Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AB0460

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/02215
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 462
FutD 2001-0510

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/02215

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Y (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift betreffende de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) aan belanghebbende gezonden beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak Astraat 1 te Y (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 1995 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000.

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 24 januari 2001 te

Bergen op Zoom. Aldaar zijn verschenen en gehoord

belanghebbende en de ambtenaar.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 7 februari 2001, de volgende monde-linge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof:

vernietigt de bestreden uitspraak,

vermindert de bij de beschikking voor de onroerende zaak vastgestelde waarde tot een waarde van fl. 185.000,= en

gelast dat de ambtenaar aan belanghebbende het gestorte griffierecht ad fl. 80,= vergoedt.

De gronden voor de beslissing

1. De ambtenaar, op wie de bewijslast rust van de juistheid van de in geschil zijnde waarde van de onroerende zaak, beroept zich op een taxatieverslag en ter ondersteuning daarvan op de opbrengst behaald bij verkoop van een aantal met de onroerende zaak vergelijkbare objecten.

2. Naar belanghebbende verdedigt ligt de waarde van de onroerende zaak tussen fl. 185.000,= en fl. 195.000,=.

3. Belanghebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat in 1995 een verbouwing en renovatie hebben plaatsgevonden en dat de kosten hiervan circa fl. 80.000,= hebben bedragen. Voorts heeft belanghebbende verklaard dat in april 1995 de bouwvergunning is verleend en dat de verbouwing en renovatie nadien zijn gerealiseerd. De ambtenaar heeft gesteld dat de werkzaamheden aan de onroerende zaak op 1 januari 1997 gereed waren en dat de onroerende zaak derhalve terecht ingevolge artikel 19 Wet WOZ is gewaardeerd op een waarde per 1 januari 1995 naar de staat waarin de onroerende zaak op 1 januari 1997 verkeerde.

4.1. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 24 januari 2001, nummer 35 752, onder meer gepubliceerd in Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht (hierna: NTFR) onder nummer 2001/183 heeft dienaangaande het volgende te gelden.

4.2. Indien een waardeverandering als bedoeld in artikel 19 Wet WOZ, die het geven van een nieuwe beschikking rechtvaardigt, zich heeft voorgedaan voordat een beschikking ingevolge artikel 22, lid 1, Wet WOZ, is gegeven, volgt uit rechtsoverweging 3.5 van eerder bedoeld arrest dat het systeem van de Wet WOZ zich niet ertegen verzet dat wordt volstaan met een beschikking ingevolge artikel 25, lid 1, jo artikel 19 Wet WOZ. Wel dient dan daarin, naast de in artikel 23 Wet WOZ bedoelde gegevens, te worden aangegeven:

naar welk tijdstip de staat van de onroerende zaak voor de waardering is beoordeeld, en

dient - op de voet van het derde lid van artikel 25 Wet WOZ - het tijdstip met ingang waarvan de beschikking geldt, te worden vermeld.

4.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat de onderhavige beschikking, waarin niet wordt vermeld dat de onroerende zaak is gewaardeerd naar de staat waarin deze verkeerde op 1 januari 1997, niet kan worden aangeduid als een beschikking ingevolge artikel 25 Wet WOZ, maar dient te worden aangemerkt als een op de voet van artikel 22 Wet WOZ gegeven beschikking. Uit rechtsoverweging 3.4 in eerder bedoeld arrest van 24 januari 2001 volgt eveneens dat het Hof niet bevoegd is onderhavige beschikking te converteren in een beschikking ingevolge artikel 25 jo artikel 19 Wet WOZ.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1-4.3 is overwogen volgt, dat in de onderhavige procedure de waarde van de onroerende zaak niet moet worden bepaald naar de staat waarin deze op 1 januari 1997 verkeerde, maar dat de waarde van de onroerende zaak moet worden bepaald naar de staat waarin deze op 1 januari 1995 verkeerde.

4.5. Belanghebbende verdedigt - onbetwist - een waarde fl. 185.000 tot fl. 195.000 per 1 januari 1995. Het Hof stelt de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 1995 naar de staat waarin de onroerende zaak op deze datum verkeerde voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vast op fl. 185.000.

5. Uit hetgeen onder 4 is overwogen volgt, dat het gelijk aan de zijde van de belanghebbende is en dat moet worden beslist als hiervoor is vermeld.

6.1. Ten overvloede overweegt het Hof onder 6.2 tot en met 6.3 het volgende.

6.2.1. Uit rechtsoverweging 3.6 van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 13 december 2000, nummer 35 640, onder meer gepubliceerd in NTFR onder nummer 2001/66 vloeit het volgende voort:

De ambtenaar kan voor een wijziging in de zin artikel 19, lid 1 Wet WOZ, die heeft plaatsgevonden vóór de waardevaststelling bij beschikking ingevolge artikel 22 Wet WOZ, een beschikking ex artikel 25 Wet WOZ geven, die in de plaats treedt van de onderhavige, ingevolge artikel 22 Wet WOZ afgegeven, beschikking.

Bij het geven van een beschikking ex artikel 25 Wet WOZ behoeft niet te worden voldaan aan de vereisten die artikel 27 Wet WOZ stelt aan een zogenaamde herzieningsbeschikking.

6.2.2. In een beschikking ex artikel 25 Wet WOZ dient ingevolge rechtsoverweging 3.5 van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 24 januari 2001, nummer 35 752, naast de gegevens van artikel 23 Wet WOZ, te worden aangegeven:

naar welk tijdstip de staat van de onroerende zaak voor de waardering is beoordeeld, en

dient - op de voet van het derde lid van artikel 25 Wet WOZ - het tijdstip met ingang waarvan de beschikking geldt, te worden vermeld.

6.3. Tevens overweegt het Hof ten overvloede, dat naar het oordeel van het Hof een redelijke wetstoepassing meebrengt, dat de bevoegdheid van de ambtenaar om een beschikking ingevolge artikel 25 jo artikel 19 Wet WOZ vast te stellen vervalt:

door verloop van vijf jaren na de vaststelling van de in artikel 22, eerste lid Wet WOZ bedoelde beschikking dan wel,

indien een dergelijke beschikking niet is gegeven, door verloop van vijf jaren na het begin van het in artikel 22, tweede lid bedoelde tijdvak.

De proceskosten.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 7 februari 2001 door P. Fortuin, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 15 februari 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende ¦ 150,=.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van ¦ 150,= verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.