Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AB2530

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
99/00050
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1342
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/00050

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, vierde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren te P van de rijksbelastingdienst (hierna de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 24.013,--. Belanghebbende heeft tegen die aanslag een bezwaarschrift ingediend. Bij de bestreden uitspraak heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.3. De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgehad ter zitting van 6 april 2001. Aldaar zijn verschenen en gehoord de heer A te R, als gemachtigde van belanghebbende, en namens de Inspecteur B. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de wederpartij en aan het Hof. De inhoud van die pleitnota wordt als hier ingelast aangemerkt. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft het Hof de zaak aangehouden.

1.4. Na de mondelinge behandeling heeft tussen partijen een briefwisseling plaatsgevonden, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. De griffier heeft verklaard dat belanghebbende hem telefonisch desgevraagd op 21 juni 2001 te kennen heeft gegeven geen prijs te stellen op een tweede mondelinge behandeling.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is als gevolg van een bedrijfsongeval invalide geworden. In verband daarmee is hij arbeidsongeschikt. Vanaf 9 juli 1985 woont belanghebbende in het woon- en leefcentrum C, een gezinsvervangend tehuis voor lichamelijk gehandicapten, gelegen aan de A-STRAAT te Q. De kosten van belanghebbendes verblijf in dat tehuis zijn verzekerd krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), met dien verstande dat ingevolge de AWBZ voor belanghebbende een eigen bijdrage geldt (hierna: de eigen bijdrage AWBZ).

2.2. Belanghebbende is gehuwd geweest. Zijn huwelijk is op 26 april 1996 door echtscheiding ontbonden. Na de verhuizing van belanghebbende naar de A-STRAAT, in 1985, is belanghebbendes echtgenote tot 13 mei 1991 in de echtelijke woning aan de B-STRAAT te Q, een huurwoning, blijven wonen. Vanaf die datum woont zij aan de C-STRAAT te Q.

2.3. Belanghebbende genoot in 1997 een WAO/AAW uitkering. Op die uitkering werd de eigen bijdrage AWBZ ingehouden. Die bijdrage bedroeg in 1997 in totaal fl. 10.696,32.

2.4. Belanghebbendes besteedbaar inkomen bedroeg in 1997

[fl. 24.013,-- (onzuiver inkomen) + fl. 606,-- (vaste kostenaftrek) -/- fl. 6.282,-- (ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen) =] fl. 18.337,--. In zijn aangifte inkomstenbelasting voor dat jaar heeft belanghebbende in verband met de inhoudingen op zijn uitkering ter zake van de eigen bijdrage AWBZ een bedrag van fl. 7.394,-- als buitengewone last (in verband met ziektekosten) aangemerkt en mede in verband daarmee een belastbaar inkomen van fl. 16.619,-- aangegeven. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur voormeld bedrag ad fl. 7.394,-- gecorrigeerd en belanghebbendes belastbare inkomen vastgesteld op (fl. 16.619,-- + fl. 7.394,-- =) fl. 24.013,--.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur bij de aanslagregeling terecht tot voormelde correctie ad fl. 7.394,-- is overgegaan. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend. De Inspecteur beantwoordt die vraag bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden vermeld in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij daaraan geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 16.619,--. Dat is het door hem aangegeven belastbare inkomen. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 januari 1993,

nr. 28 644 (ondermeer gepubliceerd in BNB 1993/112), waarbij het ging om de aftrekbaarheid van de eigen bijdrage ingevolge de AWBZ van een belastingplichtige die in februari 1985 in een psychogeriatrisch ziekenhuis was opgenomen, beslist “dat tot de als buitengewone last aftrekbare ziektekosten kan worden gerekend de eigen bijdrage ingevolge de AWBZ, verminderd met de langs subjectieve weg - dat wil zeggen rekening houdend met de in feite door belanghebbende vóór de opneming in het verpleeghuis gevolgde levenswijze - bepaalde besparing op haar kosten van huisvesting en voeding die de opneming in het verpleeghuis meebracht.”.

Die procedure betrof de heffing van inkomstenbelasting voor het jaar 1986.

4.2. In dat arrest heeft de Hoge Raad voorts beslist dat “de huisvestingskosten dienen te worden gesteld op de - voor zoveel nodig in redelijkheid te schatten - kosten die in werkelijkheid voor het bewonen van de woning in 1986 zouden zijn gemaakt” en “dat het daarbij behalve om de door belanghebbende vermelde posten - kosten van water en energievoorziening; reinigings- en rioolrechten en dergelijke - ook gaat om een bedrag dat gemiddeld per jaar aan onderhoud moet worden besteed om de woning in een goede staat te houden, vaste lasten, alsmede een bedrag gelijk aan het huurwaardeforfait.”.

4.3. In voormeld arrest heeft de Hoge Raad verder beslist dat het in 4.1 aangehaalde uitgangspunt “voorts meebrengt dat (…) voor de berekening van de besparing ook overigens moet worden uitgegaan van de inkomens- en vermogenspositie zoals die zou zijn geweest, indien belanghebbende nog in haar eigen woning zou hebben gewoond.”.

4.4. Op belanghebbende rust de bewijslast aannemelijk te maken dat hij ter zake van de eigen bijdrage AWBZ voldoet aan de door de Hoge Raad geformuleerde criteria voor een aftrek als buitengewone last, nu de Inspecteur, met vemelding van gegevens van het Nibud en het CBS, gemotiveerd heeft betwist dat belanghebbende in aanmerking komt voor een aftrek.

4.5. Belanghebbende is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij in aanmerking komt voor een aftrek als in 4.4 bedoeld. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de eigen bijdrage AWBZ, in totaal

fl. 10.696,32 de besparing op de kosten van huisvesting en voeding heeft overtroffen. Het Hof heeft met name geen inzicht gekregen in de kosten, ook niet schattenderwijs, die in werkelijkheid in 1997 voor het bewonen van de woning aan de B-STRAAT in Q zouden zijn gemaakt. Het Hof verwijst hierbij naar de door de Hoge Raad opgesomde kostenposten als vermeld in 4.2, met dien verstande dat bij belanghebbende, anders dan bij de belastingplichtige in het arrest, de kosten voor het bewonen als huurder in aanmerking komen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de in 1997 verschuldigde huur, in plaats van het huurwaardeforfait.

4.6. Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Voor dat geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 28 juni 2001 door G.J. van Muijen, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 28 juni 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van dit beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien de belanghebbende na een mondelinge uitspraak griffierecht heeft betaald ter verkrijging van een vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit griffierecht in mindering op het door de belanghebbende voor het indienen van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht.

In het beroepschrift in cassatie kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.