lande met de auto van de openbare weg gebruik maakte. Belanghebbende was toen niet in het bezit van een vergunning om met vrijstelling van BPM in Nederland van de auto gebruik te maken (hierna: vrijstellingsvergunning). Belanghebbende heeft bij deze controle onder meer het volgende naar voren gebracht.

“Ik ben nu particulier onderweg naar de T in N voor het halen van onderdelen.

Als ik met mijn vrachtauto met Duits kenteken onderweg ben, heb ik nooit problemen. Ik ga vanmiddag bellen naar L voor een aanvraag van een vergunning. Als ze moeilijk doen voer ik de auto wel in.”.

2.4. Op zondag 18 januari 1998 wordt belanghebbende door twee ambtenaren van de belastingdienst van genoemde douane post opnieuw met de auto op de openbare weg aangetroffen, ditmaal in zijn woonplaats Y. Hij was toen in gezelschap van zijn vriendin onderweg van O naar Y.

Ook ditmaal was belanghebbende niet in het bezit van een vrijstellingsvergunning. Bij deze controle heeft belanghebbende een mededeling ontvangen. Hierin staat onder meer het volgende.

“Bij de controle is geconstateerd dat er aanleiding kan bestaan u een naheffingsaanslag BPM op te leggen met eventueel een administratieve boete wegens het niet of niet tijdig voldoen van de belasting. Deze naheffingsaanslag kunt u vanaf drie weken na het tijdstip van de controle verwachten.”.

Belanghebbende heeft hierbij onder meer het volgende naar voren gebracht.

“Ik heb na de controle telefonisch contact opgenomen met

L, daar was op dat moment niemand aanwezig die mij verder kon helpen. Ik ben van mening dat ik zonder problemen en zonder vergunning in een Duitse auto kan rijden, daar ik een bedrijf in Duitsland heb.”.

2.5. De Inspecteur heeft op 4 maart 1998 de naheffingsaanslag opgelegd, uitgaande van 7 mei 1997 als datum van aanvang van het gebruik met de auto in Nederland van de openbare weg. Het bedrag van de aanslag ad fl. 15.278,= is op zichzelf beschouwd niet in geschil.

2.6. Bij schrijven van 8 september 1998, ingekomen op de douane post L op 30 september 1998, heeft belanghebbende verzocht om vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen voor de auto. De Inspecteur heeft naar aanleiding van dat verzoek op grond van artikel 14 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, juncto artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 aan belanghebbende vergunning verleend om met voorwaardelijke vrijstelling van BPM hier te lande gebruik te maken van de auto voor de afstand van de in het buitenland gelegen werkplaats naar de woonplaats en omgekeerd zonder dat registratie van de auto in Nederland noodzakelijk is.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur daarentegen bevestigend.

Het Hof verstaat belanghebbende aldus dat hij van mening is dat de naheffingsaanslag niet had behoren te worden opgelegd, omdat gewacht had behoren te worden op de vergunning-verlening als vermeld in 2.6, uit welke vergunning dan zou zijn gebleken dat belanghebbende, gelet op het gebruik van de auto, met vrijstelling van BPM met de auto van de openbare weg in Nederland gebruik kan maken.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Van al deze stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden aangemerkt. Partijen hebben hieraan ter zitting, zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd.

3.2.1. Belanghebbende

De grief, dat de belanghebbende door de Inspecteur onvoldoende is gehoord, wordt ingetrokken.

Betwist wordt dat belanghebbende bij de controle op 7 mei 1997 al een waarschuwing heeft ontvangen, nu de gemachtigde van belanghebbende deze waarschuwing niet bij de stukken van belanghebbende heeft aangetroffen, vóórdat het vertoogschrift met bijlagen aan belanghebbende was verzonden.

De naheffingsaanslag had niet opgelegd mogen worden. De Inspecteur had belanghebbendes verzoek om vrijstelling moeten afwachten. Dan was gebleken dat aanspraak kan worden gemaakt op de vrijstelling als onder 2.6 vermeld.

3.2.2. De Inspecteur

Op de vraag van het Hof wat toch het belang kan zijn van de vrijstellingsvergunning nadat de naheffingsaanslag is opgelegd, omdat toch slechts één keer wordt geheven en wel bij aanvang van het gebruik van de openbare weg, wordt geantwoord dat, nadat was vastgesteld dat het belastbare feit zich op 7 mei 1997 had voorgedaan, de vergunning niet meer van belang was.

Bestreden wordt dat bij de controle op 7 mei 1997 geen waarschuwing aan belanghebbende zou zijn uitgereikt, omdat de belastingdienst in dit soort gevallen juist door uitreiking van zo’n waarschuwing probeert te voorkomen dat ten tweede male met de niet geregistreerde personenauto van de openbare weg in Nederland gebruik wordt gemaakt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 1, vierde lid, van de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 1997; hierna: de Wet) bepaalt voor zover te dezen van belang dat ingeval een niet-geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon, de belasting verschuldigd is ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

4.2. Artikel 5, tweede lid, van de Wet bepaalt voor zover te dezen van belang dat met betrekking tot een niet-geregistreerde personenauto de belasting wordt geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.

4.3. Artikel 3, eerste lid, aanhef en eerste gedachtestreepje, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: het Besluit)bepaalt, voor zover te dezen van belang:

“1. Vrijstelling van belasting wordt verleend voor personenauto’s die zijn geregistreerd in het buitenland en die worden gebruikt door Nederlands ingezetenen die elders dan in Nederland hoofd zijn van een éénmansbedrijf, een en ander mits de eigenaar niet een werknemer is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c.”

In het tweede lid van artikel 3 is neergelegd dat de in het eerste lid bedoelde vrijstelling slechts wordt verleend indien de personenauto uitsluiten wordt gebruikt door de eigenaar of houder zelf en uitsluitend de afstand van de woonplaats naar de in het buitenland gelegen werkplaats en omgekeerd wordt overbrugd.

4.4. Met betrekking tot het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in 4.3, wordt in artikel 3, derde lid, van het Besluit aangesloten bij het bepaalde in artikel 2, tweede en derde lid, van het Besluit. Daarin is, voor zover te dezen van belang het volgende bepaald:

“2. De vrijstelling wordt door de Inspecteur op verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking verleend.

3. Het verzoek wordt bij de Inspecteur ingediend voor de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland met de personenauto.”

4.5. Uit de onder 2.1 tot en met 2.4 en 2.6 vastgestelde feiten blijkt dat belanghebbende een in Nederland woonachtig natuurlijk persoon is aan wie een niet-geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat. Voorts staat vast dat belanghebbende met deze auto in Nederland gebruik heeft gemaakt van de openbare weg, terwijl evenzeer vaststaat dat ten tijde van het door de Inspecteur op 7 mei 1997 en 18 januari 1998 geconstateerde gebruik van de weg geen vrijstelling van BPM was verleend voor de auto.

4.6. Nu belanghebbende als Nederlands ingezetene bij de aanvang van het gebruik met de auto van de openbare weg in Nederland niet over een vrijstellingsvergunning beschikte vloeit uit de onder 4.1 tot en met 4.4 aangehaalde bepalingen, voort dat in casu terecht BPM van belanghebbende is geheven.

4.7. Belanghebbendes stelling dat hem bij de controle op 7 mei 1997 geen waarschuwing is uitgereikt, vermag hem niet te baten. Uit hetgeen onder 2.3 en 2.4 is vermeld, volgt naar het oordeel van het Hof dat belanghebbende, ongeacht het antwoord op de vraag of hem bij de controle op 7 mei 1997 al dan niet een (officiële) waarschuwing is uitgereikt, bij deze eerste controle in voldoende mate is medegedeeld wat de inhoud is van de wettelijke bepalingen die gelden voor een situatie waarin hij zich toen bevond. Voorts volgt uit hetgeen belanghebbende bij de eerste en tweede controle heeft aangevoerd, als vermeld in 2.3 en 2.4, dat hij zich van die wettelijke bepalingen en de toepassing daarvan in zijn situatie volledig bewust is geweest.

4.8. Voorts kan aan ’s-Hofs onder 4.6 gegeven oordeel niet afdoen dat aan belanghebbende, zoals onder 2.6 vermeld, uiteindelijk aan belanghebbende vergunning is verleend om met voorwaardelijke vrijstelling van BPM de auto in Nederland te gebruiken. De verleende vrijstelling ziet immers uitsluitend op het woon-werkverkeer van belanghebbende tussen zijn woonplaats Y in Nederland en zijn werkplaats te Q in Duitsland. Uit hetgeen onder 2.3 en 2.4 is weergegeven is af te leiden dat belanghebbende de auto ten tijde van het door de Inspecteur geconstateerde gebruik niet bezigde in het kader van het woon-werkverkeer waarvoor hem bedoelde vrijstellingsvergunning is verleend. Ook indien belanghebbende tijdens de onder 2.3 en 2.4 vermelde controles in het bezit zou zijn geweest van de vrijstellingsvergunning, had deze vergunning hem niet kunnen baten, omdat ook in dat geval belanghebbende de onderwerpelijke belasting verschuldigd zou zijn geweest, nu hij de auto niet bezigde voor de doeleinden waarvoor hij met toepassing van de vrijstelling van de auto gebruik had mogen maken.

4.9. Op grond van het vorenoverwogene moet de onder 3.1 geformuleerde vraag bevestigend worden beantwoord. Mitsdien moet in de door de Inspecteur voorgestane zin worden beslist. Voor dat geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

5. Griffierecht en proceskosten

Nu het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is en bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Het beroep ongegrond bevindende, acht het Hof geen termen aanwezig om de Inspecteur op de voet van artikel 5, zevende lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken te gelasten belanghebbende het door hem gestorte griffierecht geheel of gedeeltelijk te vergoeden.

6. De beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 4 oktober 2001 door M.E. van Hilten, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van D.G. Moll van Charante, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend aan partijen verzonden op: 4 oktober 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.