Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AB2232

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/01535
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/01535

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling Financiën van de gemeente Z (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift betreffende de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) aan belanghebbende gezonden beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak A-straat 1 te Q (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 1995 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000.

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 2 mei 2001 te R. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede namens de ambtenaar, A, coördinator WOZ/Belastingen.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 16 mei 2001, de volgende monde-linge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de bij de beschikking voor de onroerende zaak vastgestelde waarde tot een waarde van fl. 668.000,= en

- gelast dat de ambtenaar aan belanghebbende het gestorte griffierecht ad fl. 80,= vergoedt.

De gronden voor de beslissing

1. Bij voormelde beschikking heeft de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op fl. 731.000,= en bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2. Belanghebbende voert aan dat hij de onroerende zaak op 31 maart 1994 heeft gekocht voor fl. 645.000,=.

3. Belanghebbende heeft gesteld dat na 1 januari 1995 in verband met achterstallig onderhoud renovatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd.

De ambtenaar heeft gesteld dat de onroerende zaak, gelet op deze verbeteringen en verbouwingen, een verandering in waarde heeft ondergaan van ten minste 5 percent met een minimum van fl. 25.000,=

en dat de onroerende zaak derhalve terecht ingevolge artikel 19 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) is gewaardeerd op een waarde per 1 januari 1995 naar de staat waarin de onroerende zaak op 1 januari 1997 verkeerde.

4.1. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 24 januari 2001, nummer 35 752, onder meer gepubliceerd in Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht (hierna: NTFR) onder nummer 2001/183 heeft dienaangaande het volgende te gelden.

4.2. Indien een waardeverandering als bedoeld in artikel 19 Wet WOZ, die het geven van een nieuwe beschikking rechtvaardigt, zich heeft voorgedaan voordat een beschikking ingevolge artikel 22, lid 1, Wet WOZ, is gegeven, volgt uit rechtsoverweging 3.5 van eerder bedoeld arrest dat het systeem van de Wet WOZ zich niet ertegen verzet dat wordt volstaan met een beschikking ingevolge artikel 25, lid 1, jo artikel 19 Wet WOZ. Wel dient dan daarin, naast de in artikel 23 Wet WOZ bedoelde gegevens, te worden aangegeven:

naar welk tijdstip de staat van de onroerende zaak voor de waardering is beoordeeld, en

dient - op de voet van het derde lid van artikel 25 Wet WOZ - het tijdstip met ingang waarvan de beschikking geldt, te worden vermeld.

4.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat de onderhavige beschikking, waarin niet wordt vermeld dat de onroerende zaak is gewaardeerd naar de staat waarin deze verkeerde op 1 januari 1997, niet kan worden aangeduid als een beschikking ingevolge artikel 25 Wet WOZ, maar dient te worden aangemerkt als een op de voet van artikel 22 Wet WOZ gegeven beschikking. Uit rechtsoverweging 3.4 in eerder bedoeld arrest van 24 januari 2001 volgt eveneens dat het Hof niet bevoegd is onderhavige beschikking te converteren in een beschikking ingevolge artikel 25 jo artikel 19 Wet WOZ.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1-4.3 is overwogen volgt, dat in de onderhavige procedure de waarde van de onroerende zaak niet moet worden bepaald naar de staat waarin deze op 1 januari 1997 verkeerde, maar dat de waarde van de onroerende zaak moet worden bepaald naar de staat waarin deze op 1 januari 1995 verkeerde.

5.1. Volgens artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ dient de waarde van een onroerende zaak te worden bepaald op de waarde die aan de

zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Dit waardebegrip is ontleend aan de bepalingen in de Gemeentewet betreffende de onroerende-zaakbelastingen en leidt, zoals vermeld in de Memorie van toelichting (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.2 bij het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 29 november 2000, nummer 35 797, onder meer gepubliceerd in Vakstudie-Nieuws 2001/3.24) tot een bedrag dat overeenkomt met de prijs die door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding.

5.2. In een geval waarin een belastingplichtige een woning relatief kort voor de peildatum heeft gekocht, moet in de regel ervan worden uitgegaan dat de waarde in de zojuist bedoelde zin, dat is immers, kort samengevat, de prijs welke de meest biedende gegadigde voor de woning zou willen betalen, overeenkomt met de door de belastingplichtige betaalde prijs, zulks tenzij de partij die zich daarop beroept feiten of omstandigheden stelt en aannemelijk maakt waaruit volgt dat de koopsom niet die waarde weergeeft (zie eerder vermeld arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 29 november 2000, nummer 35 797).

5.3. De ambtenaar heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, zouden kunnen leiden tot het oordeel dat van een onder zakelijke omstandigheden totstandgekomen koop geen sprake was, en ook overigens is zulks aan het Hof niet gebleken.

6. Gelet op voormelde gegevens, in het bijzonder de aankoop van de onroerende zaak op 31 maart 1994, zijn partijen ter zitting nader tot overeenstemming gekomen in die zin dat de in geschil zijnde waarde van de onroerende zaak naar de peildatum 1 januari 1995

fl. 668.000,= bedraagt.

7. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat moet worden beslist als hiervoor is vermeld.

De proceskosten.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten, nu belanghebbende daarom niet heeft verzocht en ook niet is gebleken dat belanghebbende, die zich niet heeft laten bijstaan door een beroepsgemachtigde, kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten fiscale procedures heeft gemaakt.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 16 mei 2001 door P. Fortuin, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 29 mei 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende ¦ 150,=.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van ¦ 150,= verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.