Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AB1886

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/00831
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1094
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/00831

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem met verhoging opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 december 1996, aanslagnummer en het bij het vaststellen van die aanslag met betrekking tot die verhoging genomen kwijtscheldingsbesluit.

De mondelinge behandeling:

De mondelinge behandeling van de zaak heeft voor wat betreft de enkelvoudige belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de verhoging in het openbaar plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 25 april 2001 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, A, verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 9 mei 2001, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing:

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak;

verklaart belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar;

vermindert de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van

fl. 880.597,= aan enkelvoudige belasting, zonder

verhoging;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belang-

hebbende tot een bedrag van fl. 1.531,= onder aanwijzing

van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze

kosten moet vergoeden; en

gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door

deze gestorte griffierecht ad fl. 80,= wordt vergoed.

De gronden:

(1) In het bezwaarschrift van 26 augustus 1997 wordt door belanghebbende gesteld dat geen sprake is van valselijk opgemaakte inkoopfacturen. Hiermede is dit bezwaarschrift naar het oordeel van het Hof voldoende gemotiveerd.

(2) Vaststaat dat de Inspecteur in ieder geval op 2 december 1997 een (aanvullende) motivering van het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dit brengt met zich dat de Inspecteur bij het doen van de bestreden uitspraak op 12 december 1997 geen redelijke grond had om gebruik te maken van de hem in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht verleende bevoegdheid.

(3) Gelet op hetgeen onder (1) en (2) is overwogen, heeft de Inspecteur belanghebbende bij de bestreden uitspraak ten onrechte niet-ontvankelijk in zijn bezwaar verklaard.

(4) Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat het ter zake van de zogeheten thuiskopierechten in de naheffingsaanslag begrepen bedrag van fl. 4.182,= niet in geschil is.

(5) Facturen B B.V.

Aan de volgende passages uit de in het door de Inspecteur overgelegde rapport van de FIOD voorkomende processen-verbaal

- C:

“Deze facturen ken ik niet. Iedereen kan wel facturen maken van bijvoorbeeld D BV, E of F. Volgens mij is de handtekening van G ook nog vervalst op de aan mij getoonde facturen.”

- I:

“Alle betalingen heb ik gedaan aan J. Ook de facturen van L kreeg ik van J. (…) Of de omschrijving welke op de facturen van mijn bedrijf K en van L de werkelijkheid weergeven weet ik niet. Ik heb als voorbeeld wel eens een aantal simmetjes gezien. De goederen welke op de facturen omschreven zijn heb ik meestal niet gezien. De tekst welke op mijn facturen moest staan, kreeg ik op van J zowel het bedrag als de aantallen.”

- M:

“Deze vrachtbrieven zeggen mij niets. Wij gebruiken dit soort vrachtbrieven niet. Het is wel ons stempel wat is gebruikt of een stempel wat identiek is. De goederen die erop staan zijn niet door ons vervoerd.”

- N:

“Deze vrachtbrieven ken ik niet. Deze vrachtbrieven zijn niet door het bedrijf O opgemaakt. Het zijn ook niet onze vrachtbrieven. De goederen die op de vrachtbrieven voorkomen zijn niet door ons vervoerd.”.

- AA:

“Ik ken de L. De door U getoonde facturen heb ik niet eerder gezien. Ik kan hier niet over verklaren. Ik ken de L en twee mensen, die in het stichtingsbestuur zaten, namelijk C en EE. Van deze twee mensen weet ik wel zeker dat zij niet de goederen hebben geleverd die op de door U getoonde facturen zijn vermeld. Later is FF stichtingsbestuurder geworden van L. Van FF weet ik dat hij de goederen ook niet geleverd kan hebben. Wie dan wel binnen de stichting deze goederen geleverd zou hebben weet ik niet, volgens mij helemaal niemand.”,

aan de betrouwbaarheid en daarmede de inhoud waarvan het Hof geen reden heeft te twijfelen, een en ander tezamen beschouwd, ontleent het Hof het vermoeden dat de in belanghebbendes administratie voorkomende facturen van B B.V. in die zin vals zijn dat geen daadwerkelijke leveringen van de op deze facturen vermelde goederen door deze B.V. aan belanghebbende hebben plaatsgevonden. Belanghebbende heeft dit vermoeden niet ontzenuwd, met name ook niet met het door hem ter zitting overgelegde “Rapport van feitelijke bevindingen”.

(6) Facturen V.o.f. GG

Aan de volgende passages uit de in het door de Inspecteur overgelegde rapport van de FIOD voorkomende processen-verbaal

- HH:

“II heeft ook voor blanco facturen van GG gezorgd, hij maakte deze op de computer bij zijn werkgever. Hij draaide er een aantal uit en die kreeg ik van II. Ik heb zelf ook wel eens copieen gemaakt van blanco facturen.

Na enige tijd nam J weer contact met mij op, en hij gaf aan dat hij een factuur wilde hebben voor de levering van een partij goederen. Het is ook mogelijk dat ik contact opgenomen heb met J om hem mee te delen dat de inschrijving van ons bedrijf rond was.

Daarna heb ik voor het eerst een factuur gemaakt voor J. Dat was in april van 1995. De gang van zaken was dat J aan mij doorgaf wat er op de factuur moest komen te staan, dus de soort en de hoeveelheid van de goederen, het bedrag en de BTW. Met deze factuur ging ik naar Q en deze factuur gaf ik aan J. Het factuurbedrag werd door J contant opgenomen bij de bank, het is ook mogelijk dat ik een cheque kreeg die ik verzilverde bij de bank. Het geld kreeg ik dus van J, maar ik gaf het geld gelijk weer terug aan J. (…)

Later was de gang van zaken dezelfde als bij de eerste keer. (…)

Ik of GG hebben dus nooit goederen geleverd aan J of CC. (…)

Ja, ook de factuurdatum werd door J doorgegeven. Meestal was dit wel op de datum waarop ik de facturen moest maken. (…)

De goederen die op deze facturen staan heb ik in werkelijkheid nooit geleverd. Ik heb de goederen nooit gezien. Ik heb ik werkelijkheid geen zaken gedaan met CC of met J.”.

- II:

“Het was de bedoeling dat wij met ons bedrijf louter en alleen voor de facturering tussen CC met een ander niet bestaand bedrijf zouden zitten. J vertelde dat dit voor hem gunstiger was in verband met te heffen belastingen en dergelijke. In de bespreking met J werd duidelijk dat wij een percentage van het voordeel van J zouden krijgen. Dit percentage was meestal 1 a 2 % van de factuurwaarde van de door ons opgemaakte factuur. Ik ben twee keer meegeweest met JJ naar J thuis in Q. Daar werd de door ons gemaakte factuur aan J overhandigd. Dat was de factuur van GG aan CC. De gegevens voor de inhoud van de factuur van GG aan CC was door J aan JJ doorgegeven. JJ gaf deze gegevens dan weer aan mij door en ik maakte dan de factuur op. In sommige gevallen zijn de facturen ook door JJ zelf opgemaakt. De gegevens die J doorgaf waren de te factureren goederen zoals cassette bandjes of Simms in de hoeveelheid en het bedrag dat gefactureerd moest worden. De facturen voor cassettebandjes en Simms moesten voorzien worden van stuksprijzen en de BTW moest uiteraard vermeld worden. Verder moest er bij de cassette bandjes specifiek vermeld worden wat het bedrag aan thuiskopierecht was.

Ook de datum werd door J aangegeven net als de manier waarop de factuur betaald zou worden.

Dit werd allemaal aangereikt door J van CC. Met de door mij of JJ opgemaakte factuur gingen wij naar J van CC. Toen ik twee keer mee was geweest met JJ naar J wist ik dat er geen normale in- en verkoop transacties waren. Ons bedrijf GG moest als tussenschakel fungeren. Ik heb nooit handel gezien. Geen cassettes en geen Simms.”

en

“Alle transacties tussen KK en GG zijn er niet geweest. Ook de transacties tussen GG en CC zijn fake. De opgemaakte facturen KK zijn vals.”,

aan de betrouwbaarheid en daarmede de inhoud waarvan het Hof geen reden heeft te twijfelen, een en ander tezamen beschouwd, ontleent het Hof het vermoeden dat de in belanghebbendes administratie voorkomende facturen van V.o.f. GGGG in die zin vals zijn dat geen daadwerkelijke leveringen van de op deze facturen vermelde goederen door deze vennootschap onder firma aan belanghebbende hebben plaatsgevonden. Belanghebbende heeft dit vermoeden niet ontzenuwd, met name ook niet met het door hem ter zitting overgelegde “Rapport van feitelijke bevindingen”.

(7) Facturen DD

Aan de volgende passages uit de in het door de Inspecteur overgelegde rapport van de FIOD voorkomende processen-verbaal

BB:

“Ik zal u precies vertellen hoe het gegaan is. J belde mij op met de vraag of ik een firma wist waarop hij kon factureren. Dit is ongeveer begin 1996 geweest. J heeft de factuur van CC met factuurnummer 95/011195/002 afgegeven aan mij. Tevens gaf hij mij een briefje waarop stond wat op de factuur moest komen te staan gericht aan Handelsonderneming CC. Ik heb de door u getoonde factuur met factuurnummer 030195 laten maken op naam van DD gericht aan Handelsonderneming CC. Vervolgens heb ik beide facturen afgegeven aan de administratieve medewerkster van DD die beide facturen in de boekhouding van DD heeft verwerkt. (…) De transacties op deze beide facturen heeft niet plaatsgevonden. Alles wat op de facturen staat is niet juist. De goederen zijn niet geleverd, betaling heeft niet plaats gevonden. De handtekening op de factuur 030195 is mijn handtekening. Deze is geplaatst als ware per kas voldaan, echter er is nooit iets betaald. De handtekening voor aflevering van de goederen op de factuur van CC herken ik als mijn handtekening. Ik teken voor aflevering van de goederen, maar in werkelijkheid is niets geleverd. (…)

Ik kreeg van J deze factuur en vervolgens moest ik deze factuur weer tegenfactureren. Ik liet dan door de administratief medewerkster van DD te S een factuur typen gericht aan CC te Q, waarop deze partij werd tegengefactureerd. Dit is de door u getoonde factuur van DD te S, gedateerd 18-01-96 met factuurnummer 180196.

Ook deze factuur is vals en wel omdat de levering vermeld op de factuur niet heeft plaatsgevonden, er is niet per kas voldaan met andere woorden het is allemaal fake. (…)

De door U getoonde factuur van KK B.V., gedateerd 24-01-1996 met rekeningnummer 96/910 is ook vals.”,

aan de betrouwbaarheid en daarmede de inhoud waarvan het Hof geen reden heeft te twijfelen, een en ander tezamen beschouwd, ontleent het Hof het vermoeden dat de in belanghebbendes administratie voorkomende facturen van DD in die zin vals zijn dat geen daadwerkelijke leveringen van de op deze facturen vermelde goederen door deze firma aan belanghebbende hebben plaatsgevonden. Belanghebbende heeft dit vermoeden niet ontzenuwd, met name ook niet met het door hem ter zitting overgelegde “Rapport van feitelijke bevindingen”.

(8) Facturen G

Aan de volgende passages uit de in het door de Inspecteur overgelegde rapport van de FIOD voorkomende processen-verbaal

H:

“Zelf heb ik geen handel gedreven. Ik heb de goederen nooit gezien. J kwam bij mij thuis of ik ging naar hem toe. Hij zei dat hij bepaalde goederen wilde inkopen en vroeg aan mij of ik als tussenpersoon wilde optreden. (…)

Dezelfde dag of in ieder geval een paar dagen later kwam J met een inkoopfactuur gericht aan mijn bedrijf G. Deze inkoopfacturen gaf J aan mij voor mijn administratie. Gelijktijdig zei hij tegen mij wat ik op de facturen moest zetten welke in aan zijn bedrijf CC richtte. Meestal gaf hij mij een briefje waar de gegevens opstonden die ik op mijn factuur van G gericht aan zijn bedrijf CC moest vermelden. (…) Ik typte de facturen als J er om vroeg en de gegevens aan mij gaf. Ik typte de facturen wanneer hij ze nodig had. Ik maakte niet achteraf de facturen op. (…)

Ik heb zelf nooit daadwerkelijk goederen ingekocht of verkocht binnen mijn G Ik heb uitsluitend op aangeven van J verkoopfacturen getypt en inkoopfacturen van J in ontvangst genomen.”. (…)

“Alles wat ik op deze facturen geschreven en getypt heb, dat is niet zo. Ik heb geen goederen geleverd aan CC. Ik heb geen geld ontvangen voor deze goederen, ik heb de goederen die op de factuur staan vermeld nooit gehad. Ik heb op verzoek van J verkoopfacturen gemaakt op mijn onderneming. Ik heb op verzoek van J de papieren kraam geregeld.”,

aan de betrouwbaarheid en daarmede de inhoud waarvan het Hof geen reden heeft te twijfelen, een en ander tezamen beschouwd, ontleent het Hof het vermoeden dat de in belanghebbendes administratie voorkomende facturen van G in die zin vals zijn dat geen daadwerkelijke leveringen van de op deze facturen vermelde goederen door deze onderneming aan belanghebbende hebben plaatsgevonden. Belanghebbende heeft dit vermoeden niet ontzenuwd, met name ook niet met het door hem ter zitting overgelegde “Rapport van feitelijke bevindingen”.

(9) Hetgeen onder (5) tot en met (8) is overwogen, brengt met zich dat de op de aldaar bedoelde facturen vermelde omzetbelasting niet voor aftrek als voorbelasting bij belanghebbende in aanmerking komt. De naheffingsaanslag dient derhalve, mede gelet op hetgeen onder (4) is vermeld, voor wat betreft de daarin begrepen enkelvoudige belasting te worden gehandhaafd.

(10) De Inspecteur heeft in het vertoogschrift verklaard dat de verhoging gelet op de strafrechtelijke veroordeling van belanghebbende kan vervallen.

(11) In de omstandigheid dat de bestreden uitspraak, gelet op hetgeen onder (3) is overwogen, moet worden vernietigd, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij aanspraak maakt op vergoeding van de kosten van de hem in verband met het instellen van beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures (hierna: het Besluit) op 1 (punt) x fl. 710,= (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) is fl. 1.420,=. Daarnaast heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op vergoeding van reis- en verletkosten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdelen c en d, van het Besluit. Het Hof berekent deze kosten in goede justitie op fl. 11,= (retour NS tweede klasse Q - R) en fl. 100,= (verletkosten), hetgeen tezamen met voormeld bedrag van fl. 1.420,= tot een totaalbedrag van fl. 1.531,= leidt.

(12) Nu de bestreden uitspraak moet worden vernietigd, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door hem voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= te vergoeden.

(13) Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 9 mei 2001 door J.A. Meijer, voorzitter, P. Fortuin en J.W. Verstraate, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 15 mei 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende fl. 150,=.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak eveneens een griffierecht van fl. 150,= verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.