Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AD4498

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-10-2001
Datum publicatie
11-10-2001
Zaaknummer
20.001661.00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de verdachte is na de nadere omschrijving van de tenlastelegging overeenkomstig het bepaalde in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks [pleegdatum] in de gemeente [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen een kogel in het hoofd van voornoemde [naam slachtoffer] te schieten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer : 20.001661.00

uitspraakdatum : 2 oktober 2001

verstek, na aanhouding: onip

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 7 juli 2000 in de strafzaak onder parketnummer 04/610006-00 tegen:

[naam verdachte],

[geboorteplaats en -datum],

[woonplaats en adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is na de nadere omschrijving van de tenlastelegging overeenkomstig het bepaalde in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks [pleegdatum] in de gemeente [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen een kogel in het hoofd van voornoemde [naam slachtoffer] te schieten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging

1.1 Namens de verdachte is met betrekking tot het horen van de getuigen [namen getuigen A en B] aangevoerd, dat het horen van deze getuigen buiten tegenwoordigheid van de verdediging, nadat hoger beroep was ingesteld door de officier van justitie tegen het vonnis van de rechtbank waarbij de verdachte was vrijgesproken, zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Voorts is door de verdediging aangevoerd dat de officier van justitie hangende het hoger beroep een overeenkomst heeft gesloten met de criminele getuige [naam getuige A], terwijl hij de verdediging niet bij het verhoor van die getuige dat voorafging aan de overeenkomst heeft betrokken. Ook de rechter is door de officier van justitie bij de totstandkoming van de overeenkomst buiten spel gelaten. Door de werkwijze van het openbaar ministerie zou de verklaring die de getuige [naam getuige A] ter terechtzitting zou gaan afleggen al volledig klaargestoomd.

Tenslotte was aan de verdediging onvoldoende tijd gegund om de verhoren van de getuigen [namen getuigen A en B] bij de rechter-commissaris op 23 april 2001 voor te bereiden, nu de verdediging pas op 20 april 2001 de onderliggende stukken had ontvangen.

1.2 Naar het oordeel van het hof berust de bevoegdheid van de officier van justitie tot het sluiten van overeenkomsten met criminelen weliswaar (nog) niet op een specifieke wettelijke grondslag, maar past die bevoegdheid wel in het wettelijk systeem. In de jurisprudentie is die bevoegdheid ook aanvaard. Het bepaalde in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering is mitsdien niet geschonden. Het verweer van de raadsman dat naar geldend recht de rechter bij de totstandkoming van de overeenkomst met een criminele getuige zou moeten worden betrokken vindt geen steun in het recht.

Bij gebreke van een bestaande wettelijke regeling dient de overeenkomst van de officier van justitie met de getuige [naam getuige A] te worden getoetst aan artikel 6 EVRM en de mede daaruit afgeleide beginselen van een goede procesorde. Ook dient te worden getoetst of de betreffende overeenkomst voldoet aan de bestaande "Richtlijn afspraken met criminelen" (13 maart 1997, Stcrt. 1997,61).

1.3 Het hof is van oordeel dat de overeenkomst van de officier van justitie [naam OvJ] en de getuige [naam getuige A] van 20 maart 2001 voldoet aan het bepaalde in artikel 6 EVRM en de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Door de betreffende officier van justitie is toestemming verkregen van de centrale toetsingscommissie van het openbaar ministerie tot het aangaan van voornoemde overeenkomst en ook aan de overige procedurevoorschriften van voornoemde richtlijn is voldaan.

Omtrent het aangaan van de betreffende overeenkomst is door het openbaar ministerie voldoende openheid betracht en aan de verdediging is de mogelijkheid geboden om zowel bij gelegenheid van het verhoor van de getuige [naam getuige A] bij de rechter-commissaris op 23 april 2001, als bij gelegenheid van zijn verhoor ter terechtzitting in hoger beroep op 18 september 2001 vragen te stellen en de betrouwbaarheid van de getuige en zijn verklaring aan een kritische beschouwing te onderwerpen.

Het openbaar ministerie heeft overigens ook gehandeld overeenkomstig de materiële bepalingen van het betreffende wetsontwerp, welke regeling meer eisen stelt dan de thans geldende richtlijn van het openbaar ministerie.

Derhalve oordeelt het hof dat het openbaar ministerie de vereiste zorgvuldigheid jegens verdachte heeft betracht.

1.4 Naar het oordeel van het hof voldoet de overeenkomst aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiairiteit. Bij dat oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte en zijn mededader [naam mededader] in eerste aanleg waren vrijgesproken van de ten laste gelegde moord c.q. doodslag op [naam slachtoffer]. Moord en doodslag behoren tot de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent.

De getuigenverklaring die [naam getuige A] ter terechtzitting zou afleggen, zou naar redelijke verwachting essentieel kunnen zijn voor het bewijs in de betreffende strafzaken.

De in de overeenkomst vastgelegde tegenprestatie van het openbaar ministerie houdt in dat een positief gratieadvies zal worden uitgebracht tot vermindering van de aan [naam getuige A] opgelegde gevangenisstraf met een derde van die straf. Deze tegenprestatie staat in een redelijke verhouding tot het belang voor de bewijsvoering van voornoemde verklaring. Weliswaar is [naam getuige A] blijkens het verhandelde ter terechtzitting veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf terzake van moord en betreft dat een zeer ernstig feit, doch zijn af te leggen verklaring betreft een zeer ernstig strafbaar feit van gelijke orde en aan [naam getuige A] is door het openbaar ministerie niet toegezegd dat de executie van de hem bij rechterlijke beslissing opgelegde straf zou worden beëindigd.

Nu de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg was vrijgesproken, is het toelaatbaar te achten dat het openbaar ministerie, toen het benaderd werd door de raadsman van [naam getuige A] met het aanbod een verklaring af te leggen, op dat voorstel is ingegaan. Het betrof immers een strafzaak betreffende moord c.q. doodslag. Niet aannemelijk is, dat met andere middelen het door het openbaar ministerie noodzakelijk geachte aanvullende bewijsmateriaal beschikbaar zou kunnen worden gemaakt.

1.5 Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de met de getuige [naam getuige A] aangegane overeenkomst rechtmatig is. Bovendien is het hof van oordeel dat door het aangaan van die overeenkomst, de inhoud van die overeenkomst en de daarbij gevolgde procedure niet doelbewust of met grove verontachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan.

1.6 Ten behoeve van het aangaan van de overeenkomst met [naam getuige A] is deze door de officier van justitie op 22 januari 2001 gehoord buiten tegenwoordigheid van de verdediging. Dit horen van [naam getuige A] buiten tegenwoordigheid van de verdediging was noodzakelijk omdat de officier van justitie de inhoud van de verklaring van [naam getuige A] moest kunnen beoordelen alsmede de betrouwbaarheid daarvan alvorens door het openbaar ministerie met [naam getuige A] een overeenkomst kon worden aangegaan. Het horen van [naam getuige A] is vastgelegd op video en van het verhoor is een verbatimverslag opgemaakt. Aan de verdediging is de gelegenheid geboden de video-opname te bekijken en is een afschrift van het verbatimverslag verstrekt. Voorts is de verdediging als gezegd in de gelegenheid geweest de getuige [naam getuige A] vragen te stellen bij zijn verhoor door de rechter-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep. Bij gelegenheid van het horen van [naam getuige A] door de rechter-commissaris op 23 april 2001 is de raadsman ondanks daartoe te zijn opgeroepen niet verschenen. Tussen de dag waarop hij de stukken had ontvangen en de dag van het verhoor waren twee volle dagen gelegen.

Het hof acht het derhalve niet aannemelijk dat hij zich onvoldoende op het verhoor had kunnen voorbereiden. In ieder geval heeft de raadsman voldoende tijd gehad het verhoor van de getuige ter terechtzitting in hoger beroep voor te bereiden.

1.7 Blijkens het onderzoek ter terechtzitting heeft [naam getuige B] zich op 23 november 2000 tot de politie gewend om aangifte te doen van mishandeling tegen [naam derde persoon]. Aangaande het beweerdelijk door [naam derde persoon] aan verdachte geleverde vuurwapen wilde zij geen formele verklaring afleggen. Daarna hebben tussen de politie en [naam getuige B] nog enkele contacten plaatsgevonden aangaande de persoon [naam derde persoon] en het mogelijk door hem aan de verdachte geleverde vuurwapen, doch zij heeft geen in een proces-verbaal neergelegde verklaring tegen [naam derde persoon] of de verdachte afgelegd. De getuige bleek slechts bereid ten overstaan van een rechter een verklaring af te leggen.

In het gerechtelijk vooronderzoek tegen [naam derde persoon] heeft zij op 22 maart 2001 een verklaring afgelegd tegenover de rechter-commissaris.

In de onderhavige strafzaak is zij door de rechter-commissaris gehoord op 23 april 2001.

De raadsman is bij dat verhoor, ondanks daartoe te zijn opgeroepen, niet verschenen, noch heeft hij schriftelijke vragen overgelegd. Tussen de dag waarop hij de stukken had ontvangen en de dag van het verhoor waren twee volle dagen gelegen. Het hof acht het derhalve niet aannemelijk dat hij zich onvoldoende op het verhoor heeft kunnen voorbereiden. In ieder geval heeft de raadsman voldoende tijd gehad het verhoor van de getuige ter terechtzitting in hoger beroep voor te bereiden. Toen bleek dat de getuige ter terechtzitting van het hof op 18 september 2001 niet was verschenen, heeft de raadsman niet aangedrongen op haar verhoor maar zich bij het niet-verschijnen van de getuige neergelegd.

1.8 De zelfstandige opsporingsbevoegdheid van de officier van justitie duurt voort gedurende het gehele verloop van het strafproces. De wijze waarop de officier van justitie daarvan in een concrete zaak gebruik maakt is vatbaar voor toetsing aan het bepaalde in artikel 6 EVRM en de algemene beginselen van behoorlijk procesrecht.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 1.7 is gesteld, heeft [naam getuige B] zich tot de politie gewend teneinde aangifte te doen tegen [naam derde persoon]. Het initiatief is van haar uitgegaan. Met betrekking tot de onderhavige strafzaak heeft zij geen in een proces-verbaal neergelegde verklaring afgelegd en hebben in opdracht van de officier van justitie slechts informele contacten van de politie met haar plaatsgevonden. De getuige bleek niet bereid te zijn een verklaring tegenover de politie af te leggen, zodat niet gezegd kan worden dat door de inspanningen van de politie de verdediging is geschaad in zijn belangen.

De getuige is in de onderhavige strafzaak gehoord door de rechter-commissaris op 23 april 2001. De verdediging was opgeroepen daarbij aanwezig te zijn. Voorts is de getuige meermalen opgeroepen ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring af te leggen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel, dat noch het bepaalde in artikel 6 EVRM is geschonden, noch is gehandeld in strijd met enig beginsel van een behoorlijke procesorde.

1.9 De namens de verdachte gevoerde verweren worden derhalve verworpen.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op [pleegdatum] in de gemeente [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen een kogel in het hoofd van voornoemde [naam slachtoffer] te schieten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

2.1 Ondanks de bezwaren van de verdediging heeft het hof de verklaringen van de getuige [naam getuige A] tot bewijs gebezigd.

2.2 Naar het oordeel van het hof is, zoals hiervoor is overwogen bij de bespreking van het niet-ontvankelijkheidsverweer, de overeenkomst met [naam getuige A] op rechtmatige wijze tot stand gekomen. Het hof heeft zich rekenschap gegeven van de omstandigheid dat met de verklaring van een criminele getuige met wie door het openbaar ministerie een overeenkomst is gesloten met grote omzichtigheid moet worden omgegaan.

Dit alles in acht nemende, acht het hof de verklaring betrouwbaar.

De verklaring die de getuige [naam getuige A] ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, vindt steun in gegevens uit het dossier. Bepaalde feitelijkheden kan [naam getuige A] alleen van verdachte hebben vernomen, nu die niet in de media zijn genoemd en ter terechtzitting geen enkele andere bron aannemelijk is geworden. [naam getuige A] en verdachte hebben gedurende enige tijd samen gedetineerd gezeten in de penitentiaire inrichting te [detentieplaats]. Dat tussen hen een vriendschappelijk relatie is gegroeid, blijkt uit de inhoud van de brieven die [naam getuige A] heeft overgelegd.

De door de getuige [naam getuige A] tegenover de officier van justitie afgelegde verklaring, zijn tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring en de verklaring die hij als getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, zijn op een groot aantal essentiële punten consistent. De verklaringen zijn bovendien voldoende gedetailleerd en daardoor verifieerbaar.

Tenslotte sluit de verklaring van [naam getuige A] ook aan bij de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Het hof acht derhalve de tot bewijs gebezigde verklaring van de getuige [naam getuige A] voldoende betrouwbaar.

3.1 Naar het oordeel van de verdediging zou er geen bewijsmiddel voorhanden zijn waaruit zou kunnen blijken dat de verdachte met voorbedachten rade zou hebben gehandeld.

3.2 Uit de bewijsmiddelen is naar voren gekomen dat de verdachte door [naam mededader] is benaderd om tegen betaling van een geldbedrag het slachtoffer [naam slachtoffer] om het leven te brengen. Dit speelde zich geruime tijd voor [pleegdatum] af. Voorts is komen vast te staan dat de verdachte daarna een aantal personen heeft benaderd om een vuurwapen te verkrijgen. Op [pleegdatum] is het slachtoffer door verdachte doodgeschoten. Op grond van voornoemde omstandigheden acht het hof bewezen dat de verdachte met voorbedachten rade het tenlastegelegde heeft begaan. Ter terechtzitting zijn geen omstandigheden aangevoerd of anderszins aannemelijk geworden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De eerste rechter heeft de verdachte van het ten laste gelegde vrijgesproken. De officier van justitie is van dat vonnis in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van medeplegen van moord zal worden veroordeeld tot -kort gezegd- vijftien jaren gevangenisstraf.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich tezamen met [naam mededader] schuldig gemaakt aan een van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent.

[naam mededader] was verloofd met het slachtoffer [naam slachtoffer], die haar aanbad. Zij wilde echter niet met het slachtoffer trouwen en zij wilde haar relatie met hem verbreken. Anderzijds wilde zij kennelijk geen afstand doen van haar bevoorrechte financiële positie.

[naam mededader] heeft toen haar ex-vriend [naam verdachte] benaderd. De verdachte had schulden en bleek bereid in haar opdracht voor een geldbedrag van ongeveer f. 50.000,-- het slachtoffer dood te schieten. Aldus geschiedde op [pleegdatum]. Toen het slachtoffer een bezoek zou gaan brengen aan zijn moeder, werd hij op de parkeerplaats achter het flatgebouw waarin zijn moeder woonde door de verdachte door het hoofd geschoten en achtergelaten in zijn auto.

Het hof is van oordeel dat er sprake is geweest van een gewetenloze, uit puur winstbejag gepleegde moord. Het nemen van het leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit, dat alleen een vrijheidsbenemende straf van zeer lange duur in aanmerking komt.

Aan de nabestaanden van het slachtoffer, en dan met name aan zijn bejaarde moeder, is een zeer groot, niet te vergoeden verlies toegebracht. Aan hen zal genoegdoening moeten worden geschonken.

Ook leidt een dergelijk gewelddadig feit tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving en wordt de rechtsorde daardoor ernstig geschokt.

In eerste aanleg heeft de verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht. In hoger beroep heeft hij zich onttrokken aan zijn berechting. Hij is niet ter terechtzitting verschenen en heeft geen rekenschap afgelegd voor zijn daad, noch heeft hij enige spijt betuigd in de richting van de nabestaanden. Hij heeft er ondanks zijn nog jonge leeftijd blijk van gegeven een koude meedogenloze en berekenende man te zijn.

Gelet op het vorenstaande, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het bevel gevangenneming

Ter terechtzitting in hoger beroep op 18 september 2001 heeft de advocaat-generaal de gevangenneming van de verdachte gevorderd op de dag van de uitspraak.

Naar aanleiding van die vordering is de raadsman ter terechtzitting gehoord. De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de advocaat-generaal dient te worden toegewezen.

Uit feiten en omstandigheden is alsnog gebleken van ernstige bezwaren tegen de verdachte. Het hof acht immers bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord, een misdrijf waarop een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaar is gesteld.

Naar het oordeel van het hof bestaat er ernstig gevaar voor vlucht, blijkende uit de omstandigheid dat de verdachte geen enkele maal ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen. Dit ondanks de omstandigheid dat het hof dit uitdrukkelijk wenselijk heeft geoordeeld en tot tweemaal toe zijn medebrenging ter terechtzitting heeft gelast. De verdachte heeft zich telkens aan de uitvoering van die last kunnen onttrekken.

Voorts is gebleken van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, die de onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte vordert. Het misdrijf waarvoor de verdachte wordt veroordeeld, is een misdrijf waarop een gevangenisstraf van meer dan twaalf jaren is gesteld en de rechtsorde is door dat feit geschokt.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 27, 47, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

"Medeplegen van moord".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van twaalf jaren.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte.

Bepaalt dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in de penitentiaire inrichting te Sittard, dan wel in een andere penitentiaire inrichting hier te lande.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Poorter, voorzitter, Koster-Vaags en Denie, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Vos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 oktober 2001.