Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AB1957

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-05-2001
Datum publicatie
06-06-2001
Zaaknummer
KG C0000863/Ma
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MC

rolnr. KG C0000863/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH,

tweede kamer, van 15 mei 2001,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. H. Nieuwenhuizen,

t e g e n:

de stichting

[GEÏNTIMEERDE],

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

procureur: eerst mr. W.M.C. van der Eerden,

thans mr. J.E. Lenglet,

op het bij dagvaarding van 31 augustus 2000 (gevolgd door een herstelexploot van 1 september 2000) ingeleide hoger beroep van het door de president van de rechtbank te Maastricht tussen appellant, [appellant], als eiser en geïntimeerde, [geïntimeerde], als gedaagde onder zaaknummer 56300/KG ZA 00-172 gewezen vonnis in kort geding van 23 augustus 2000.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep, dat zich bij de processtukken bevindt.

2. Het geding in hoger beroep

Van dit vonnis is [appellant] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft hij onder overlegging van een productie twee grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van de memorie van grieven nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

Grief 1

"Ten onrechte heeft de president de vordering van [appellant] afgewezen en de gevraagde voorziening geweigerd, op grond van overwegingen en een beslissing welke geen recht doen aan de expliciete tekst van het onderhavige dictum."

Grief 2

"Ten onrechte heeft de president de vordering van [appellant] afgewezen en de gevraagde voorziening geweigerd op grond van nieuwe overwegingen en beslissingen welke het in kracht van gewijsde gegane vonnis niet in stand laten."

4. De beoordeling

4.1 Geen grieven zijn gericht tegen de feiten zoals in het bestreden vonnis onder 2 vastgesteld, zodat het hof ook in hoger beroep van deze feiten uitgaat.

4.2 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende. [appellant] is bij vonnis van 12 augustus 1998 van de kantonrechter te Rotterdam, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van f 177.633,76 bruto. In hoger beroep is dit vonnis bekrachtigd.

[appellant] heeft naar aanleiding hiervan aan [geïntimeerde] een bedrag van f 98.531,41 betaald, waarin opgenomen een bedrag van f 71.053,50 als netto equivalent van het bedrag van f 177.633,76 (uitgaande van 60% inkomstenbelasting). [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] hiermee niet volledig heeft voldaan aan het vonnis van de kantonrechter en ten laste van [appellant] executoriaal derdenbeslag doen leggen onder het ABP.

In dit kort geding vordert [appellant] opheffing van het executoriaal beslag en betaling van hetgeen [geïntimeerde] van het ABP heeft ontvangen. Bij het bestreden vonnis heeft de president de gevraagde voorziening geweigerd.

4.3 Volgens [appellant] houdt de toevoeging 'bruto' in het dictum van het vonnis van de kantonrechter in dat deze bij de toewijzing van de vordering heeft vastgesteld dat [appellant] over die inkomsten op grond van wettelijke bepalingen premies en belasting verschuldigd was en deze van die inkomsten moest betalen, en dat hij het na belasting resterende nettobedrag aan [geïntimeerde] dient te betalen. Dit nettobedrag heeft hij voldaan; op de verschuldigde en betaalde premies en belasting kan [geïntimeerde] geen aanspraak maken, aldus [appellant]. [geïntimeerde] betwist het standpunt van [appellant].

4.4 Het hof overweegt hierover het volgende. In het vonnis van de kantonrechter wordt onder 3, eerste alinea overwogen:

.."de afdrachtverplichting omvat de in de periode van 28 augustus 1991 tot en met 31 juli 1993 uit hoofde van zijn functie als voorzitter van het openbaar lichaam ter voorbereiding van de instelling van het Zuidelijk Utrechts Waterschap genoten inkomsten, een en ander conform de door [appellant] inmiddels verstrekte opgave daarvan. Het aan [GEÏNTIMEERDE] [= [geïntimeerde]] toekomende wordt als volgt berekend:

[..] totaal f 177.633,76 bruto."

De veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde] 'f 177.633,76 bruto' te betalen kan naar het voorlopig oordeel van het hof, zowel op zichzelf als tegen de achtergrond van deze overweging, niet anders worden gelezen dan dat [appellant] dit gehele door hem ontvangen bedrag aan inkomsten aan [geïntimeerde] dient af te dragen en niet het bedrag dat resteert nadat daarop premies en belasting zijn ingehouden. In het dictum noch in de daaraan ten grondslag liggende overwegingen is dat laatste te lezen. [appellant] is veroordeeld tot afdracht van het gehele brutobedrag, niet tot betaling van enig daarvan afgeleid of af te leiden nettobedrag. Of deze beslissing al dan niet juist is, is in dit kort geding niet aan de orde, alleen de vraag of het dictum zoals het er ligt verstaan dient te worden op de wijze die [appellant] voorstaat. Dat is, gezien het bovenstaande, niet het geval. Aan de arresten waar [appellant] in dit verband naar verwijst kan hij geen argumenten ontlenen, aangezien deze geen betrekking hebben op een terugbetaling door de werknemer van teveel genoten loon, maar op het door de werkgever rechtstreeks aan de fiscus afdragen van door de werknemer verschuldigde belasting over te weinig betaald loon. Uit deze arresten blijkt veeleer, dat ook het verschil tussen het netto- en het brutoloon toekomt aan de werknemer (zij het dat deze dat als belasting of premie verschuldigd is aan derden), zodat het in de rede ligt dat de werknemer het gehele bedrag moet terugbetalen, ook voor zover het door de werkgever voor hem aan derden is betaald.

4.5 De consequentie hiervan is dat [appellant] nog niet heeft voldaan aan de veroordeling, zodat het door [geïntimeerde] gelegde executoriale derdenbeslag voorshands niet op die grond onrechtmatig is te achten. Hetgeen [appellant] verder naar voren brengt met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden en eventuele misbruik van bevoegdheid aan de zijde van [geïntimeerde] is ontoereikend onderbouwd en kan reeds om die reden niet tot een ander oordeel leiden.

4.6 Op grond van bovenstaande overwegingen komt het hof tot dezelfde slotsom als de president in het bestreden vonnis, namelijk dat de gevraagde voorziening geweigerd dient te worden. Dit brengt mee dat beide grieven verworpen dienen te worden en dat hetgeen [appellant] verder tegen dit vonnis heeft ingebracht geen afzonderlijke bespreking behoeft. Voor getuigenbewijs is in een kort geding als dit geen plaats, zodat het in algemene termen gestelde bewijsaanbod van [appellant] gepasseerd wordt.

Het bestreden vonnis dient bekrachtigd te worden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de president van de rechtbank te Maastricht van 23 augustus 2000 (zaaknummer 56300/KG ZA 00-172), waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op f 890,= aan verschotten en op f 1.700,= aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Rothuizen-Van Dijk, Meulenbroek en Begheyn en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 mei 2001.