Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AD4516

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-10-2001
Datum publicatie
11-10-2001
Zaaknummer
Kl. 01.0138
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Kl. 01.0138

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 oktober 2001

inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

[naam klaagster],

hierna aan te duiden als klaagster,

wonende te [woonplaats],

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van haar advocaten

mrs. N.C.J. Meijering en M.E. van der Werf,

over de beslissing van de officier van justitie tot het niet vervolgen van:

[naam beklaagde],

hierna aan te duiden als beklaagde,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat

mr. J.F.M. Wasser,

wegens doodslag subsidiair (zware) mishandeling de dood ten gevolge hebbend.

De feitelijke gang van zaken.

Op 19 december 2000 is namens klaagster aangifte gedaan van doodslag, beweerdelijk gepleegd door beklaagde bij gelegenheid van een schietincident op 16 december 2000 op [naam slachtoffer] (verder [slachtoffer]), echtgenoot van klaagster.

Op 21 mei 2001 is door de hoofdofficier van justitie aan klaagster bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat uit het zeer uitgebreide tactische en tecnisch onderzoek gebleken zou zijn dat beklaagde zich terecht op noodweer kan beroepen.

Hierop is namens klaagster op 18 juni 2001 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van dit hof op 18 juni 2001, met het verzoek de verlangde vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 27 juli 2001 het hof geraden het beklag af te wijzen.

Op 19 september 2001 is het klaagschrift in raadkamer van dit hof behandeld in aanwezigheid van klaagster, bijgestaan door haar advocaten. De advocaat-generaal heeft verklaard te persisteren bij het schriftelijk verslag.

Het hof heeft kennisgenomen van alle stukken en een reeks videoreconstructies.

In deze beschikking zijn de code met betrekking tot de betrokken politieambtenaren gehanteerd, zoals deze in alle stukken zijn weergegeven.

Dit zijn beklaagde en [agent 1], zittende in de auto met code 12.01;

[agent 2] en [agent 3], zittende in de auto met code 12.04 en

[agent 4] en [agent 5], zittende in de auto met code 18.21.

De feiten.

I. Gebeurtenissen, voor zover hier van belang, die aan het schietincident vooraf gingen, zoals deze blijken uit het relaas van verbalisanten

Op zaterdag 16 december omstreeks 08.38 uur meldt [buurman], wonende [adres 1] te [woonplaats], dat hij aan het verhuizen is en wordt bedreigd door zijn buurman [slachtoffer], [adres 2] aldaar.

Om 08.50 uur wordt beklaagde op de hoogte gesteld door de meldkamer van vorenstaande melding. Tevens verneemt hij dat het schijnbaar een langdurig probleem is en dat er diverse meldingen in het systeem opgeslagen zijn. Ook wordt hem verteld dat er pas geleden nog aangifte is gedaan

[agent 1] hoort beklaagde bellen met de meldkamer en krijgt het verzoek naar de [adres] gaan in verband met een bedreiging, en dat hij, [agent 1], naar de aanwezigheid van twee collega's moet kijken omdat de man waarover de melding gaat nogal agressief zou zijn. [agent 1] vraagt aan [agent 3] en [agent 2] of zij mee willen rijden naar de [adres 1] i.v.m. bedreiging door de buurman van [adres 2].

[agent 2] verklaart tevens dat [agent 1] hem vertelde dat de bewoner van [adres 2] een lastige klant was en een kickbokser betrof. Hij was niet bekend met de omstandigheden van de burenruzie en de achtergrond ervan.

[agent 3] verneemt van beklaagde dat ene [slachtoffer] bij de burenruzie is betrokken en dat deze een kickbokser zou zijn. Blijkens de schriftelijk weergegeven gesprekken is aan beklaagde ook nog door de meldkamer gemeld dat [slachtoffer] bokser is, geen politievriend en onberekenbaar. Daarnaast wordt gemeld dat [slachtoffer] in geschorste bewaring zit in afwachting van opname in [een psychiatrische kliniek].

Omstreeks 08.59 uur melden auto's met code 12.01 en de 12.04 zich ter plaatse. Afgesproken wordt dat de 12.04 op de achtergrond blijft. Beklaagde en [agent 1] lopen de woning [adres 1] binnen en spreken met aangever [buurman] over zijn melding en over de aangifte van de dag ervoor ter zake bedreiging door [slachtoffer]. Aan beklaagde wordt het proces-verbaal van die aangifte getoond. Hierin wordt melding gemaakt van verbale bedreiging met de dood. In de woning bevindt zich een getuige van de bedreiging van die ochtend. Om 09.01 uur meldt beklaagde dat hij op het adres [adres 1] zit en dat alles rustig is.

Vervolgens gaat [agent 1] naar buiten om de surveillanceauto die voor perceel [adres 1] staat geparkeerd te verzetten ten behoeve van de verhuizing. Wanneer [agent 1] daarmee bezig is ziet hij (naar later blijkt te zijn) [slachtoffer] vanuit [adres 2] met snelle pas naar buiten komen en in de richting van [adres 1] gaan. In de tuin van [adres 1] wordt iemand die bezig is met verhuizen door deze [slachtoffer] zonder aanleiding met een professionele korte bokserslag geraakt.

Beklaagde hoort, terwijl hij nog in de woning [adres 1] verblijft, "Hij is weer bezig" of iets dergelijks en ziet via de openstaande deuren [slachtoffer] aankomen in de richting van de voordeur van [adres 1]. Hij ziet daarbij dat een van de verhuizers in de richting van de voordeur van [adres 1] wordt gedrongen.

[agent 1] duwt een boze en opgefokte [slachtoffer] met kracht tweemaal naar achteren en zegt hem rustig te blijven. Beklaagde ziet dit ook en doet hetzelfde terwijl [slachtoffer] opgefokt blijft. [slachtoffer] blijft proberen richting [adres 1] te gaan.

Tijdens het duwen, rond 09.05 uur, roept de 12.01 de 12.04 op, maar dit bericht gaat door een ander bericht heen. De 12.04 roept tweemaal de 12.01 op, maar krijgt geen reactie. De derde maal wordt wel gereageerd: "12.04

deze kant op". Het is dan 09.06.33 uur.

Tijdens of direct na de oproep van de 12.01 vindt een schermutseling plaats waarbij [slachtoffer] op enig moment op de grond belandt. [slachtoffer] blijft zich verzetten door onder meer [agent 1] tegen het hoofd te slaan. Om de weerstand te breken geeft [agent 1] onder meer een knietje tegen het hoofd van [slachtoffer]. Op een gegeven moment staan de drie allen overeind. [slachtoffer] loopt naar zijn woning. [agent 1] roept dat [slachtoffer] is aangehouden, aldus beklaagde. [slachtoffer] grijpt naar zijn

hoofd, naar de plaats waar [agent 1] hem geraakt heeft, vloekt richting [agent 1] en komt weer op hem afgelopen. Daarop pakt [agent 1] de pepperspray en dreigt met gebruik hiervan.

Vervolgens loopt [slachtoffer] de woning binnen. De voordeur laat hij openstaan. Beklaagde volgt, naar zijn zeggen omdat [slachtoffer] zich aan de aanhouding die door [agent 1] buiten is verricht heeft onttrokken door zich los te rukken. [agent 1] stelt te volgen om over het incident met de buren te praten. [slachtoffer] maakt geen bezwaar tegen het binnentreden van beklaagde en [agent 1], aldus [agent 1].

Om 09.06 uur komt de auto met code 12.04 door. Om 09.07 uur wordt gemeld dat de 12.01 binnen is op [adres 2] en dat de zaak rustig is. Wel wil men de 12.04 ter plaatse hebben. [agent 3] en [agent 2] van de 12.04 zien bij aankomst de collega's in de deuropening en de hal, met een grote persoon erbij die later [slachtoffer] blijkt te zijn. Zij volgen en gaan ook de gang in.

Beklaagde, [agent 1] en [slachtoffer] lopen de woonkamer binnen. [slachtoffer] bedreigt [agent 1] in de woonkamer en [agent 1] zegt hem dat hij wordt aangehouden. [agent 2] en [agent 3] die inmiddels ook in de woning zijn horen [agent 1] zeggen dat hij [slachtoffer] aanhoudt. [agent 1], die als een rode lap op een stier werkt bij [slachtoffer], verlaat de woning.

Omstreeks 09.09 uur meldt de 18.21, waarin [agent 4] en [agent 5], dat ze gaat assisteren. Ter plaatse horen [agent 4] en [agent 5] van [agent 1], die inmiddels buiten de woning is, wat er is voorgevallen, dat het rustig is en dat ze weg kunnen gaan. Vervolgens zien en horen meerdere verbalisanten dat [slachtoffer] [agent 1] meermalen bedreigt door, kijkend in de richting van [agent 1], met zijn hand langs zijn keel te gaan en te dreigen dat hij de "vuile kutjoegoslaaf" zal afmaken. Beklaagde laat [slachtoffer] duidelijk blijken dat hij mee moet naar het bureau om het gesprek voort te zetten.

Dan arriveert [naam getuige 1] (verder [getuige 1]), vriend van [slachtoffer]. Blijkens de verklaring van [agent 2] roept [slachtoffer] dan: "Flikker op, dit is mijn huis. Mijn vriend komt er aan". [getuige 1] probeert tevergeefs [slachtoffer] te kalmeren.

De ter plaatse aanwezige verbalisanten [getuige 1] leggen kort uit wat er is gebeurd. [getuige 1] verneemt ook nog van [slachtoffer] dat de buren hem aan het intimideren zijn. Op enig moment stelt [getuige 1] voor dat [slachtoffer] zich meldt op het politiebureau. Men vertelt hem dat men zich dan om 09.45 uur moet melden op het bureau. Vervolgens gaat [getuige 1] de kamer in om met [slachtoffer] te praten.

[slachtoffer] reageert luidkeels negatief op dat voorstel. [agent 2] constateert op een moment waarop hij met enkele anderen in de woonkamer staat dat [slachtoffer] richting aanrecht loopt, in een lade graait en hard wordt weggeduwd door [getuige 1]. Dit is voor [agent 2] een reden om zich terug te trekken van de woonkamer naar de gang, om de mogelijkheid van vluchten open te houden.

[getuige 1] bevestigt dit graaien van [slachtoffer] in de lade en zijn eigen reactie daarop. Op enig moment komen klaagster en [naam getuige 2] (verder [getuige 2]), schoonzus van [slachtoffer], binnen met twee kinderen. [getuige 2] en klaagster zien [slachtoffer] buiten (zie ook verklaring [agent 2], die zegt dat [slachtoffer] de voordeur wilde openen "omdat het zijn huis was"). Zij horen van [slachtoffer] direct het verhaal over de buren en de schermutseling met de verbalisanten op straat. [slachtoffer] laat verwondingen aan zijn knie zien. Zowel [getuige 1] als klaagster en [getuige 2] zien dat [slachtoffer] opgefokt is en/of zeer agressief. Wanneer [slachtoffer] in de woonkamer is laat hij duidelijk merken niets met de verbalisanten te maken te willen hebben. Klaagster overlegt nog met de politieagenten in de gang, en gaat op enig moment naar buiten. Daar gaat zij richting buren, waardoor [agent 4] en [agent 1] zich genoodzaakt zien haar te kalmeren.

Dan stormt [slachtoffer] vanuit de woonkamer de gang in en roept: "Wat doen ze met mijn vrouw", maar hij wordt tegengehouden door 3 politiemannen die dan in de gang staan. Men wil in elk geval verhinderen dat [slachtoffer] naar buiten gaat, dit om verdere problemen met de buren te voorkomen. Er wordt geduwd en getrokken. Beklaagde wil [slachtoffer] dan boeien en meenemen, maar het lukt zijn collega's en hem niet [slachtoffer] onder controle te krijgen. Het lukt [slachtoffer] beklaagde een kopstoot te geven. Doordat beklaagde [slachtoffer] ziet uithalen kan hij zijn hoofd nog achteruit brengen. Hiermee voorkomt hij een volle kopstoot maar hij wordt desondanks geraakt.

Tijdens deze schermutseling pakt [agent 2] zijn pepperspraybusje, waarschuwt het te gebruiken, maar gebruikt het vervolgens niet omdat het risico te groot is dat zijn collega's worden getroffen. Ook [getuige 1] houdt [slachtoffer] tegen. [slachtoffer] gaat de woonkamer weer in en de deur gaat dicht. [getuige 1] pakt in de gang de deurklink vast, houdt hem vast en gaat in de gang met zijn voorzijde naar de gesloten deur staan.

Vervolgens wordt in overleg besloten daadwerkelijk tot aanhouding van [slachtoffer] over te gaan om verdere problemen te voorkomen. [getuige 1] roept dan tegen [slachtoffer]: "Ze gaan je pakken, naai er uit via de achterdeur", of woorden van gelijke strekking.

Volgens [agent 2] wordt dan meermalen geroepen: "Ik ga niet mee, flikker toch op". [getuige 2] heeft hem dan al meermalen horen zeggen: "Ga nou maar weg, teringlijers, mijn huis uit". Klaagster zegt dat ze op enig moment heeft gezegd, toen ze merkte dat de politie niet weg ging: "Jullie hebben geen

huiszoekingsbevel of arrestatiebevel, dus naar buiten, wegwezen".

Om 09.17 uur wordt doorgegeven aan de 12.04 dat "ze" (n.b. [agent 4] en [agent 5]?) voor de deur staan, en dat ze vragen of ze nog nodig zijn. Het einde van dit gesprek is om 09.18 uur. Vanaf 09.23 uur wordt door de 18.21 assistentie gevraagd. Om 09.25 uur exact wordt door de 18.21 nog gezegd dat het vooralsnog rustig is maar dat een auto op de achtergrond wel gewenst is.

Vlak voordat de schoten vallen zijn [slachtoffer], [getuige 2] en twee kinderen in de woonkamer. [getuige 1] staat in de gang, met de voorzijde gekeerd naar de deur tussen de gang en de woonkamer, en met de klink van die deur in zijn hand, om te voorkomen dat de politie de woonkamer binnen kan. Verbalisanten beklaagde, [agent 3], [agent 5] en [agent 2] bevinden zich dan eveneens in de gang.

[getuige 1] roept dan tegen [slachtoffer] dat hij weg moet gaan omdat de politie hem wil aanhouden. Beklaagde haalt [getuige 1] weg bij de deur en geeft hem door aan de collega's [agent 3] en [agent 5]. [getuige 1] belandt bij of op de trap. Beklaagde neemt de handboeien in de hand ten behoeve van de aanhouding. Plotseling gaat de deur open. Niemand ziet of herinnert zich wie de deur opent, noch [getuige 1] en de verbalisanten die in de gang staan, noch [getuige 2], die in de woonkamer zit.

II. Het schietincident en de verklaringen daaromtrent

a. Verklaring [getuige 2]

[getuige 2] verklaart over het moment direct voorafgaande aan het openen van de deur dat [slachtoffer] in de keuken een mes pakt met zijn linkerhand en het omhoog heft alsof hij van boven naar beneden ergens in wil steken.

[slachtoffer] roept dat "die teringzakken" maar moeten komen en staat vervolgens, als de deur geheel opengaat, met een mes inmiddels in zijn opgeheven rechterhand, een meter tot anderhalve meter van de deur, in de woonkamer.

Zij ziet dat [slachtoffer] nog steeds opgefokt is, aan zijn gedrag, zijn rode hoofd en zijn bloeddoorlopen ogen. Tegelijkertijd ziet zij een hand met een pistool ter hoogte van de scheiding van de kamer en de gang, hoort twee schoten, ziet [slachtoffer] naar zijn borst grijpen, inzakken en naar links op de plek waar hij stond op de grond vallen.

Bij de reconstructie op 12 januari 2001 blijkt de afstand tussen de monding van het wapen van beklaagde en het lichaam van [slachtoffer], zoals [getuige 2] deze positioneert, ongeveer 121 centimeter te zijn. Zij heeft geen verklaring voor hoe in haar lezing de kogel door de deur gegaan moet zijn.

b. Verklaring [getuige 1]

[getuige 1] ziet vanuit zijn positie op een van de onderste traptreden dat de deur geheel open gaat. Hij staat dan met zijn gezicht naar het deurgat. Hij ziet dat [slachtoffer] in zijn linkerhand een mes vasthoudt, ter hoogte van zijn linkeroor. Hij ziet het lemmet van het mes met de punt in de richting van de deuropening wijzen. Hij hoort [slachtoffer] roepen: "En nu allemaal mijn huis uit" en ziet dat de politieman die recht voor de deuropening staat met 1 voet een stapje achteruit zet met 1 voet, met zijn rechterhand zijn revolver pakt en die met 2 handen voor zijn lichaam brengt. Hij hoort binnen 1 seconde 2 knallen. [slachtoffer] staat volgens hem ongeveer 1 meter voor de deurpost in de woonkamer.

Na de knallen ziet [getuige 1] dat [slachtoffer] met een zijwaartse beweging valt, probeert op te staan en vervolgens neervalt. Tijdens de reconstructie plaatst [getuige 1] het pistool geheel in de gang. De afstand tussen de monding van het vuurwapen en het lichaam van [slachtoffer], zoals deze door [getuige 1] tijdens de reconstructie gepositioneerd worden, bedraagt ongeveer 145 centimeter.

c. Verklaring [agent 2]

[agent 2], die zich in de gang bevindt, kijkt, terwijl hij met zijn rug naar de voordeur staat, even achterom over zijn schouder naar de geopende voordeur omdat hij hoorde dat er zich buiten iets afspeelde. Op dat moment hoort hij

een knal, uit de richting van het einde van de gang en de toegang tot de woonkamer. Hij ziet [slachtoffer] staan in de deuropening of net voor de deuropening in de gang. Hij ziet [slachtoffer] achterover de kamer in vallen. Hij ziet beklaagde met zijn rug tegen de wasmachine. Tevens ziet hij beklaagde naar de kamer lopen, en neemt waar dat beklaagde in elk geval niet in een stap in de kamer is. Hij heeft niet gezien of beklaagde of iemand anders een vuurwapen in de hand had.

d. Verklaring [agent 4]

[agent 4] staat bij de voordeuropening. Zij ziet B 1 op korte afstand links voor haar in de gang, daarachter [agent 5] vlakbij de deur naar de woonkamer, rechts van [agent 5] [agent 3], en zij weet dat beklaagde recht voor de woonkamerdeur staat. Zij ziet bij de woonkamerdeur, met zijn rug richting woonkamer en zijn gezicht richting gang, [slachtoffer] staan. Zij ziet in de buurt van [slachtoffer], ter hoogte van zijn hoofd, iets zilverkleurige glinsteren. Dan wordt haar aandacht afgeleid door klaagster, die buiten is. Op hetzelfde moment hoort zij 2 knallen. Zij ziet [slachtoffer] op zijn rug in de woonkamer liggen. In eerste instantie dacht ze dat [slachtoffer] geschoten had.

e. Verklaring [agent 3]

[agent 3] verwijdert met collegae [getuige 1] van de deur. Beklaagde bespreekt daarna met [agent 5] en [agent 3] hoe de zaak moet worden aangepakt. [agent 3] ziet dat beklaagde zijn handboeien pakt, volgens hem in de rechterhand. Hij weet niet hoe de deur geopend is, maar ziet [slachtoffer] vanuit de woonkamer de gang in stormen. Hij beweegt daarbij als een wilde stier en gaat voorwaarts richting beklaagde. [agent 3] ziet beklaagde achteruit deinzen en doet zelf ook een stap achteruit in een reflexbeweging. Hij ziet beklaagde een reflexbeweging maken zoals aangeleerd bij het commando "noodweer" en hoort meteen twee doffe knallen. Op het moment waarop [agent 3] de knallen hoort, bevindt [slachtoffer] zich net in de gang, kort voorbij de drempel van de kamerdeur. Direct na de schoten ziet [agent 3] [slachtoffer] om zijn as wegdraaien, richting woonkamer. Hij heeft niet het begin van het wegdraaien gezien. Volgens [agent 3] is de afstand tussen [slachtoffer] en beklaagde minder dan 1 meter op het moment van het schieten.

f. Verklaring [agent 5]

[agent 5] staat bij de deur tussen de gang en de woonkamer, bijna tegen de tussenmuur aan. Hij ziet beklaagde rechts voor zich, frontaal richting tussendeur. Na het wegtrekken van [getuige 1] grijpt [agent 5] de klink vast om te voorkomen dat [slachtoffer] opnieuw plotseling de gang in zou komen. Hij ziet dat beklaagde de handboeien pakt, maar weet niet in welke hand. Op enig moment laat [agent 5] de klink los.

[agent 5] ziet plotseling de deur tussen de gang en de woonkamer openvliegen. Hij sluit niet uit dat hij zelf de deur heeft geopend. Dan ziet hij [slachtoffer] daar plotseling staan, met een mes van ongeveer 30 centimeter in zijn handen. Hij ziet een zilverkleurig in een punt toelopend lemmet van ongeveer 20 centimeter. Hij ziet [slachtoffer] het mes in zijn hand houden, waarschijnlijk de linkerhand, bovenhands, met het lemmet aan de pinkzijde en zijn hand ter hoogte van zijn hoofd of net daarboven. Hij schrikt enorm, ziet [slachtoffer] een voorwaartse beweging maken in de richting van beklaagde, ziet hem hierbij de gang in komen, net over de drempel. [agent 5] ziet beklaagde terugwijken en wijkt zelf ook achteruit. Hij ziet dat beklaagde niet verder achteruit kan vanwege een stofzuiger en hoort het volgende moment twee doffe knallen. Hij ziet geen mondingsvuur en geen vuurwapen omdat hij volledig gefixeerd is op [slachtoffer].

Hij ziet [slachtoffer] achterover de woonkamer in vallen, waarbij hij Waarschijnlijk om zijn as draait, maar dat weet [agent 5] niet zeker. Hij ziet dat beklaagde de woonkamer inloopt. Hij loopt zelf richting woonkamer en ziet [slachtoffer] liggen op de grond. [agent 5] verklaart hierover nog: "In mijn beleving zou [slachtoffer] de eerste politieagent die hij tegen zou komen neersteken. Beklaagde stond recht voor hem. In mijn overtuiging zou [slachtoffer] hem hebben gestoken".

g. Verklaring beklaagde

Beklaagde haalt [getuige 1] weg bij de deur. Hij geeft hem als het ware door aan zijn collegae. Hij overlegt met [agent 3]. [agent 5] staat vlak bij [agent 3]. [agent 2] staat iets verderop in de gang. Beklaagde staat frontaal voor de deur tussen de gang en de woonkamer. Hij overlegt met [agent 3], pakt de handboeien in zijn linkerhand en realiseert zich dat hij als eerste de woonkamer in zal moeten gaan.

Dan ziet hij de tussendeur met een ruk openvliegen, maar niet helemaal. [slachtoffer] komt de woonkamer uit met een groot keukenmes bovenhands in zijn hand. "Ik zag dat de punt van het mes in mijn richting wees en dat de snijkant onder was. Hij hield het mes in zijn linkerhand. Ook zag ik de grimas op het gezicht van [slachtoffer], die mij aankeek. Ik zag dat hij precies dezelfde gelaatsuitdrukking had als bij de kopstoot. Ik schrok me dood. Ik zag dat

[slachtoffer] met het mes in zijn hand de drempel van de tussendeur over kwam. Ik wilde weg, terug, ik voel iets, ik kon niet verder. Ik wilde wel door de muur heen. Ik kon niet meer naar achteren en voelde de trapstijl achter me, waardoor ik niet verder naar links of naar achteren kon. Ik kon niet anders. Ik greep mijn pistool en schoot. Na het eerste schot gebeurde er niets. Toen heb ik weer geschoten. Daarop viel [slachtoffer] neer." Bij de videoreconstructie stelt beklaagde overigens dat [slachtoffer] op of over de drempel van de tussendeur kwam.

Beklaagde ziet ook [agent 5] wegduiken op het moment dat [slachtoffer] voor de eerste keer te zien was. Over de reactie van de anderen kan hij niets verklaren. Over de afstand zegt beklaagde dat [slachtoffer] heel erg dicht bij hem was en op hem toe kwam. Hij weet zeker dat [slachtoffer] zich niet van hem verwijderd heeft tussen het eerste en het tweede schot en dat hij twee keer kort na elkaar geschoten heeft. Voor hem was de situatie onveranderd. Hij had kennelijk niet gezien dat [slachtoffer] zijn houding veranderde. Beklaagde sluit niet uit dat het tweede schot is afgegaan zonder dat hij dat bewust wilde, maar geeft anderzijds aan dat hij later heeft ingevuld dat hij een tweede keer schoot omdat het eerste schot niet het resultaat had dat de bedreigende situatie deed ophouden en [slachtoffer] nog steeds op korte afstand van hem vandaan stond. Beklaagde is zich er niet van bewust of hij tijdens of kort voor het schieten iets heeft gehoord.

Het eerste dat beklaagde zich na het schieten kan herinneren is dat [slachtoffer] in de woonkamer op de grond lag. Aan het slot van zijn verklaring geeft beklaagde aan dat hij noch een van zijn collega's een dienstwapen ter hand hadden genomen voordat [slachtoffer] met het mes in zijn hand de woonkamer uit kwam.

Wanneer de verbalisanten [agent 3], [agent 5] en beklaagde tijdens het verhoor geconfronteerd worden met het feit dat er een inschotopening aan de rugzijde is geconstateerd hebben zij hier geen verklaring voor. Hetzelfde geldt voor de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], wanneer zij met dit gegeven worden geconfronteerd tijdens de reconstructie. Ieder van hen heeft [slachtoffer] slechts met de voorzijde in de richting van de gang zien staan.

III. Technisch onderzoek

a. Het proces-verbaal van het onderzoek van de technische recherche in de woning aan de [adres 2] te [woonplaats]

Het proces-verbaal van technisch onderzoek door de Technische Recherche Politie Brabant Noord no.00-693018 houdt, voorzover hier zakelijk van belang, in:

dat zich in de deur tussen de hal en de woonkamer een perforatie bevond, waarvan de opening zich aan de zijde van de hal op een hoogte van 124 centimeter en 25 cm van de sluitzijde bevond;

dat zich op de rand van de deur (sluitzijde) op een hoogte van circa 139,5 centimeter een beschadiging bevond;

dat in de hal twee hulzen van na te melden munitie zijn aangetroffen, welke hulzen door het gebruikte dienstwapen aan de linkerzijde worden uitgeworpen;

dat in de woonkamer twee gedeformeerde kogels zijn aangetroffen, alsmede twee beschadigingen in de muur;

dat die kogels zijn aangeduid onder nummers 005 en 006;

dat op beide kogels houtachtig materiaal afkomstig van het hardboard van de deur is aangetroffen;

dat op kogel no.006 bovendien houtachtig materiaal afkomstig van het frame van de deur is aangetroffen;

dat op kogel no. 005 bovendien D.N.A-materiaal afkomstig van het [slachtoffer] is aangetroffen;

dat als gevolg van deformatie van beide kogels geen schootsbaan van elk dier kogels kon worden vastgesteld;

dat er twee schootsbanen moeten zijn, namelijk één via de rand (frame) van de deur en één door de deur;

b. Het verslag van de in- en uitwendige lijkschouw van [slachtoffer], opgemaakt door [arts] van het Nederland Forensisch Instituut, houdt, voor zover hier zakelijk van belang, in:

Schotkanaal tussen een huidperforatie links voor aan de borst en een huidperforatie links achter aan het borstgedeelte van de rug, en met beeld, passend bij een richting van achter naar voor, van links iets naar rechts en van onder iets naar boven.

Bij schotrestenonderzoek bleek de huidperforatie aan de rug een inschotverwonding en die aan de borst een uitschotverwonding.

Hoewel aanvankelijk op grond van het aspect van de omgeving van de huidperforatie aan de borst de indruk bestond dat de huidperforatie aan de borst als waarschijnlijke inschotopening in aanmerking kwam, paste het aspect van de perforatie van het borstbeen toch beter bij een schootsrichting van onder meer achter naar voor, en bleek bij het schotrestenonderzoek ook dat de huidperforatie aan de rug de inschotopening was. Derhalve moet worden aangenomen dat de richting van het schotkanaal was van (onder meer) achter naar voor.

c. Het door beklaagde gehanteerde dienstwapen en de gebruikte munitie

Uit het met betrekking tot het schietincident opgemaakte proces-verbaal van technisch onderzoek d.d. 13 februari 2001 van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 13 februari 2001 blijkt dat het door beklaagde gehanteerde dienstwapen een Walther P5, kaliber 9 mm. pistool is, waarmede de zogenaamde Action 3 munitie wordt verschoten.

Voorts is gebleken dat van deze munitie het massieve kogellichaam bestaat uit een koperlegering, die aan de voorzijde wordt afgesloten met een groen kunststofkapje. Reeds bij aanvang van de beweging van het projectiel in de loop zullen het kapje en het projectiel zich van elkaar scheiden. Bij het schieten van het projectiel wordt het kapje verpulverd.

Als gevolg van de inwendige gasdruk en de werking van de breuklijnen in het kunststoffen kapje valt dit uit elkaar in partikels, die vóór de kogel de monding van de loop verlaten. Door de minimale energie en de luchtweerstand is de reikwijdte van de kunststof partikels beperkt.

Uit een bijlage bij het desbetreffende rapport blijkt dat bij het afvuren van een patroon met een vuurwapen een gaswolk ontstaat, welke gaswolk onder andere verbrandingsresten van kruit(roetdeeltjes), onverbrande kruitdeeltjes en metaalhoudende deeltjes bevat, die tesamen de schotresten vormen. De schotresten uit de loop van het vuurwapen kunnen, afhankelijk van de schotsafstand terecht komen op de kleding en/of op het lichaam of op objecten waarop is geschoten.

d. Het schotrestenonderzoek en de schootsafstand

1. met betrekking tot [slachtoffer]

Het voorgenoemde rapport d.d. 13 februari 2001 houdt het hierna volgende in, voor zover hier zakelijk van belang.

Bij bemonstering van de rechterzijde van het gelaat van [slachtoffer] zijn twee op schotresten wijzende verkleuringen en zestien nitrocellulose kruitdeeltjes aangetroffen. Met het aangetroffen sporenbeeld zijn aanwijzingen verkregen op een mogelijke schampschotverwonding in de nek.

Tevens werden een tiental groene kunststof deeltjes aangetroffen in de directe omgeving van de perforatie in het achterpand van het door [slachtoffer] gedragen shirt tot een afstand van circa 12 centimeter en in de directe omgeving van de schotwond in de rug, welke groene deeltjes visueel overeenkomen met de groene kapjes zoals aanwezig in Action-3 patronen. Aan de binnenzijde van de stof werden enkele op weefsel gelijkende resten aangetroffen. Een microchemische testreactie op koper verliep aan de buitenzijde van de stof positief en aan de binnenzijde negatief. Het aangetroffen sporenbeeld past bij een vrijwel zekere directe inschotbeschadiging.

Op de overige plaatsen van het shirt werden geen nitrocellulosekruitdeeltjes aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen verkregen dat het slachtoffer deels afgedekt is geweest door de deur.

Met behulp van de zincon kleurmethode werd het kledingstuk rond de inschotbeschadiging en het deel rond de rechter schouder/kraag, ter hoogte van het mogelijke schampschot, van het shirt afgedrukt. Hiermee zijn met betrekking tot de inschotbeschadiging, in combinatie met de aangetroffen sporen bij het visuele onderzoek, aanwijzingen verkregen op een schootsafstand tussen circa 0,5 en 1 meter. Met betrekking tot de rechter schouder/kraag zijn in combinatie met de schotrestenfolie van het gelaat/nek van het slachtoffer aanwijzingen verkregen op een schootsafstand tussen circa 0,5 en 1 meter.

2. met betrekking tot de deur tussen de hal en de woonkamer

De folies waarmee de deur is bemonsterd, werden onderzocht met behulp van de zincon kleurmethode. Op de folie, waarmee de omgeving van het gat in de deur aan de gangzijde is bemonsterd zijn zeven op schotresten wijzende verkleuringen en een nitrocellulosekruitdeeltje aangetroffen. Het aangetroffen sporenbeeld kan passen bij:

- een directe inschotbeschadiging met een schootsafstand tussen circa 0,5 en 1,5 meter. Deze mogelijkheid lijkt echter minder waarschijnlijk. Aangezien rond de inschotbeschadiging en de schampschotbeschadiging in diens nek meer schotresten zijn aangetroffen, passen deze schotbeschadigingen beter bij directe schotbeschadigingen.

- een indirecte inschotbeschadiging, waarbij de aangetroffen schotresten

afkomstig kunnen zijn van:

· de uitstoot van schotresten uit de voorzijde van de loop van het wapen, waarbij het grootste gedeelte de deur niet heeft bereikt.

· de uitstoot van schotresten uit de zijkant van het wapen (hulsuitwerpopening);

· het uitwerpen van de huls;

· het contact van een met schotresten besmet voorwerp met de deur.

Een aanvullend rapport d.d. 15 februari 2001 van het Nederlands Forensisch Instituut houdt het hierna volgende in, voor zover hier zakelijk van belang.

Wanneer er in het rapport d.d. 13 februari 2001 wordt gesproken over een indirecte inschotbeschadiging in een voorwerp/slachtoffer, dan houdt dit in dat de kogel voordat het dit voorwerp/slachtoffer doorboorde eerst een ander voorwerp/slachtoffer heeft doorboord (de directe inschotbeschadiging). De schotresten die uit de loop van het wapen vrijkomen, slaan dan in principe neer op het eerste voorwerp/slachtoffer en bereiken het tweede voorwerp/slachtoffer niet. De vorm en omvang van de neerslag is afhankelijk van de afstand tussen het uiteinde van de loop van het wapen en het voorwerp/slachtoffer: de schootsafstand.

De schootsafstand kan dus slechts bepaald worden op het voorwerp/slachtoffer waar een directe inschotbeschadiging is aangetroffen. De wolk met schotresten afkomstig uit de loop van een wapen heeft over het algemeen (bij een handvuurwapen) een bereik van 1 a l,5 meter. Dit geldt ook voor de Action-3 munitie. Bij de Action-3 munitie komen bij het schieten tevens resten vrij van het groene kunststof kapje dat zich in de Action-3 kogel bevindt.

Wanneer rond een inschotbeschadiging geen schotresten zijn aangetroffen, wordt gezien het bovenstaande, geconcludeerd: "er zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op een schootsafstand kleiner dan 1 a l,5 meter".

Boven l,5 meter worden immers rond een inschotbeschadiging geen schotresten aangetroffen.

Uit eerdergemeld technisch proces-verbaal d.d. 13 februari 2001 blijkt met betrekking tot de gemelde schootsafstand dat bij gehouden schietproeven met een pistool Walther P5 en Action 3 munitie op onbeschadigde schietschijven met betrekking tot de schootsafstand, het aantal partikels van het groene kapje van de patroon en de afstand van die partikels tot de inschotopening, voor zover hier van belang, het volgende resultaat werd verkregen:

AFSTAND AANTAL PARTIKELS AFSTAND VANAF INSCHOTOPENING IN cm

6 m - -

5 m 1 (stift van het dopje) 20,5

4 m 1 (stift van het dopje) 10

3 m 1 (stift van het dopje) 11,5

2 m ± 4 < 36

1m ± 7 < 9,5

0,75 m ± 9 < 11,5

0,5 m ± 10 < 9,7

0,4 m ± 13 < 10,8

0,3 m ± 15 < 6,7

0,3 m ± <30 graden ± 13 < 6,7

Tijdens die schietproeven werd duidelijk, dat naarmate de schootsafstand tot de schietschijf kleiner werd, het spreidingsbeeld van de groene kunststofpartikels beter overeenkwam met het aangetroffen spreidingsbeeld rond de inschotopening in het shirt van [slachtoffer].

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige-deskundige], opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het arrondissement 's-Hertogenbosch d.d. 16 maart 2001, houdt voorzover hier zakelijk van belang, in als verklaring van genoemde deskundige:

Het spreidingsgebied van groene partikels is op basis van de gehouden schietproeven (zie hierboven) bij een afstand van 50 cm, 75 cm en 100 centimeter kleiner dan 15 centimeter, zodat het mogelijk is dat, bij een gemist schot -bijvoorbeeld langs het hoofd of over een schouder wel schotresten worden aangetroffen, maar geen groene partikels. Dergelijke partikels zouden dan, gelet op de geringere spreiding, langs het hoofd en over de schouders kunnen gaan zonder die te raken.

De beoordeling.

Het hof stelt voorop, dat in deze geen plaats is voor een marginale toetsing van de beslissing van het openbaar ministerie tot niet vervolging van beklaagde. Bij de beantwoording van de voorliggende klacht zal het hof dan ook de thans van belang zijnde voorvragen van artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering (te weten de bevoegdheid van de rechtbank en de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie), alsmede de vragen van bewijsbaarheid en strafbaarheid van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering ten volle en derhalve anticiperend op de beslissing van de zittingrechter moeten beantwoorden.

In dat kader kan gezegd worden, dat geen der bedoelde voorvragen, noch de vraag van bewijsbaarheid van het door klaagster aan beklaagde verweten feit de verlangde vervolging in de weg staan.

Rest de beantwoording van de vraag naar de strafbaarheid van het feit, c.q. de strafbaarheid van de beklaagde, of met andere woorden de vraag of beklaagde zich met vrucht kan beroepen op een rechtvaardigingsgrond, met name noodweer, of een schulduitsluitingsgrond, te weten noodweerexces of putatief noodweer.

Een beroep op noodweer(exces) of putatief noodweer zal bij de zittingrechter slagen als de aan dat beroep ten grondslag gelegde feiten dat beroep kunnen dragen en die feiten bovendien aannemelijk zijn geworden.

Beklaagde beroept zich in zijn diverse verklaringen ter rechtvaardiging van het gebruik van zijn dienstpistool op noodweer. Hij onderbouwt dit beroep met feiten die dat beroep kunnen dragen, terwijl de met feiten gestaafde verklaringen tevens een beroep op noodweerexces en putatief noodweer impliceren, hetgeen betekent dat het de taak van de zittingrechter zou zijn en mitsdien thans ook de taak van het hof -voorgeval het beroep op noodweer zou falen- ook deze laatste weren te behandelen en erop te beslissen.

De hierboven weergegeven van een situatieschets voorziene lezing van beklaagde met betrekking tot het schietincident vindt nagenoeg volledig steun in de hierboven weergegeven en eveneens van situatieschetsen voorziene verklaringen van [agent 2], [agent 4], [agent 3] en [agent 5], alsmede in de hierboven weergegeven gebeurtenissen, die aan het schietincident voorafgingen. Al die verklaringen passen in de hierboven weergegeven resultaten van het technisch schotrestenonderzoek en schootsafstand, zoals aangevuld met de hierboven weergegeven verklaring van de [getuige-deskundige] aan de rechter-commissaris.

Daaruit valt af te leiden, dat één kogel op een schootsafstand van 0,5 tot 1 meter direct (dus zonder object daartussen) [slachtoffer] in de rug heeft geraakt en een andere kogel op een schootsafstand van 0,5 tot 1 meter [slachtoffer] zijwaarts in de nek heeft geschampt of vlak langs het hoofd en de schouder van [slachtoffer] is gegaan, zonder eerst iets anders te hebben geraakt. Daarop wijst ook de door de technische recherche geconstateerde beschadiging op de rand van de deur aan de sluitzijde op een hoogte van 139,5 centimeter.

In het technisch onderzoek wordt een plausibele verklaring gegeven voor de schotresten rond het kogelgat in de deur tussen hal en woonkamer -op een hoogte van 124 centimeter en 25 centimeter vanaf de sluitzijde van de deur- in die zin dat deze schotresten minder waarschijnlijk passen bij een directe inschotbeschadiging in die deur of met andere woorden, dat het minder waarschijnlijk is dat een kogel eerst door de deur en vervolgens door [slachtoffer] is gegaan.

Het vorenstaande betekent dat het waarschijnlijk is, dat [slachtoffer] op het moment van het schot in de rug, vanuit de hal gezien, vóór de gedeeltelijk geopende deur heeft gestaan. Deze aanname vindt nog steun in de omstandigheid, dat geen der getuigen (noch de politieagenten zoals hierboven aangeduid, noch [getuige 1] of [getuige 2]) heeft waargenomen, dat bedoelde deur ten tijde van het schieten zich tussen de schutter en het slachtoffer bevond.

Met de verklaring van beklaagde, die overeenkomt met de verklaringen van de 4 getuigen-politieagenten en die wordt ondersteund door de geconstateerde schootsafstand, zijn niet te rijmen de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2], er op neerkomende dat het slachtoffer ten tijde van het schieten in de woonkamer stond op een afstand van l tot 1,5 meter van de deur([getuige 2]) en l meter ([getuige 1]) en dat de bij reconstructie aangegeven afstand tussen de vuurmond van het pistool en het lichaam van het slachtoffer gemeten bedroeg 1,21 m ([getuige 2]) en 1,45 m ([getuige 1]), zodat deze verklaringen op een onjuiste waarneming moeten berusten.

Significant daarvoor is ook dat [getuige 2] in een nader verhoor verklaart, dat zij er niet zeker van is, dat zij vanaf de plaats in de woonkamer waar zij zich bevond één hand met een pistool heeft gezien, zoals zij eerder had verklaard; de inconsistentie van die waarneming wordt niet weggenomen door de stelling van [getuige 2] bij reconstructie er zeker van te zijn die hand met pistool gezien te hebben.

Dit alles betekent dat de lezing van beklaagde met betrekking tot het schietincident zeer aannemelijk is geworden.

Met klaagster acht het hof niet gelukkig de omstandigheid dat de getuigen-politieagenten niet onmiddellijk na het schietincident zijn gehoord, zulks ter voorkoming van afstemming van verklaringen of de schijn daarvan. Bij kritische beschouwing echter van de verklaringen van deze getuigen, met name ook in het licht van de videoreconstructies en bij gelegenheid daarvan door de getuigen gegeven toelichting op hun eerder afgelegde verklaringen na indringende gedetailleerde vragen, is het hof tot het oordeel gekomen dat er geen enkele reden is te veronderstellen dat de verklaringen van bedoelde getuigen mogelijk op elkaar zijn afgestemd.

Aan de hierboven geconstateerde aannemelijkheid van de lezing van beklaagde met betrekking tot het schietincident staat niet in de weg het feit dat bij het slachtoffer [slachtoffer] is geconstateerd een inschotverwonding in de rug en een uitschotverwonding in de borst. Immers noch beklaagde, noch een der getuigen heeft gezien, dat het slachtoffer ten tijde van het schieten zich met de rug naar de schutter bevond. Integendeel, zij allen schrokken toen zij vernamen, dat bij [slachtoffer] een inschotverwoning in de rug was geconstateerd.

In het licht van alle feiten en met name ook het feit, dat het dodelijke schot niet midden door de rug is gegaan (vide schotkanaal sectierapport), maar enigszins in de holte van de rug meer zijwaarts en schuin omhoog, is dan ook aannemelijk de veronderstelling van de technische recherche, dat het slachtoffer, getraind bokser als hij was, in een reflex van de schutter is weggedraaid, hetgeen noch beklaagde, noch een der getuigen in de hectiek van het gebeurde (bewust) heeft waargenomen.

Al het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel, dat de feiten waarop het beroep van beklaagde op noodweer is gestoeld, niet alleen dat beroep kunnen dragen, maar daarenboven ook zozeer aannemelijk zijn geworden, dat zij de zittingrechter tot de beslissing zullen brengen, dat het aan beklaagde verweten handelen was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen lijf tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Bij het oordeel van het hof heeft met name ook een rol gespeeld, dat uit verklaringen van beklaagde en getuigen-politieagenten, aangevuld met de daarbij behorende situatieschetsen en resultaten van de reconstructie, zeer aannemelijk is geworden, dat de plaats waar beklaagde zich in de hal bevond een zodanige was, dat hij op het ogenblik, dat de deur tussen hal en woonkamer plotseling openging en [slachtoffer] met opgeheven mes zich op zeer korte afstand op of over de drempel van die deur vóór hem bevond, niet meer kon vluchten, noch achteruit kon of zich anderszins aan de levensbedreigende situatie kon onttrekken.

Weliswaar stroken de zijdens klaagster bij behandeling in raadkamer vertoonde videoreconstructies, gemaakt door de advocaten van klaagster in haar woning en de daaruit door klaagster getrokken conclusie, dat [slachtoffer] staande in de woonkamer op ongeveer 121 centimeter afstand van de deur door het schot dat eerst het frame van de deur heeft geschampt is geraakt, waarbij de positie van de schutter aldus de advocaat van klaagster was zoals deze door [getuige 2] is waargenomen, niet met de door het hof als zeer aannemelijk aangenomen gang van zaken. Het hof acht echter, zoals reeds gemotiveerd aangegeven, de waarnemingen van [getuige 2] niet houdbaar, te meer daar de schotresten op het lichaam van [slachtoffer] en de spreiding van de groene partikels rond de inschotopening duiden op een schootsafstand tussen 0,5 en 1 meter.

Bovendien is naar het oordeel van het hof bij het maken van zojuist genoemde reconstructies uitgegaan van een aantal onzekere factoren en veronderstellingen. Met name wijst het hof erop, dat het zeer onwaarschijnlijk is dat er een schootsbaan gereconstrueerd kan worden van het fatale schot lopende in een rechte lijn van de mond van het pistool tot de (vermoedelijke) plek van inslag. Immers, de lijn van het fatale schot wordt onderbroken door het lichaam van een zich omdraaiende [slachtoffer], weshalve er van uitgegaan moet worden dat de schootsbaan na het verlaten van het lichaam een lijn volgt die af zal wijken van de lijn van de schootsbaan tussen de monding van het pistool en het lichaam van [slachtoffer].

Daarnaast berust de berekening van de door de advocaten van klaagster zo genoemde lijvenafstand op de veronderstelling dat beide schoten met gestrekt(e) arm(en) zijn gelost, hetgeen niet, althans niet voldoende uit het dossier blijkt.

Daarenboven verhoudt de conclusie van het Nederlands Forensisch Instituut en van de technische recherche, dat [slachtoffer] meer waarschijnlijk is getroffen door een direct inschot, zich niet met de lezing van de zijde van klaagster, welke lezing immers uitgaat van een fataal schot dat eerst de deur heeft geschampt alvorens [slachtoffer] te treffen.

De advocaten van klaagster stellen dat ook de vindplaats van het mes in de woonkamer erop duidt dat het schietincident niet heeft plaatsgevonden zoals beklaagde heeft weergeven. Het hof acht het echter zeer wel mogelijk dat het mes tijdens en door de val van [slachtoffer] de woonkamer in is geslingerd of daarin is terechtgekomen. Bovendien staat onvoldoende vast het mes na het schietincident niet verplaatst is.

De omstandigheid dat op kleding van [slachtoffer] verfdeeltjes zijn aangetroffen welke in de lezing van de advocaten van klaagster afkomstig zouden kunnen zijn van de deur tussen de woonkamer en de hal biedt in de ogen van het hof onvoldoende steun voor de stelling dat [slachtoffer] zich tijdens het schietincident in de woonkamer bevond.

Een en ander betekent dat de lezing van klaagster ten aanzien van het gebeuren niet houdbaar is.

Hierbij tekent het hof aan, dat voor wat betreft de volgorde der schoten de feiten wél een aanwijzing opleveren, dat het eerste schot het schot is met kogel 006 en dat dit schot de nek van [slachtoffer] heeft geschampt of rakelings gepasseerd en vervolgens het frame van de deur heeft beschadigd als onder de feiten weergegeven. Vervolgens zou dan het tweede schot het fatale schot zijn met kogel 005, waarop D.N.A. materiaal van [slachtoffer] is aangetroffen, doch die aanwijzingen zijn niet zodanig zijn dat daarvan met voldoende zekerheid kan worden uitgegaan.

Het hof acht het, gelet op de zeer korte tijd waarbinnen beide schoten zijn gelost, niet onmogelijk dat de gang van zaken aldus is geweest, dat [slachtoffer] al wegdraaiend door het eerste schot dodelijk is getroffen en het tweede schot hem tijdens het wegdraaien nog in de nek heeft geschampt. Zulks maakt echter voor het oordeel van het hof geen verschil, nu immers vooral en met name ook bij het eerste schot van een noodweersituatie moet worden uitgegaan.

Bij de achteraf rijzende vraag of beklaagde niet een minder vergaand middel ter verdediging had dienen te gebruiken, zoals het gebruik van de wapenstok of pepperspray, is het hof van mening, dat die middelen in de omstandigheden waarin beklaagde plotseling kwam te verkeren geen alternatieven waren, zulks gelet op de aard en de ernst van de aanranding en voor wat betreft het gebruik van pepperspray, het gegeven, dat beklaagde zich met nog vier politiemensen en [getuige 1] in een zeer kleine ruimte bevond, waardoor dit laatste middel volledig zijn doel zou voorbij schieten.

Het niet naleven van de door advocaten van klaagster bedoelde lesinstructie dat in geval van een noodweersituatie aan de politie geleerd wordt slechts één schot af te geven, heft de noodweersituatie niet op.

Aan het vorenoverwogene doet in het licht van alle feiten niet af, dat aan het binnentreden in de woning van het slachtoffer zonder diens toestemming een vormfout kleefde, aangezien zulks niet rechtstreeks relevant is voor de al of niet aanwezigheid van de onderhavige noodweersituatie, nu uit de feiten niet valt af te leiden, dat beklaagde kon voorzien, dat na zijn binnentreden een zodanige voor hem levensbedreigende situatie zou ontstaan, waarin hij ter verdediging genoodzaakt was zijn dienstpistool te gebruiken.

Voorts is het hof van oordeel dat al zou uit de omstandigheid dan [slachtoffer] in de rug is geschoten moeten worden afgeleid, dat op het moment van dat dodelijke schot de onmiddellijke levensbedreiging van beklaagde was geëindigd, de in de lezing van beklaagde besloten en aannemelijk geworden feiten medebrengen, dat een beroep op noodweerexces of putatief noodweer met vrucht bij de zittingrechter gedaan zou kunnen worden, aangezien het fatale schot een onmiddellijk gevolg was van de hevige gemoedsbeweging (hevige schrikreactie), door de wederrechtelijke aanranding veroorzaakt, c.q. een gevolg was van de veronderstelling, dat de levensbedreigende situatie (nog) aanwezig was, waarbij bedacht moet worden dat beide geloste schoten volgens verklaringen van alle getuigen binnen één seconde zijn gevallen en waarbij het in het oordeel van het hof geen verschil maakt of [slachtoffer] nu door het eerste of het tweede schot dodelijk is getroffen.

Nu in dit oordeel besloten ligt, dat het niet van doorslaggevend belang is, wanneer en hoe [slachtoffer] is weggedraaid kan de mening van een bewegingsdeskundige -wiens mening overigens slechts een theoretische kan zijn- aan het oordeel van het hof niet afdoen, zodat het hof niet zal ingaan op het verzoek van de advocaten van klaagster in deze een onderzoek door een dergelijke deskundige te laten verrichten.

Gelet op het vorenstaande dient het beklag te worden afgewezen.

De beslissing.

Het hof wijst het beklag af.

Aldus gegeven door mr. Jurgens, als voorzitter,

mrs. Hendriks en Smulders, als raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. de Jonge, als griffier,

op 10 oktober 2001.