Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AB0796

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/20826
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 569

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/20826

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Douane P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende de haar op 24 april 1997 uitgereikte uitnodiging tot betaling van onder meer omzetbelasting, kenmerk 1.

De mondelinge behandeling:

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 7 februari 2001 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 21 februari 2001, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing:

Het Hof vernietigt zowel de bestreden uitspraak als de uitnodiging tot betaling, beide voor zover deze de omzetbelasting betreffen; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van fl. 2.840,= en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad fl. 80,= wordt vergoed.

De gronden:

(1) Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat de administratieve boete ad fl. 200,= buiten geschil is.

(2) Vaststaat dat de goederen door Z OY in Finland op 7 maart 1996 in ontvangst zijn genomen. Hieraan ontleent het Hof het vermoeden dat de goederen in Finland, althans niet in Nederland, aan de douaneregeling zijn onttrokken, dit laatste zowel in fysieke als in formele zin. De Inspecteur heeft dit vermoeden niet ontzenuwd. De vraag of een douaneschuld bij invoer als bedoeld in artikel 204, eerste lid, onderdeel a, van het CDW het belastbare feit invoer als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst maart 1996) oplevert, kan derhalve in het midden blijven.

Gelet op het vorenstaande dient de uitnodiging tot betaling voor zover deze de omzetbelasting betreft, te worden vernietigd. De overige in geschil zijnde vragen behoeven mitsdien geen beantwoording meer.

In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van belanghebbendes proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het Besluit proceskosten fiscale procedures op 2 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) is fl. 2.840,= voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

(3) Nu het beroep gegrond is, dient de Inspecteur aan belanghebbende, op de voet van artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, het door haar voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= te vergoeden.

(4) Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 21 februari 2001 door J.A. Meijer, voorzitter, M.E. van Hilten en P. Fortuin, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 28 februari 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende fl. 150,=. Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak eveneens een griffierecht van fl. 150,= verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.