Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AB2847

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-06-2001
Datum publicatie
26-07-2001
Zaaknummer
98/00145
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/5.2.2
FutD 2001-1494
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/00145

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof, vijfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 75.995,--. Belanghebbende heeft tegen die aanslag een bezwaarschrift ingediend. Bij de bestreden uitspraak heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.3. De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 januari 2001. Aldaar zijn verschenen en gehoord de heer S te U, als (toenmalig) gemachtigde van belanghebbende, en de Inspecteur.

Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de wederpartij en aan het Hof. De inhoud van die pleitnota wordt als hier ingelast aangemerkt.

1.4. Het Hof heeft op 7 februari 2001 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die mondelinge uitspraak zijn op 15 februari 2001 aangetekend aan partijen verzonden.

1.5. Belanghebbende heeft door tussenkomst van zijn (huidige) gemachtigde, T, advocaat en procureur te V, bij brief van 14 maart 2001 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en de gedeeltelijk daarvan afwijkende verklaringen van partijen ter zitting, als tussen partijen niet in geschil danwel door een partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende verkreeg uit de nalatenschap van zijn in mei 1982 overleden vader een aan de Astraat te P gelegen perceel grond van 370 m² met daarop een schuur/werkplaats (hierna: de onroerende zaak), een en ander blijkens in november 1984 verleden notariële akte van scheiding en deling.

2.2. Belanghebbende verkreeg de onroerende zaak in verhuurde staat. De huurder was een autohandelaar.

2.3. Uit rendementsoverwegingen wilde belanghebbende de huurovereenkomst met de autohandelaar beëindigen en de onroerende zaak aan een ander gaan verhuren. Aan de huurovereenkomst met de autohandelaar kwam in 1993 een einde. Deze betaalde laatstelijk aan huur voor de onroerende zaak een bedrag van ongeveer fl. 100,-- per maand. De jaarlijkse huuropbrengst, na aftrek van kosten, was voor belanghebbende steeds een negatieve geweest.

2.4. In verband met de beëindiging van voormelde huurovereenkomst wilde belanghebbende nog in 1993 nagaan of door toedoen van de autohandelaar vervuiling van de grond was opgetreden. Hiertoe schakelde belanghebbende een milieuconsulent (Adviesbureau Wematech) in en liet belanghebbende in overleg met de autohandelaar grondmonsters nemen. Die wezen uit dat in het verleden vervuiling met kolenas had plaatsgevonden, nog voordat de autohandelaar de onroerende zaak was gaan gebruiken.

2.5. De milieuconsulent oordeelde dat bodemsanering noodzakelijk was. De kosten van die sanering werden door de consulent in 1993 globaal geraamd op ongeveer fl. 80.000,--. Dit vormde voor belanghebbende reden bij belastingaangiften de onroerende zaak niet meer in de vermogensopstelling op te nemen. Bij brief van 11 april 1995 werkte de milieuconsulent zijn bevindingen uitgebreid schriftelijk uit. De “totale kosten grondsanering” werden nader geraamd op fl. 81.000,--.

2.6. Op 17 mei 1996 verkocht belanghebbende de onroerende zaak. De koopsom bedroeg fl. 70.300,--. Overeengekomen werd dat belanghebbende tot bodemsanering zou overgaan vóór de eigendomsoverdracht van de onroerende zaak. De schuur/werkplaats was toen al gesloopt.

2.7. De milieuconsulent heeft de bodemsanering als voormeld in opdracht van belanghebbende in september 1996 uitgevoerd. Ter zake bracht de milieuconsulent belanghebbende in totaal fl. 47.000,-- in rekening.

2.8. De notariële akte van eindomsoverdracht met betrekking tot de onroerende zaak, volgende op de overeenkomst van verkoop en koop, werd in oktober 1996 verleden. In die akte is bij artikel 5 over “Bodemverontreiniging/Ondergrondse tanks” ondermeer het volgende vermeld.

“De grond is gesaneerd, waarvan blijkt uit het - aan partijen bekende - evaluatierapport van twee oktober negentienhonderd zesennegentig, opgemaakt door adviesbureau Wematech B.V., gevestigd te Roosendaal”.

2.9. Belanghebbende had de onroerende zaak, na het vertrek van de garagehouder, aanvankelijk willen (laten) gebruiken en rendabel maken. Toen dat de ingewikkeld werd, besloot belanghebbende de onroerende zaak te verkopen. Hij heeft de onroerende zaak laten schoonmaken/saneren opdat die meer op zou brengen. Indien belanghebbende de onroerende zaak niet had kunnen verkopen, zou hij aan de grond niets meer hebben gedaan.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de kosten van bodemsanering van fl. 47.000,-- zijn gemaakt tot verwerving, inning of behoud van inkomsten, in de zin van artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend. De Inspecteur beantwoordt die vraag ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden vermeld in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij daaraan geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende heeft ter zitting geconcludeerd tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van

fl. 26.869,--. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Gelet op het in 2.9 vermelde zijn de schoonmaak/saneringskosten die belanghebbende met betrekking tot de onroerende zaak heeft gemaakt, niet gemaakt tot verwerving, inning of behoud van inkomsten, in de zin van artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Kosten, uitsluitend gemaakt om een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst van de grond te verkrijgen vormen geen kosten in de zijn van evengenoemde bepaling. Die kosten vormen geen aftrekbare kosten.

4.2. Belanghebbende heeft zich nog beroepen op het arrest van de Hoge Raad van 27 augustus 1997, nr. 32 180 (ondermeer gepubliceerd in BNB 1998/16*). In de casus van dat arrest ging het evenwel, anders dan in het geval van belanghebbende, om de toelaatbaarheid van de vorming van een kostenegalisatiereserve voor toekomstige

kosten van verwijdering van asbest. Dat arrest kan in het geval van belanghebbende niet worden toegepast.

4.3. Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Voor dat geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

Het Hof bevesigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 14 juni 2001 door P.J.M. Bongaarts, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 14 juni 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van dit beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien de belanghebbende na een mondelinge uitspraak griffierecht heeft betaald ter verkrijging van een vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit griffierecht in mindering op het door de belanghebbende voor het indienen van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht.

In het beroepschrift in cassatie kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.