Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AB2531

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-05-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
99/01885
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/01885

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de door het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) gedane uitspraak van 21 mei 1999 op het bezwaarschrift betreffende de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996.

De mondelinge behandeling

Deze heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 2 mei 2001 te Tilburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Inspecteur.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 16 mei 2001, de volgende monde-linge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

De gronden voor de beslissing

1. De onderneming van de belanghebbende is gestaakt in april 1996.

De Inspecteur en de belanghebbende verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de ondergrond van de onroerende zaak (winkelruimte met bovenwoning, dubbele garage, erf en verdere aanhorigheden; hierna: de onroerende zaak) ten tijde van de staking behoort tot het ondernemingsvermogen en de boekwinst al dan niet behoort tot de stakingswinst.

2.1. De onroerende zaak is op 20 juli 1959 verworven voor

fl. 10.400,=. De Inspecteur heeft overgelegd het formulier Inkomstenbelasting nr. 103 ”Aantekeningen omtrent het verloop van de investeringsaftrek“ met betrekking tot artikel 8a, Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 (hierna: het Besluit).

2.2. Uit dit formulier blijkt dat voor de onroerende zaak en de bijkomende kosten investeringsaftrek is gevraagd. De totale investering in de onroerende zaak bedroeg fl. 10.854,75. De Inspecteur heeft overeenkomstig artikel 8a, derde lid, van het Besluit en het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 13 maart 1957, nummer 13 075, BNB 1957/136, geen investeringsaftrek verleend over de bovenwoning en uit dien hoofde fl. 5.454,75 voor de investeringsaftrek buiten aanmerking gelaten. De Inspecteur heeft overeenkomstig artikel 8a, derde lid, van het Besluit en het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 6 februari 1957, nummer 13 038, BNB 1957/97, wel investeringsaftrek verleend over de grond.

2.3. Uit het vorenstaande volgt dat de onroerende zaak, met inbegrip van de ondergrond, in 1959 als bedrijfsmiddel en derhalve als ondernemingsvermogen is aangemerkt. De belanghebbende, die stelt dat de grond in 1959 als privé-vermogen zou zijn aangemerkt, heeft deze stelling niet aannemelijk gemaakt.

3.1. Uit de specificatie van de materiële vaste activa 1987 blijkt dat de investering in de onroerende zaak in 1959 is opgenomen voor een kostprijs van fl. 7.236,50. Partijen zijn eenstemmig van oordeel, dat dit bedrag staat voor de oorspronkelijke investering in 1959 van fl. 10.400,= minus de waarde van de grond in 1959 ad fl. 3.164,=. Ook in de vennootschappelijke jaarrekeningen voor de jaren 1992 tot en met 1995 is de grond niet in de balans opgenomen.

3.2. De belanghebbende die stelt dat de grond op enig moment na 1959 naar privé is overgebracht, heeft deze stelling niet aannemelijk gemaakt. Daaraan doet niet af dat de Inspecteur zich er nimmer over heeft bekommerd dat de activering van de grond op de balans achterwege is gebleven. Immers, op grond wordt niet afgeschreven en derhalve had de Inspecteur uit een oogpunt van een juiste jaarlijkse winstbepaling geen belang bij het al dan niet activeren van de grond. De Inspecteur heeft tijdens de mondelinge behandeling nog eens verklaard, dat door hem nimmer is bevestigd dat de grond tot het privé-vermogen zou behoren. Voorts heeft de Inspecteur in het controlerapport van 12-13 december 1989 over de jaren 1986 en 1987 onder punt 3.1 geschreven dat de ondergrond tot het ondernemingsvermogen behoort. De belanghebbende heeft naar aanleiding van dit rapport nimmer aangegeven deze beschrijving onjuist te achten.

4. Gelet op het vorenoverwogene kan de vraag of de belanghebbende wel de keuze had om de grond tot privévermogen te bestempelen in het midden blijven.

5. Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 16 mei 2001 door P. Fortuin, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 29 mei 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende f 150,--.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van ƒ 150,-- verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.