Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AB2335

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
C9900495/MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Typ. MB

Rolnummer C9900495/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 7 juni 2001,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

zetelende te [zetelingsplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 21 mei 1999,

procureur: mr. N.J.W.M. de Leeuw,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

op het hoger beroep tegen het door de rechtbank te Maastricht gewezen vonnis van 25 maart 1999 tussen appellante - hierna te noemen: [appellante] - als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie en geïntimeerde - hierna te noemen: [geïntimeerde] - als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 25850/1996)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 19 maart 1998.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Ter beoordeling van de vraag of het bevoegde orgaan van [appellante] heeft besloten tot het voeren van dit rechtsgeding (artikel 147 jo. artikel 164 lid 3 en lid 4 Gemeentewet) diende [appellante] over te leggen

a) het desbetreffende besluit van de gemeenteraad, of

b) indien de gemeenteraad zijn bevoegdheid dienaangaande heeft overgedragen aan het college van B&W (artikel 156 Gemeentewet), het delegatiebesluit van de raad en het besluit van B&W tot het voeren van dit rechtsgeding.

2.1.1. Bij akte van 3 augustus 1999 heeft [appellante] overgelegd:

- het collegebesluit van 20 april 1999 om, gelet op het besluit van het college van 13 april 1999 om hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 25 maart 1999, mr. Thuis daartoe opdracht te geven;

- het raadsbesluit van 29 september 1998 tot aanpassing van het besluit van 9 juni 1998 in die zin dat de bevoegdheid in verband met rechtsgedingen in administratiefrechtelijke procedures wordt gemandateerd aan het college van B&W onder intrekking van laatstgenoemd besluit.

2.1.2. [appellante] heeft alleen het hiervoor genoemde besluit van 20 april 1999 overgelegd en niet het besluit van 13 april 1999.

Nu [geïntimeerde] hiertegen evenwel geen bezwaar heeft gemaakt, meent het hof uit het collegebesluit van 20 april 1999 te mogen concluderen, dat er op 13 april 1999 een collegebesluit tot het instellen van hoger beroep is genomen en acht het hof overlegging daarvan niet noodzakelijk.

Naar het hof aanneemt heeft [appellante] bij vergissing het hiervoor genoemde raadsbesluit van 29 september 1998 overgelegd. Het raadsbesluit dat overgelegd had dienen te worden is dat van 9 juni 1998. Nu dat besluit zich bij de stukken van de eerste aanleg bevindt (prod. bij akte houdende uitlating na tussenvonnis van [appellante] van

18 juni 1998), acht het hof het niet nodig dat bedoeld besluit wederom wordt overgelegd.

Geconcludeerd wordt dat het bevoegde orgaan van [appellante] heeft besloten tot het voeren van dit geding en dat [appellante] ontvankelijk is in het hoger beroep.

2.2. Het verdere verloop van de procedure is als volgt. Bij memorie van grieven heeft [appellante] onder overlegging van een productie drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot

in conventie: afwijzing alsnog van de vorderingen van [geïntimeerde], althans toewijzing van die vorderingen tot een bedrag van f 700,=;

in reconventie: veroordeling alsnog van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van f 10.970,=, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan [appellante].

2.2.1. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

2.2.2. Partijen hebben daarna de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

In grief 1 klaagt [appellante] erover dat de rechtbank in conventie de schade ten aanzien van de toercaravan heeft begroot op f 500,=.

Met grief 2 bestrijdt [appellante] de overweging van de rechtbank in reconventie dat voor verhaal van de kosten van de ontruiming op 13 februari 1996 geen wettelijke basis bestaat.

Met grief 3 bestrijdt [appellante] de overweging van de rechtbank in reconventie dat de Verordening op het gebruik van standplaatsen voor woonwagens niet meer op [geïntimeerde] van toepassing was, zodat [geïntimeerde] kennelijk in verband met de ontruimingen van 16 augustus en 25 oktober 1995 is aangeschreven als belanghebbende en niet als overtreder, terwijl verhaal van kosten op grond van artikel 131 (oud) Gemeentewet alleen mogelijk is op de overtreder en niet op de belanghebbende.

4. De beoordeling

4.1. Tegen de 'nadere omschrijving van het geschil in conventie en reconventie' in onderdeel 3. van het beroepen vonnis en de daarin vermelde feiten zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof daarvan uit zal gaan. Een en ander komt samengevat en voor zover in hoger beroep van belang op het volgende neer.

[geïntimeerde] nam in 1995 een woonwagenstandplaats aan de [adres] te [woonplaats] in. Omdat [geïntimeerde] de huur bij brief van 10 maart 1995 opzegde en nadien de standplaats desondanks innam, heeft [appellante] [geïntimeerde] bij brief van 2 augustus 1995, verzonden op 8 augustus 1995, aangeschreven tot ontruiming, waarna vervolgens op 16 augustus 1995 bestuursdwang is toegepast. [geïntimeerde][geïntimeerde] ontkent de brief van 10 maart 1995 te hebben ondertekend en die van 2 augustus 1995 te hebben ontvangen.

Toen de standplaats wederom in gebruik bleek te zijn genomen heeft [appellante] [geïntimeerde] bij brief van 6 oktober 1995, aan [geïntimeerde] uitgereikt op 10 oktober 1995, aangeschreven. Ook deze aanschrijving zegt [geïntimeerde] niet te hebben ontvangen. Vervolgens is de standplaats door [appellante] ontruimd op 25 oktober 1995. Daarbij is onder meer een toercaravan, merk [merk], meegenomen, waarvan de waarde door [verzekeraar] op laatstgenoemde datum is getaxeerd op nihil (prod. 5 cva/cve).

Op 13 februari 1996 heeft [appellante] de standplaats opnieuw ontruimd, ditmaal zonder dat daar een aanschrijving

aan vooraf was gegaan. Toen is in elk geval een sta-caravan afgevoerd en opgeslagen.

4.2. [geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg in conventie (onder meer) vergoeding van de waarde van de door [appellante] bij de ontruimingen van 25 oktober 1995 en 13 februari 1996 meegenomen en vernietigde zaken. De rechtbank wees deze vordering tot een bedrag van f 1.200,= toe, waaronder f 500,= voor de genoemde toercaravan.

4.2.1. In hoger beroep is voor wat betreft de conventie alleen nog van belang dat [appellante] (in grief 1) de door de rechtbank aan die caravan toegekende waarde bestrijdt. De overige overwegingen van de rechtbank in conventie (onderdelen 4.1. t/m 4.3.) inhoudende dat [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld door tot vernietiging van de zaken van [geïntimeerde] over te gaan en dat [appellante] de schade aan [geïntimeerde] dient te vergoeden, alsmede de waardebepaling door de rechtbank van de overige zaken, zijn niet bestreden.

4.2.2. Het hof is met [appellante] van oordeel, dat er gelet op het taxatierapport van [verzekeraar] en de daarbij gevoegde foto's (zie genoemde prod. 5) geen reden is om aan te nemen dat de toercaravan nog enige waarde vertegenwoordigde. Uit het als zodanig niet door [geïntimeerde] betwiste taxatierapport blijkt immers onder meer dat het bouwjaar ongeveer 1973 was, dat de algemene staat zeer slecht was en dat er aan de binnenzijde sprake was van zware aantasting door vocht en in zeer slechte staat verkerende beplating. Deze bevindingen worden bevestigd door de foto's. Het enkele feit dat [geïntimeerde] in de bewuste caravan placht te wonen is onvoldoende om te concluderen dat de vervangingswaarde onmogelijk nihil kan zijn, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld.

4.2.3. Grief 1 slaagt derhalve.

4.3. De grieven 2 en 3 betreffen de reconventionele vordering van [appellante] betreffende het verhaal van de gemaakte kosten van de genoemde drie ontruimingen op [geïntimeerde].

4.4. Met betrekking tot de ontruimingen van 16 augustus en 25 oktober 1995 (grief 3) staat niet ter discussie dat de vordering van [appellante] tot verhaal van de kosten van deze ontruimingen gebaseerd is op artikel 131 lid 1 (oud) Gemeentewet, op grond waarvan de overtreder de kosten is verschuldigd, en de daaraan voorafgaande aanschrijvingen op de artikelen 4 lid 1 en 7 lid 1 sub c van de gemeentelijke Verordening op het gebruik van standplaatsen voor woonwagens.

4.4.1. [appellante] handhaaft haar standpunt dat de huurovereenkomst met [geïntimeerde] op 10 maart 1995 door opzegging is beëindigd. Zij is echter van mening dat [geïntimeerde] desondanks, gelet op de omschrijving van het begrip 'standplaatshouder' in genoemde verordening, als zodanig moet worden beschouwd. [geïntimeerde] had de standplaats in bezit genomen en is als hoofdbewoner door het college van B&W aangemerkt, aldus [appellante]. Hieruit trekt [appellante] de conclusie dat [geïntimeerde] als overtreder van die verordening is aangeschreven, zodat de kosten van ontruiming op [geïntimeerde] kunnen worden verhaald.

4.4.2. Artikel 1 sub e. van de meergenoemde verordening luidt:

'standplaatshouder: degene die een standplaats heeft ingenomen en hiertoe beschikt over een vergunning van het bestuursorgaan of Gedeputeerde Staten, of bij gebreke van die vergunning de hoofdbewoner van de woonwagen. Wie als hoofdbewoner wordt aangemerkt wordt door het bestuursorgaan beoordeeld.'

4.4.3. Het hof is van oordeel, dat de aangehaalde begripsbepaling in samenhang met de overige tekst van de verordening, waarin onder meer regels worden gegeven met betrekking tot het gebruik van de standplaats, niet anders kan worden opgevat dan dat de verordening van toepassing is op diegenen die in het bezit zijn van een vergunning dan wel diegenen die door [appellante] als standplaatshouder worden erkend of gedoogd. Het is immers niet wel voorstelbaar dat [appellante] naleving van dergelijke regels zou verlangen van personen die geen vergunning bezitten of die niet worden erkend of gedoogd.

4.4.4. Uit niets blijkt, dat er in casu van een dergelijke gedoogsituatie sprake was en dat [geïntimeerde] in die zin als hoofdbewoner door het college van B&W is aangemerkt. Integendeel: [appellante] wenste dat [geïntimeerde] de standplaats geheel zou ontruimen. Dit blijkt uit de brief van

7 juni 1995 van B&W aan [geïntimeerde] (prod. 2 cva/cve), waarin sprake is van volledige ontruiming bij het einde van de huurovereenkomst en voorts uit de stellingen van [appellante], zie punt 9 van laatstgenoemde conclusie, waarin [appellante] spreekt van het effectueren van het geheel ontruimen van [adres]. Ook uit de reeds door de rechtbank aangehaalde passage (punt 13. cvd/cvr) blijkt dit. [appellante] stelt aldaar dat [geïntimeerde] illegaal gebruik maakte van [adres]. Toch ontving hij - als belanghebbende zo stelt [appellante] - dezelfde aanschrijving d.d. 2 augustus 1995 op grond van de Verordening op het gebruik van standplaatsen voor woonwagens als de standplaatshouders van [adres] , , , en , van wie moet worden aangenomen dat zij de standplaatsen

- in de termen van [appellante] - wel legaal gebruikten. Hetgeen [appellante] in de toelichting op grief 3 (punt 34.) omtrent haar gebruik in eerste aanleg van de term 'belanghebbende' heeft opgemerkt, kan aan een en ander niet afdoen.

4.4.5. Voor de volledigheid overweegt het hof, dat [appellante] in het kader van de beëindiging van de huurovereenkomst geen beroep kan doen op het bepaalde in (artikel 8 van) de verordening, gelet op artikel 2 van de verordening waarin is bepaald dat deze niet van toepassing is op standplaatshouders die ingevolge een privaatrechtelijke overeenkomst met [appellante] een standplaats innemen.

4.4.6. Grief 3 faalt derhalve.

4.5. In eerste aanleg stelde [appellante] met betrekking tot de derde ontruiming dat zij op 13 februari 1996 opnieuw bestuursdwang had toegepast (cva/cve punt 12; cvd/cvr punt 22.).

4.5.1. Het verhaal van de kosten van de derde ontruiming, die heeft plaatsgevonden op 13 februari 1996 zonder voorafgaande aanschrijving, baseert [appellante] thans op een onrechtmatige daad van [geïntimeerde] (grief 2). [geïntimeerde] heeft onrechtmatig gehandeld, aldus [appellante], door haar eigendom zonder recht of titel te vervuilen.

4.5.2. [geïntimeerde] heeft betoogd dat er ten aanzien van de derde ontruiming op grond van vermeend onrechtmatig handelen van [geïntimeerde], sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van een publiekrechtelijke regeling. Derhalve was er geen plaats voor de privaatrechtelijke weg, aldus [geïntimeerde].

4.5.3. Het hof is van oordeel, dat [appellante] voor de verwijdering van de 8 meter lange sta-caravan vanaf een standplaats in de zin van de Woningwet gebruik had moeten maken van artikel 61 van de toen nog van kracht zijnde Woonwagenwet. Volgens de toen (in 1996) geldende tekst van artikel 1 Woonwagenwet is een woonwagen een voor bewoning bestemd gebouw in de zin van de Woningwet dat is geplaatst op een standplaats in de zin van die wet en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst. Blijkens de ook door [appellante] aangehaalde Memorie van Toelichting op de wijziging van de definitie van het begrip woonwagen in artikel 1 van de Woonwagenwet per 1 januari 1994, valt een 8 meter lange sta-caravan onder deze definitie (cvd/cvr punt 30 e.v.). Dit is door [appellante] ook niet betwist. Haar betwisting in voormelde conclusie ziet blijkbaar op de voordien door [geïntimeerde] bewoonde [merk] toercaravan.

4.5.4. Nu [appellante] niet artikel 61 Woonwagenwet heeft gehanteerd, doch zich voor de ontruiming op 13 februari 1996 beroept op haar privaatrechtelijke bevoegdheid als eigenaresse, is er sprake van een doorkruising op onaanvaardbare wijze van de publiekrechtelijke regeling van de Woonwagenwet. Verwezen zij naar de onderdelen 3.2. t/m 3.4. van het arrest HR 9 juli 1990, NJ 1991, 394. Aldus had [appellante] niet de bevoegdheid om op 13 februari 1996 tot ontruiming, anders dan op grond van artikel 61 Woonwagenwet, over te gaan, reden waarom [appellante] de gemaakte kosten van ontruiming niet met succes op [geïntimeerde] kan verhalen.

4.5.5. Grief 2 treft derhalve geen doel.

4.6. Het vonnis waarvan beroep dient in conventie te worden vernietigd voor zover de vordering van [geïntimeerde]

is toegewezen tot een bedrag van f 1.200,=. Dit wordt gewijzigd in f 700,= onder instandhouding van hetgeen overigens in conventie door de rechtbank is beslist.

Het vonnis waarvan beroep in reconventie dient te worden bekrachtigd.

Nu [appellante] voor een aanzienlijk deel in het ongelijk wordt gesteld in dit hoger beroep, dient zij haar eigen kosten te dragen en de kosten van [geïntimeerde] voor de helft. [geïntimeerde] dient als gedeeltelijk in het ongelijk gestelde partij de helft van zijn eigen kosten te dragen.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep doch uitsluitend voor zover in conventie gewezen en voor zover daarbij [appellante] is veroordeeld om f 1.200,=, vermeerderd met de wettelijke rente aan [geïntimeerde] te betalen;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van f 700,= (ZEVENHONDERD GULDEN), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 1996 tot de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep in conventie en in reconventie voor het overige;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, zodanig dat zij de helft van de kosten van [geïntimeerde], te weten f 317,50 aan verschotten en f 600,= aan salaris procureur, betaalt;

compenseert de overige proceskosten van het hoger beroep tussen partijen zodanig, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Kranenburg en Smeenk-Van der Weijden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 7 juni 2001.