Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AB1955

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-05-2001
Datum publicatie
06-06-2001
Zaaknummer
C9900867/HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. GvH

rolnr. C9900867/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH,

derde kamer, van 21 mei 2001,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [woonplaats],

appellante,

procureur: mr. J.A.Th.M. Zinnicq Bergmann,

t e g e n:

de naamloze vennootschap Aegon Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te 's-Gravenhage

en

de besloten vennootschap Herendijk Holding B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Lieshout,

geïntimeerden,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het bij exploten van dagvaarding d.d. 17 september 1999 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank te 's-Hertogenbosch tussen appellante ([appellante]) als eiseres en geïntimeerden ([geïntimeerden]) als gedaagden onder zaaknummer 19501/HA ZA 97-2747 gewezen vonnis van 18 juni 1999.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep, aan partijen genoegzaam bekend.

2. Het geding in hoger beroep

[appellante] is van voormeld vonnis tijdig in hoger beroep gekomen. Zij heeft bij memorie van grieven drie grieven voorgedragen en geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot toewijzing alsnog van alle door haar geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat.

Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, zo nodig met verbetering dan wel aanvulling van gronden, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

Vervolgens hebben partijen de processtukken overgelegd en arrest gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven luiden:

Grief 1

Ten onrechte oordeelde de rechtbank in rechtsoverweging 4.1:

"Het standpunt van [appellante], dat geïntimeerde 1 haar recht om een beroep op die verjaring te doen heeft verwerkt, moet worden verworpen."

Grief 2

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen onder rechtsoverweging 4.3:

"Het standpunt van [appellante], dat geïntimeerde 1 gold als vertegenwoordigster van geïntimeerde 2, moet worden verworpen."

Grief 3

Ten onrechte overweegt de rechtbank onder rechtsoverweging 4.3:

"Ook de vordering voor zover gebaseerd op artikel 1401 oud BW is verjaard."

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende:

4.1.1. [appellante] fietste op 22 september 1986 naast haar vriendin [vriendin appellante] op de fietsstrook van de [straatnaam] te [plaatsnaam]. De sturen van de beide fietsen raakten in elkaar verstrengeld. [appellante] raakte daardoor uit balans en slingerde met haar fiets de voor het gemotoriseerde verkeer bestemde rijbaan op.

Daar kwam zij terecht onder een haar van achteren naderende touringcar, die werd bestuurd door [bestuurder]. Deze kon niet meer op tijd remmen en uitwijken. Deze bus was eigendom van geïntimeerde 2 (die in de loop van de procedure verschillende namen heeft gehad; in dit arrest zal steeds de naam geïntimeerde 2 worden gebruikt).

De bus was op grond van de WAM verzekerd bij geïntimeerde 1.

4.1.2. Uit bij repliek overgelegde medische rapporten leidt het hof het volgende af. [appellante] is op 22 september 1986 diep comateus opgenomen op de ICU van het [ziekenhuis] te [plaatsnaam] en heeft daar verbleven tot 16 december 1986 en is vervolgens verpleegd op de afdeling neurologie van het zelfde ziekenhuis. Na haar ontslag daar begin januari 1987 kwam [appellante] op de afdeling

"revalidatie en regionale revalidatie dagbehandeling" van voormeld ziekenhuis in dagbehandeling. In april 1987 bleek er een zeer acceptabele toestand voor [appellante] te bestaan en werd gelet op het goede resultaat de therapie in de komende twee maanden afgebouwd. Per 1 september 1987 heeft [appellante] weer een studiebeurs aangevraagd en getracht haar studie te hervatten. Dit is vanwege dubbelzien en het voortdurend hebben van hoofdpijn niet gelukt. Voor het dubbelzien is [appellante] in 1988 geopereerd doch deze operatie is mislukt; het dubbelzien is na de operatie zelfs verergerd. [appellante] is gelet op voormelde restklachten voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard.

4.1.3. Ruim vier jaar na het ongeval schakelt [appellante] [bureau] in. Bij brief van 10 december 1990 schrijft [bureau] aan rechtsvoorganger geïntimeerde 2, rechtsvoorgangster van geïntimeerde 2, het volgende:

"Hierdoor delen wij U mede, dat wij door [appellante] te [woonplaats] zijn benaderd met het verzoek haar belangen te behartigen in verband met het haar op

22 september 1986 overkomen ongeval.

Volgens de lezing van onze cliënte is zij door een bus van Uw bedrijf aangereden. In verband hiermede verzoeken wij U ons mede te delen bij welke verzekeraar Uw bedrijf voor dergelijke voorvallen is verzekerd.

Tevens vernemen wij gaarne onder welk polisnummer U bij deze maatschappij staat geregistreerd.

Voorts verzoeken wij U deze brief ter behandeling door

te zenden aan Uw verzekeraar."

4.1.4. Geïntimeerde 1, de WAM-verzekeraar van geïntimeerde 2, antwoordt op 11 januari 1991 aan [bureau]:

"Heden ontvingen wij van onze tussenpersoon uw brief van 10 december jl. aan onze verzekerde. Gaarne vernemen wij op welke gronden u onze verzekerde aansprakelijk acht. Tevens zullen wij graag bewijsmateriaal ontvangen".

4.1.5. Eerst bij brief van 17 december 1991 worden de door geïntimeerde 1 gevraagde inlichtingen door [bureau] verstrekt.

In deze brief schrijft [bureau] dat zij heeft getracht een uitvoerig proces-verbaal van het ongeval te verkrijgen doch dat dit helaas niet blijkt te zijn opgesteld. De gemeentepolitie te [plaatsnaam] heeft gemeend te kunnen volstaan met een standaard aangifteformulier van een verkeersongeval en dit formulier wordt door [bureau] meegezonden. Over de grond waarop geïntimeerde 2 aansprakelijk wordt gehouden schrijft [bureau]:

"Zoals u ongetwijfeld bekend zal zijn dient iedere automobilist, en zeker bestuurders van de grote motorvoertuigen, de bijzondere voorzichtigheid te betrachten bij het inhalen van niet gemotoriseerde weggebruikers. Het is niet onwaarschijnlijk dat de bus

te kort op de fietsers heeft gereden om, toen zich de

val van [appellante] voordeed, niet tijdig en op verantwoorde manier te kunnen ingrijpen, in die zin dat de aanrijding had kunnen worden voorkomen. Zou de bus bijvoorbeeld voldoende tegen de wegas hebben aangereden bij het passeren van de fietsers, dan zou de aanrijding wellicht niet eens hebben plaats gevonden omdat [appellante] dan weliswaar zou zijn komen te vallen, doch de bus haar had kunnen ontwijken. Anderzijds is het niet ondenkbaar dat de bus te hard heeft gereden waardoor tijdig tot stilstand komen onmogelijk was.

Ik ben mij ervan bewust dat het vorenstaande berust op zekere aannames...

Ik ben natuurlijk bereid een bepaalde mate van eigen schuld te laten meewegen.

Gaarne verneem ik van U of U zich alsnog bereid verklaart de aansprakelijkheid van de door [appellante] geleden en nog te lijden schade tengevolge van het ongeval van 22 september 1986 alsnog, geheel of gedeeltelijk, te erkennen..

Cliënte heeft door het haar overkomen ongeval dermate ernstig hersenletsel opgelopen, dat zij lange tijd niet in staat is geweest te beseffen wat haar is overkomen. Daardoor heeft zij al helemaal niet stilgestaan bij de vraag of zij haar schade überhaupt zou kunnen verhalen, laat staan dat zij zich bewust zou zijn geweest bepaalde termijnen in acht te nemen. Tekend (bedoeld zal zijn: Tekenend; hof)voor deze hele kwestie is dat cliënte ons eerst eind vorig jaar heeft benaderd met het verzoek haar belangen te behartigen. Tot die datum is zij zich niet van haar rechten bewust geweest en heeft zij daarvan ook geen gebruik gemaakt. Het is dan triest te moeten constateren dat door het ernstige letsel dat het ongeval heeft veroorzaakt, cliënte een belangrijke termijn, te weten de 31 WVW-termijn, heeft laten verlopen. Ik ben mij ervan bewust dat dat onherroepelijk is. Dit neemt echter niet weg dat ik U in overweging wil geven het vorenstaande bij Uw beoordeling te betrekken."

4.1.6. Bij brief van 30 december 1991 schrijft geïntimeerde 1 aan [bureau]:

"..Hierbij zenden wij u fotokopieën van twee getuigenverklaringen. De lezingen zijn gelijk aan die van onze verzekerde en de inhoud van het politierapport. Aan onze verzekerde en haar chauffeur valt derhalve niets te verwijten.

Van onze tussenpersoon vernamen wij dat de schade aan de bus destijds door de [VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ] volledig werd verhaald. Of er sprake is geweest van medeschuld aan de zijde van de vriendin, [vriendin appellante], is ons niet bekend.

Mogelijk kan de [VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ] u hierover inlichten..

Het zal u duidelijk zijn, dat wij niet bereid zijn enige aansprakelijkheid te erkennen, zodat het geen enkele zin heeft deze zaak mondeling te bespreken. Wij nemen aan uw brief hiermede voldoende te hebben beantwoord en sluiten wederom ons dossier."

4.1.7. op 11 december 1992 schrijft [bureau] de volgende brief aan geïntimeerde 1:

"Zoals u wellicht weet is op 1 januari 1992 het nieuw verjaringsregime in werking getreden.

Hoewel voor bovenstaande zaak wellicht nog niet opportuun, willen wij zekerheidshalve per 1 januari a.s. de mogelijke verjaring ex artikel 3:310 BW juncto artikel

73 OW stuiten, respectievelijk per die datum een nieuwe verjaringstermijn doen ingaan. Om die reden verzoeken wij U ons mede te delen dat U in dezen op grond van artikel 3:318 BW het recht van onze cliënt erkent.

Mocht U zich voor 31 december a.s. niet schriftelijk met ons verzoek accoord hebben verklaard, dan gelieve U deze brief te beschouwen als een schriftelijke mededeling ex artikel 3:317 lid 1 BW."

4.1.8. Bij brief van 5 mei 1994 schrijft mr. J. Houkes, aan wie de zaak door [bureau] is overgedragen, dat hij met [bureau] van mening is dat in deze zaak volgens de voor bestuurders van motorrijtuigen verscherpte aansprakelijk-heidsnorm van artikel 1401 BW (oud) de buschauffeur rechtens enig verwijt valt te maken terzake het ongeval, dat mevrouw [appellante] op 22 september 1986 is overkomen.

Voorts gaat Houkes ervan uit dat de dagvaarding ten kantore van [geïntimeerde 1] kan worden betekend, waarbij geïntimeerde 1 zich als procespartij zal stellen, en voegt daar vervolgens aan toe:

"Ik neem aan dat de WAM in dezen van toepassing is en dat u dus kunt volstaan met het afzien van een beroep op verjaring van de in deze wet gestelde termijn".

4.1.9. Bij brief van 16 mei 1994 antwoordt geïntimeerde 1 niet akkoord te kunnen gaan met het voorstel de dagvaarding ten kantore van geïntimeerde 1 uit te brengen. Voorts schrijft geïntimeerde 1:

"Indien dit wel zal gebeuren, zullen wij ons beroepen op verjaring van de directe actie op de WAM-verzekeraar conform artikel 10 WAM.

Wij zijn voorts van oordeel dat ook de vordering op onze verzekerde verjaard is. Uw stuitingsbrief van 11 december 1992 was immers aan geïntimeerde 1 gericht en niet aan onze verzekerde. Nu de rechtstreekse reactie op geïntimeerde 1 reeds was verjaard, gold deze stuitingsbrief niet jegens geïntimeerde 1 en derhalve ook niet ex artikel 10, lid 2, WAM jegens verzekerde."

4.1.10. Bij vonnis van de rechtbank van 18 juni 1999 heeft rechtbank de directe vordering van [appellante] jegens geïntimeerde 1 afgewezen omdat deze, partijen zijn het daarover eens,

is verjaard en geïntimeerde 1 haar recht om zich op deze verjaring te beroepen naar het oordeel van de rechtbank niet heeft verwerkt. De vordering van [appellante] jegens geïntimeerde 2 ex artikel 31 WVW heeft de rechtbank afgewezen omdat deze in september 1989 is verjaard. De vordering jegens geïntimeerde 2 voor zover gebaseerd op artikel 1401 (oud) BW is volgens de rechtbank eveneens verjaard daar deze vordering

- volgens de nieuwe termijn van artikel 73 OW juncto 310 BW verjaard op 1 januari 1993 - niet is gestuit door de stuitingsbrief van 11 december 1992 daar deze brief aan geïntimeerde 1 en niet aan geïntimeerde 2 was gericht. Het standpunt van [appellante] dat geïntimeerde 1 gold als vertegenwoordiger van geïntimeerde 2 wordt door de rechtbank verworpen.

Voorts overweegt de rechtbank in rechtsoverweging 4.4 ten overvloede:

"..dat de op artikel 1401 oud BW gebaseerde vordering op geïntimeerde 2 ook niet toewijsbaar zou zijn geweest indien deze niet verjaard zou zijn. Indien de bestuurder [bestuurder] inderdaad rechtens enig verwijt kan worden gemaakt, dan is het [bestuurder] die daarmee een onrechtmatige daad jegens [appellante] heeft gepleegd. Geïntimeerde 2 zelf heeft niet onrechtmatig jegens [appellante] gehandeld. Geïntimeerde 2 is alleen door [appellante] gedagvaard omdat zij eigenares van

de door [bestuurder] bestuurde bus was, maar die omstandigheid heeft alleen aansprakelijkheid ex artikel 31 oud WVW tot gevolg en geen aansprakelijkheid ex artikel 1401 oud BW. De vordering is niet gebaseerd op artikel 1403 oud BW en bovendien is niet gesteld noch gebleken dat geïntimeerde 2 de werkgeefster van [bestuurder] was."

4.2. De grieven zijn zowel tegen de afwijzing van de vordering van [appellante] op geïntimeerde 1 als tegen de afwijzing van de vordering van [appellante] op geïntimeerde 2 gericht.

Tussen partijen is niet in discussie dat de (eventuele) directe vordering van [appellante] op geïntimeerde 1 op grond van artikel 6 juncto artikel 10 WAM op 22 september 1989, dus reeds op het moment dat [appellante] eind 1990 juridische bijstand zocht, was verjaard.

[appellante] is echter van mening dat geïntimeerde 1 haar recht heeft verwerkt om zich op deze verjaring te beroepen.

4.3. In grief 1 stelt zij dat de rechtbank dit beroep op rechtsverwerking ten onrechte heeft afgewezen. Geïntimeerde 1 heeft door niet uitdrukkelijk een beroep op verjaring te doen gehandeld in strijd met haar verplichtingen voortvloeiende uit de bedrijfsregeling nummer 15. Nadat [bureau] in haar schrijven van 17 december 1991 aan geïntimeerde 1 had medegedeeld zich bewust te zijn van de verjaring van de WAM-termijn, maar voor het laten verstrijken van deze termijn door [appellante] verwijst naar het ernstige hersenletsel van [appellante] en geïntimeerde 1 vraagt dat in haar beoordeling te betrekken, reageert geïntimeerde 1 daarop met een inhoudelijke afwijzing van wettelijke aansprakelijkheid van haar verzekerde. Door niet te reageren op de stellingen van [appellante] aangaande de WAM-termijn, heeft geïntimeerde 1 bij [appellante] de schijn en het vertrouwen opgewekt dat zij zich niet op verjaring zou beroepen en dat zij dus de aan te spreken partij was. Door dit opgewekte vertrouwen is [appellante] in haar positie benadeeld: had geïntimeerde 1 direct duidelijkheid verschaft over haar standpunt met betrekking tot de verjaring, dan had [appellante] zich kunnen concentreren op haar vordering op geïntimeerde 2.

4.4. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank het beroep op rechtsverwerking terecht afgewezen.

Van bijzondere omstandigheden vereist voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking of van een benadeling dan wel verzwaring van de positie van [appellante] (HR 29 september 1995, NJ 1996/89) is in het onderhavige geval geen sprake. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat geïntimeerde 1 haar afwijzing van de vordering van [appellante] tot mei 1994 alleen op inhoudelijke gronden heeft gebaseerd, voor [appellante] onvoldoende was om te mogen aannemen dat geïntimeerde 1 haar recht op een beroep op verjaring wilde prijsgeven en niet slechts uit een oogpunt van wellevendheid de vordering niet (alleen) op formele gronden wilde afwijzen. Van belang is dat geïntimeerde 1 [appellante] steeds duidelijk en ondubbelzinnig heeft laten weten aansprakelijkheid af te wijzen. Geïntimeerde 1 heeft dan ook gehandeld in overeenstemming met de Bedrijfsregeling nr. 15. De vergelijking met het geval, besproken in de door [appellante] bij repliek als productie 2 overgelegde uitspraak, gaat niet op omdat in dat geval de verzekeraar zich pas op verjaring was gaan beroepen na te hebben meegewerkt aan een medisch onderzoek, daarmee het vertrouwen wekkend zich niet op verjaring te zullen beroepen.

4.5. Ook kan niet gezegd worden dat [appellante] door het optreden van geïntimeerde 1 in een nadeliger positie is komen te verkeren, doordat zij door dat optreden niet meer werk heeft gemaakt van haar vordering op geïntimeerde 2. Dat valt immers niet geïntimeerde 1 te verwijten doch de rechtshulpverlener van [appellante]. Van deze had immers, in de wetenschap dat zowel de vordering van [appellante] op geïntimeerde 1 ex artikel 6 juncto 10 WAM als ook de vordering van [appellante] op geïntimeerde 2 ex artikel 31 WVW waren verjaard, ten eerste verwacht mogen worden dat hij onmiddellijk, uit welke hoofde dan ook, rechtstreeks (ook) geïntimeerde 2 aansprak om daarmee alle mogelijke rechtten veilig te stellen, en voorts verwacht mocht worden dat hij ook andere grondslagen waarop de aansprakelijkheid zou kunnen worden gebaseerd had onderzocht en benut, waarbij met name te denken valt aan art. 1403 (oud) BW naast art. 1401 (oud) BW. Het was voor de hand liggend geweest dat daarop geïntimeerde 2 ook op grond van artikel 1403 oud BW was aangesproken.

De nadelige(r) positie waarin [appellante] stelt te zijn komen te verkeren kan mitsdien niet worden toegerekend aan enig handelen of nalaten van geïntimeerde 1, en dient daarentegen geheel te worden toegerekend aan de door de rechtshulp-verlener van [appellante] gemaakte keuzes, wat er ook zij van de overweging van de rechtbank zoals vervat in de laatste drie regels van rechtsoverweging 4.1.

4.6. Ook ingeval het hof, net zoals geïntimeerden in de memorie van antwoord, grief 1 in het licht van recente jurisprudentie met betrekking tot verjaring (HR 23

oktober 1998, NJ 2000/15 en HR 25 juni 1999, NJ 2000/16) welwillend leest in die zin dat het beroep van geïntimeerde 1 op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, treft deze grief geen doel. Door de door [appellante] ingeschakelde rechtshulpverlener is naar voren gebracht dat [appellante] vanwege ernstig hersenletsel belangrijke termijnen heeft laten verlopen. Uit de overgelegde medische rapportages blijkt inderdaad dat [appellante] door het ongeval zeer ernstig hersenletsel heeft opgelopen en dat zij in een diep comateuze toestand op de ICU is opgenomen en daar ongeveer 3 maanden heeft verbleven. Uit diezelfde rapportages blijkt ook dat [appellante] medio 1987, zij het vanwege het ongeval met enige beperkingen, weer aan het maatschappelijk verkeer deelnam. Op grond van deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat het niet kunnen geldend maken van haar schadevordering voortvloeit uit omstandigheden die aan de debiteur, in het onderhavige geval geïntimeerde 2 en daarvan afgeleid diens WAM-verzekeraar geïntimeerde 1, moeten worden toegerekend. Gelet op het voorgaande behoeft de vraag of en in hoeverre de verjaringstermijnen van art. 31 WVW (oud) en 10 WAM mogelijk eerst een aanvang zouden nemen nadat [appellante] voldoende in staat was haar belangen te behartigen, geen beantwoording, omdat ook vanaf het moment (medio 1987) dat [appellante] in staat was haar belangen te behartigen, meer dan drie jaren waren verlopen vooraleer zij zich eind 1990 voor het eerst tot een rechtshulpverlener wendde.

Grief 1 treft dan ook geen doel.

4.7. Grief 2 verwijt de rechtbank geïntimeerde 1 ten onrechte

niet als vertegenwoordigster van geïntimeerde 2 te hebben aangemerkt. Volgens [appellante] mocht zij erop vertrouwen dat geïntimeerde 1 als vertegenwoordigster van geïntimeerde 2 optrad. Dientengevolge heeft [appellante] haar stuitingsbrief aan geïntimeerde 1 mogen richten en daarmee haar vordering op geïntimeerde 2 ex artikel 1401 oud BW tijdig gestuit.

Het hof merkt daarover het volgende op.

Onderscheid dient te worden gemaakt tussen de vraag

enerzijds of gelet op de concrete omstandigheden van een bepaald geval een WA-verzekeraar beschouwd kan worden als "vertegenwoordiger" van zijn verzekerde aldus dat handelingen, gericht tot de verzekeraar, tevens geacht moeten worden te zijn gericht tot de verzekerde, zoals stuitingshandelingen en anderzijds de situatie welke aan de orde is in (thans) artikelen 10 lid 4 en 5 WAM.

De vraag of en in hoeverre een WA-verzekeraar als vertegenwoordiger van zijn verzekerde kan worden aangemerkt is veelal afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, en vaak zal worden geoordeeld dat deze situatie zich voordoet als de verzekerde zich jegens de benadeelde heeft uitgelaten aldus dat deze zich rechtstreeks met de verzekeraar kan of dient te verstaan. Indien echter de benadeelde zonder zodanige aanwijzing rechtstreeks de verzekeraar aanspreekt, gaat dit in de meeste gevallen niet op en kan die verzekeraar niet zonder meer als vertegenwoordiger worden aangemerkt, nu immers de vraag of een wederpartij een bepaalde persoon als vertegenwoordiger mag aanmerken vrijwel nooit afhankelijk is van uitlatingen of gedragingen van die "vertegenwoordiger" en integendeel meestal wel van uitlatingen of gedragingen van de "vertegenwoordigde".

Samenhangende met het uitgangspunt dat een verzekering krachtens de WAM, anders dan een "gewone" WA-verzekering, de benadeelde een rechtstreekse aanspraak op de WAM-verzekeraar geeft zodat de benadeelde inderdaad rechtstreeks met de WAM-verzekeraar kan onderhandelen, bepaalt artikel 10 lid 4 WAM dat handelingen die de verjaring jegens de verzekerde stuiten ook de verjaring jegens de verzekeraar stuiten, en omgekeerd, zulks dus los van de vraag of de verzekerde uitlatingen heeft gedaan of gedragingen heeft verricht jegens de benadeelde waaruit de laatste kon afleiden dat de verzekeraar als vertegenwoordiger van de verzekerde mocht optreden.

Voor het onderhavige leidt dit tot de volgende conclusies.

Niets is gesteld of gebleken omtrent uitlatingen van geïntimeerde 2 (of [bestuurder]) jegens [appellante], waaruit blijkt

dat deze aan [appellante] heeft gezegd dat deze zich rechtstreeks tot [geïntimeerde 1] als haar WA-verzekeraar kon wenden, daarmee geïntimeerde 1 als haar vertegenwoordiger terzake aanduidend.

Als gezegd mocht [appellante], behoudens het geval van artikel 10 WAM, niet op grond van eigen uitlatingen van geïntimeerde 1, deze als vertegenwoordiger van [geïntimeerde 2] aanmerken.

Of geïntimeerde 1 zich al dan niet als vertegenwoordiger van geïntimeerde 2 "manifesteerde" is dus voor deze vraag niet

van belang.

Voor de kwestie van artikel 10 WAM geldt, dat omstandigheden welke de stuiting van de verjaring van de vordering op de WAM-verzekeraar met zich zouden kunnen brengen tevens tot stuiting van de vordering op de verzekerde leiden, doch dit is enkel het geval indien er nog enige lopende verjaringstermijn valt te stuiten. De verjaringstermijn welke jegens geïntimeerde 1 liep was op grond van artikel 10 lid 1 WAM echter reeds voltooid en kon dus niet meer gestuit worden. De "stuitingshandeling", welke besloten lag in de brief van 11 december 1992, had dus geen stuiting ten gevolge jegens geïntimeerde 1 en daarmee evenmin jegens geïntimeerde 2, zulks ofschoon de eventuele aanspraken van [appellante] op geïntimeerde 2 ex artikel 1401 (eventueel juncto artikel 1403) oud BW, anders dan overigens de aanspraken van [appellante] op geïntimeerde 2 ex artikel 31 (oud) WVW, op zichzelf toen nog niet waren verjaard en door een rechtstreekse stuitingsbrief aan geïntimeerde 2 de verjaring van die aanspraken gestuit had kunnen worden.

Grief 2 faalt derhalve.

4.8. In grief 3 verzet [appellante] zich tegen het feit dat de rechtbank de verjaring van de vordering van [appellante] op geïntimeerde 2 op grond van artikel 1401 oud BW heeft aangenomen. Deze vordering is door [appellante] tijdig gestuit: allereerst door de aansprakelijkstelling van 10 december 1990 en de alsdan aanvangende nieuwe verjaringstermijn - op grond van artikel 73 OW teruggebracht tot 5 jaar - is vervolgens door het verzoekschrift tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor van 11 september 1995 gestuit.

Ook deze grief 3 faalt.

Immers: de stuiting op 10 december 1990 dient op grond van artikel 120 OW te worden beoordeeld naar oud recht

en op grond van artikel 2016 oud BW is deze stuiting

niet door de bevoegde ambtenaar aan geïntimeerde 2 betekend.

De brief van 10 december 1990 heeft derhalve niet geleid tot stuiting van de vordering van [appellante] op geïntimeerde 2, met als gevolg dat deze vordering op grond van artikel 73 OW op 1 januari 1993 was verjaard.

4.9. Geheel ten overvloede merkt het hof op dat ook in geval (één van) de grieven doel hadden getroffen, dat niet zou hebben geleid tot vernietiging van het vonnis. Immers bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering van [appellante], zou het hof geconfronteerd zijn met het feit dat de vordering van [appellante] jegens geïntimeerde 2 alleen is gebaseerd op artikel 1401 oud BW. Ook al merkt (de raadsman van) [appellante] in de inleiding op de grieven op er op voorhand vanuit te gaan dat ook het hof, evenals de rechtbank in de visie van [appellante], de rechtsgronden ex artikel 48 Rv zal aanvullen, daarbij wordt over het hoofd gezien dat het hof de feiten niet mag aanvullen. Nu ook in hoger beroep niet is gesteld noch gebleken dat [bestuurder] ten tijde van het ongeval in dienst was bij [rechtsvoorganger geïntimeerde 2],

terwijl het hoger beroep er juist ook toe dient verzuimen in eerste aanleg te herstellen, zou ook het hof in dat geval niet anders hebben gekund dan de vordering van [appellante] op geïntimeerde 2 afwijzen.

Slotsom

4.10. Dit alles voert tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd en dat [appellante]

als de in het hoger beroep in het ongelijk gestelde partij moet worden veroordeeld in de kosten van dit

hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank tussen partijen op 18 juni 1999 onder rolnummer 19501/HA ZA 97-2747 gewezen;

veroordeelt [appellante] in de kosten van dit hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden tot aan de datum van

deze uitspraak begroot op f 475,00 aan verschotten en f 1.700,00 aan salaris procureur.

Aldus gewezen door mrs. Zwitser-Schouten, Brandenburg

en H. Vermeulen en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting van dit hof van 21 mei 2001.