Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AB0737

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/01274
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 523
FutD 2001-0624
V-N 2001/35.5

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/01274

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 31 december 1996, aanslagnummer , en tegen het bij die naheffingsaanslag genomen besluit inzake kwijtschelding van de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging.

DE MONDELINGE BEHANDELING:

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 31 januari 2001 te ‘s-Hertogenbosch.

Daar zijn toen verschenen en gehoord A, belastingadviseur, verbonden aan B te C, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur I.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 14 februari 2001, de volgende monde-linge uitspraak gedaan.

DE BESLISSING:

Het Hof vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, handhaaft de naheffingsaanslag, vernietigt het besluit tot kwijtschelding van de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging, besluit van de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging een kwijtschelding te verlenen tot op

ƒ 10.000,--, gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 85,-- en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 2.130,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

.

DE GRONDEN:

(1) In geschil is of terecht een verhoging wegens grove schuld is opgelegd en, zo die vraag bevestigend moet worden beantwoordt, of de Inspecteur terecht heeft besloten geen verdere kwijtschelding van de verhoging te verlenen dan tot op 10 percent, zijnde

ƒ 24.995,--.

(2) Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur voldoende aannemelijk gemaakt dat het aan grove nalatigheid van de administrateur van belanghebbende te wijten is dat na de zogenaamde optie belaste verhuur, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, ten vijfde, van de Wet op de omzetbelasting 1968, de onroerende zaak is verhuurd zonder omzetbelasting in rekening te brengen. Weliswaar acht het Hof aannemelijk de stelling van belanghebbende dat deze fout is veroorzaakt door de onjuiste veronderstelling dat de “optie” strekte tot vrijstelling van belasting, maar het Hof is van oordeel dat een ervaren administrateur als de onderhavige een dergelijke in het oog springende fout niet mag maken en dat hem derhalve grove nalatigheid kan worden verweten. Deze grove nalatigheid moet belanghebbende worden toegerekend nu zij naar het oordeel van het Hof onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend op het functioneren van de administrateur. Bij een deugdelijke administratieve organisatie met een adequate interne en externe controle had een fout als de onderhavige aan het licht moeten komen. Aan dit oordeel doen niet af de omstandigheden dat omzetbelasting in de administratie een doorlopende post pleegt te zijn en dat de fout per saldo, en bezien in samenhang met hetgeen bij de huurder heeft plaatsgevonden, voor de fiscus geen nadeel opleverde. Die omstandigheden nemen immers niet weg dat fouten als de onderhavige, die worden gemaakt in het kader van de toepassing van de regelgeving inzake omzetbelasting, voor de betrokkene grote financiële gevolgen kunnen hebben. Belanghebbende had daarom haar administratieve organisatie zodanig moeten inrichten dat dergelijke fouten tijdig konden worden gecorrigeerd.

(3) Gelet op de ernst van het feit, daaronder begrepen de reeds genoemde omstandigheid dat de fout per saldo de fiscus geen nadeel heeft opgeleverd, en de aan de bijzondere kenmerken van belanghebbende, behorend tot de structuur van de D, acht het Hof een boete van ƒ 10.000,-- passend en geboden.

(4) Het voorgaande brengt mee dat het beroep ten dele gegrond is. De uitspraak moet worden vernietigd en de verhoging moet verder worden kwijtgescholden tot een ten bedrage van

ƒ 10.000,--.

PROCESKOSTEN:

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op 2 punten maal ƒ 710,-- maal wegingsfactor 1,5 ofwel ƒ 2.130,--.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 14 februari 2001 door R.J. Koopman, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 22 februari 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende ¦ 150,=.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van

¦ 150,= verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het door de belanghebbende ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het door deze voor het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht.

U dient zich wel te bedenken dat de Hoge Raad de zaak niet meer helemaal opnieuw onderzoekt, maar in het algemeen, op basis van de door het gerechtshof vastgestelde feiten, bekijkt of het recht goed is toegepast en of geen procedurele regels zijn geschonden.