Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AB0734

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/01896
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 521
FutD 2001-0632
V-N 2001/42.1.9

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/01896

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, vierde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y (Duitsland) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen buitenland te P van de rijksbelastingdienst (hierna de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de vermogensbelasting opgelegd naar een binnenlands vermogen en een belastbare som van fl. 250.000,--. Belanghebbende heeft tegen die aanslag een bezwaarschrift ingediend. Bij de bestreden uitspraak is de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van voormelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.3. De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 2 februari 2001. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en namens de Inspecteur I. Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de wederpartij en aan het Hof. De inhoud van die pletnota wordt als hier ingelast aangemerkt.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende, van Duitse nationaliteit, woonde in 1996 en 1997 in Duitsland. Zij was weduwe. Op 1 januari 1997was belanghebbende eigenaresse van een huis met toebehoren aan de A-straat 1 te A (Nederland). Ook haar woning in Duitsland behoorde belanghebbende in eigendom toe.

In Nederland genoot belanghebbende (Nederlandse) AOW. In Duitsland genoot belanghebbende een Duits pensioen. Ook had belanghebbende in Duitsland een spaartegoed. Haar inkomen genoot belanghebbende grotendeels in Duitsland.

2.2. Het huis te A was op 1 januari 1997 belanghebbendes enige vermogensbestanddeel in Nederland. Bij vraag 31 (privé-vermogen: uw woning in Nederland) van het aangiftebiljet inkomstenbelasting 1996/vermogensbelasting 1997 heeft belanghebbende als “adres en waarde van uw woning in Nederland” ingevuld “A-straat 1, A” respectievelijk “nvt (250.000,-) zie voorgaande corresp. + bezwaarschriften”. Vraag 37 (berekening vermogen) heeft zij beantwoord met “nvt”.

2.3. De onderhavige aanslag in de vermogensbelasting is gedagtekend 16 december 1997. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur het huis te A in aanmerking genomen en wel naar de waarde in het economische verkeer, vrij van gebruik. Voorts heeft de Inspecteur belanghebbende bij de aanslagregeling geen belastingvrije som toegekend. De aanslag is opgelegd naar een belastbare som van fl. 250.000,--.

2.4. Ook op 1 januari van de jaren 1996 en 1995 was het huis met toebehoren te A belanghebbendes enige vermogensbestanddeel in Nederland. Voor het jaar 1996 legde de Inspecteur in verband met die woning een aanslag in de vermogensbelasting (dagtekening 31 december 1996) op naar een vermogen van fl. 225.000,--.Voor het jaar 1995 bleef een aanslag in de vermogensbelasting achterwege. In de daaraanvoorafgaande jaren ressorteerde belanghebbende onder een andere eenheid van de rijksbelastingdienst.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Ter zitting hebben partijen eenparig verklaard dat in geschil is het antwoord op de volgende vragen.

A. Moet het huis te A in aanmerking worden genomen naar de waarde in het economische verkeer, vrij van gebruik (standpunt Inspecteur), of moet de waarde van die woning worden gesteld op 60% van evenbedoelde waarde (standpunt belanghebbende)?

B. Komt belanghebbende in aanmerking voor een belastingvrije som (standpunt belanghebbende) of bedraagt de belastingvrije som voor belanghebbende nihil (standpunt Inspecteur)?

C. Heeft de Inspecteur gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, door voor het jaar 1997 geen nihil-aanslag in de vermogensbelasting op te leggen (standpunt belanghebbende), of is van een handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel geen sprake (standpunt Inspecteur)?

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden vermeld in de van

hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij daaraan geen argumenten tooegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, primair tot vermindering van de aanslag tot nihil en subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbare som van [fl. 250.000,-- - {(100% - 60%) = 40% van fl. 250.000,-- =} fl. 100.000,-- - fl. 132.000,-- (belastingvrije som tariefgroep 2) =] fl. 18.000,--. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Belanghebbende woonde in (ondermeer) de jaren 1996 en 1997 in Duitsland. Niet kan worden gezegd dat het huis te A belanghebbende of de personen die tot haar huishouden behoorden, anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking stond. Dat huis vormde voor belanghebbende derhalve geen eigen woning in de zin van artikel 9, lid 4, van de Wet op de vermogensbelasting 1964. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur terecht

het huis te A in aanmerking worden genomen naar de waarde in het economische verkeer (vrij van gebruik) en heeft de Inspecteur terecht de waarde van dat huis niet gesteld op 60% van die waarde. Anders dan belanghebbende heeft aangevoerd is bedoelde bepaling niet in strijd met het EG-Verdrag of met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied, gesloten te ’s-Gravenhage op 16 juni 1959 (Trb. 1959, nr. 850)(hierna: het verdrag Nederland-Duitsland). Gemelde bepaling maakt geen onderscheid naar nationaliteit of ingezetenschap. Uitsluitend beslissend is of al dan niet sprake is van een “tweede” woning.

Voor zover belanghebbende bedoeld heeft dat te stellen, is ook geen sprake van discriminatie in de zin van artikel 26 IVBPR of artikel 14 EVRM.

4.2.1 Artikel 14, lid 2, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 kent aan binnenlandse belastingplichtigen een belastingvrije som toe en aan buitenlandse belastingplichtigen niet.

4.2.2. Artikel 24, lid 1, van het verdrag Nederland-Duitsland luidt als volgt.

“Onderdanen van een van de Staten mogen in de andere Staat niet worden onderworpen aan andere of hogere belastingen dan waaraan onderdanen van deze andere Staat, onder gelijke omstandigheden zijn onderworpen. Dit geldt ook voor de omvang van de belastingvrijstellingen, aftrekken en verminderingen, die uit hoofde van de burgerlijke staat of de gezinssamenstelling worden verleend.”.

4.2.3. De in 4.2.1 vermelde bepaling maakt alleen een onderscheid naar een al dan niet ingezetenschap in Nederland en niet naar nationaliteit. Verder woonde belanghebbende in Duitsland in een haar in eigendom toebehorende woning, had zij in Duitsland een spaartegoed en genoot zij in Duitsland grotendeels haar inkomen. Van een schending van het verdrag Nederland-Duitsland (met name artikel 24 van dat verdrag), door belanghebbende, anders dan binnenlandse belastingplichtigen, geen belastingvrije som toe te kennen, is geen sprake. Ook is geen sprake van schending van het EG-Verdrag. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft dat te stellen, is ook geen sprake van discriminatie in de zin van artikel 26 IVBPR of artikel 14 EVRM.

4.3.1. Zo al aangenomen moet worden dat de in 2.4 bedoelde andere eenheid van de rijksbelastingdienst in het verleden bij belanghebbende enig vertrouwen heeft gewekt dat op de in 3.1 onder A en B vermelde punten zou worden gehandeld conform het standpunt van belanghebbende, is de Inspecteur hieraan niet gebonden.

4.3.2. De enkele omstandigheid dat voor het jaar 1995 een aanslag in de vermogensbelasting achterwege is gebleven, kan bij belanghebbende niet de indruk hebben gewekt als te berusten op een bewuste standpuntbepaling door de Inspecteur, waar het de in 3.1 onder A en B vermelde punten betreft.

Ook die omstandigheid baat belanghebbende niet.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 27 februari 2001 door G.J. van Muijen, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 27 februari 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van dit beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien de belanghebbende na een mondelinge uitspraak griffierecht heeft betaald ter verkrijging van een vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit griffierecht in mindering op het door de belanghebbende voor het indienen van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht.

In het beroepschrift in cassatie kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.