Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AB0458

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/00483
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 439
FutD 2001-0496
V-N 2001/45.26

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/00483.

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op op het beroep van X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de uitspraak van burgemeester en wethouders van de gemeente P (na de gemeentelijke herindeling: burgemeester en wethouders van de gemeente H en hierna: de ambte-naar), op het bezwaarschrift betreffende de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) aan de belanghebbende gezonden beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak Astraat 1 te Y (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 1994 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

De belanghebbende heeft tegen voormelde beschikking, gedagtekend 31 juli 1997 en met kenmerk 1, bezwaar aangetekend. De ambtenaar heeft bij de bestreden uitspraak het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de belanghebbende een recht geheven van fl. 80,=. De ambtenaar heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van

24 januari 2001 te Bergen op Zoom. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, de ambtenaar.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zit-ting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weer-sproken, de volgende feiten vast:

2.1. De ambtenaar heeft met dagtekening 31 juli 1997 en met nummer 1 een beschikking afgegeven voor de onroerende zaak voor een waarde van ƒ 743.000.

2.2. De belanghebbende heeft bij brief van 5 september 1997, ontvangen door de ambtenaar op 8 september 1997, bezwaar gemaakt tegen vorenvermelde beschikking. Het bezwaarschrift luidt als volgt:

‘Geachte dames, heren,

Betreft: bezwaarschrift W.O.Z. nummer 1

Hierbij maken wij namens onze relatie, de heer X, Astraat 1 , Y, pro forma bezwaar tegen de vastgestelde waarde ad f 743.000 bij W.O.Z.-objectnummer 1.

De motivatie (bedoeld zal zijn: motivering; Hof) zal zo spoedig mogelijk volgen.

Vertrouwende u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd, verblijven wij,

hoogachtend,

(…)

Accountant-administratieconsulent

(…)’

2.3. Bij brief van 11 september 1997 heeft de ambtenaar de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. Deze brief luidt als volgt:

‘Geachte heer/mevrouw,

Hierbij bevestigen wij de ontvangst van uw bezwaarschrift tegen de waardebeschikking. Wij verlenen u uitstel van motivatie (bedoeld zal zijn: motivering; Hof) van het bezwaarschrift tot 22 september 1997. De afhandeling van uw bezwaar kan nog geruime tijd duren. De wettelijk gestelde termijn hiervoor is één kalenderjaar. Deze periode kan met één jaar verlengd worden.

Indien u er prijs op stelt om gehoord te worden in verband met uw bezwaar, dient u dit schriftelijk kenbaar te maken.

De waarde op de beschikking is de basis voor de heffing van de onroerende zaakbelastingen. Op de aanslag onroerende-zaakbelastingen, die u eind september ontvangt, zal dezelfde waarde staan als op de beschikking staat.

U hoeft dan geen bezwaar te maken tegen de waarde die op de aanslag staat.

De waarde op de aanslag wordt zonodig aangepast als er uitspraak is (gedaan; Hof) op uw bezwaarschrift tegen de beschikking.

De aanslag moet gewoon binnen de gestelde termijn betaald worden. Als later blijkt dat de aanslag verminderd wordt, zal het teveel betaalde bedrag met rente worden terugbetaald.

Als u nog vragen heeft kunt u bellen met de belastinglijn 11 of langskomen bij de afdeling Belastingen Bstraat 1, te P. U kunt uw vragen ook stellen aan de gemeentelijke ambassadeur. Wanneer hij de verschillende kernen bezoekt staat vermeld in de belastingkrant en wordt wekelijks in Het Midden gepubliceerd.

(…)’

2.4. Met dagtekening 27 november 1997 is uitspraak op bezwaar gedaan. De uitspraak luidt als volgt:

‘Geachte heer/mevrouw,

Naar aanleiding van uw bezwaarschrift namens X, Astraat 1 te Y, inzake de verzonden waardebeschikking, delen wij u het volgende mede.

In onze ontvangstbevestiging van 11 september 1997 hebben wij u de mogelijkheid geboden om tot 22 september 1997 het bezwaarschrift nader te motiveren. Aangezien wij van u tot op heden geen motivatie (bedoeld zal zijn: motivering; Hof) hebben ontvangen, zijn wij genoodzaakt het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren.

Indien u zich niet met deze uitspraak kunt verenigen, kunt u binnen zes weken na dagtekening van deze beschikking (bedoeld zal zijn: uitspraak; Hof) in beroep komen bij de Belastingkamer van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, Postbus 90.155 te 5200 MG ’s-Hertogenbosch. Indien u in beroep komt bent u griffierecht verschuldigd. Omtrent de hoogte van dit recht, alsmede omtrent de betaalwijze ervan, kunt u kontakt opnemen met de griffie van het Gerechtshof, telefoon 073-6816911. Een kopie van deze brief is aan X verzonden.

Wij vertrouwen erop u hiermede voldoende te hebben ingelicht.

(…)’

2.5. De onroerende zaak behoorde tot de gemeente P en na de gemeentelijke herindeling tot de gemeente H.

3. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

Het geschil betreft het antwoord op twee vragen:

3.1. De vraag of de ambtenaar de belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de ambtenaar bevestigend wordt beantwoord.

3.2. De vraag of de door de ambtenaar vastgestelde waarde voor de onroerende zaak juist is, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de ambtenaar bevestigend wordt beantwoord.

3.3.1 De belanghebbende stelt, zakelijk weergegeven:

De gemachtigde heeft door de dagelijkse gang van zaken vergeten het bezwaar (tijdig) te motiveren. Voorts heeft de gemachtigde niet (tijdig) gemotiveerd, omdat het taxatierapport d.d. 3 oktober 1997 pas na 22 september 1997 is ontvangen.

Volgens een in opdracht van de belanghebbende door de heer Z, taxateur agrarische objecten, ten behoeve van de Wet WOZ opgesteld taxatierapport d.d. 3 oktober 1997 bedraagt de waarde van de onroerende zaak ƒ 595.000.

3.3.2. De ambtenaar stelt, zakelijk weergegeven, dat hij genoodzaakt was het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren nu het niet was gemotiveerd.

4. Conclusies van partijen

Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot de vermindering van de waarde van de onroerende zaak tot ƒ 595.000.

De ambtenaar heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Overwegingen omtrent het geschil

5.1. In de Memorie van Antwoord bij het ontwerp dat heeft geleid tot de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), is met betrekking tot het bepaalde in het voorgestelde artikel 6.2.0a, thans artikel 6:5, opgemerkt:

`De in artikel 6.2.0a opgenomen eisen voor bezwaar- en beroepschriften kunnen beschouwd worden als minimale eisen die voor een doelmatige behandeling van zulke geschriften door bestuur of rechter nodig zijn. Het algemeen vastleggen van deze eisen kan de bekendheid daarvan vergroten en kan daardoor leiden tot een efficiëntere afhandeling.

Een geringere toegankelijkheid van de bezwaar- en beroepsprocedures in fiscale zaken is van een en ander niet te vrezen. De in fiscale zaken gehanteerde, voor belanghebbende soepele werkwijze op dit punt kan uiteraard gehandhaafd blijven. De Awb verplicht niet tot het buiten behandeling laten van gebrekkige bezwaarschriften, maar biedt het bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe, nadat gelegenheid is gegeven tot herstel van het gebrek.'

(Kamerstukken II, 21 221, nr. 5, blz. 84).’

5.2.1. Het Hof stelt voorop, dat artikel 6:6 Awb de ambtenaar niet, zoals hij meent, noodzaakt een bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren als het niet gemotiveerd is, maar dat de ambtenaar in zo’n geval het bezwaar niet-ontvankelijk kan verklaren.

5.2.2. Het Hof is van oordeel dat de ambtenaar geen gebruik had dienen te maken van de mogelijkheid het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de ambtenaar in de ontvangstbevestiging d.d. 11 september 1997 niet heeft vermeld dat het niet motiveren van het bezwaar ingevolge artikel 6:5 jo 6:6 Awb kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar.

5.2.3. Voorts is het Hof van oordeel, dat de soepele werkwijze, waaraan in de onder punt 5.1 bedoelde wetsgeschiedenis wordt gerefereerd, inhoudt dat de ambtenaar na het verstrijken van de door hem gestelde eerste termijn gehouden was de belanghebbende een rappel te sturen waarbij de belanghebbende alsnog de mogelijkheid zou zijn geboden het bezwaar - bijvoorbeeld binnen een termijn van twee weken, zoals is bepaald in punt 6.1.1 van het voor de Belastingdienst geldende Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997 (Besluit van de staatssecretaris van financiën van 21 juli 1997, nr. AFZ 97/2526M, Staatscourant 138, zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 19 december 1997, nr. AFZ 97/4566M) - te motiveren. (Zie onder meer: arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 6 mei 1998, nummer 32 791, onder meer gepubliceerd in BNB 1998/367).

5.3. Uit 5.1 tot en met 5.2 volgt, dat de ambtenaar de belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar.

5.4. Op de ambtenaar rust de last de door hem voor de onroerende zaak vastgestelde waarde te bewijzen. De ambtenaar heeft daaromtrent in de stukken van het geding of tijdens de mondelinge behandeling in het geheel niets aangevoerd. De ambtenaar heeft derhalve niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast.

5.5. De belanghebbende beroept zich op het door hem overgelegde taxatierapport d.d. 3 oktober 1997, waarin de waarde van de onroerende zaak wordt bepaald op ƒ 595.000. Nu de ambtenaar dit rapport en deze waarde niet heeft betwist moet het ervoor worden gehouden dat de waarde van de onroerende zaak ƒ 595.000 bedraagt.

5.6. Uit al het vorenstaande volgt dat het gelijk aan de zijde van de belanghebbende is en dat moet worden beslist als hierna is vermeld.

6. Proceskosten

Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

vernietigt de bestreden uitspraak;

verklaart de belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar;

vermindert de bij de beschikking voor de onroerende zaak vastgestelde waarde tot ƒ 595.000,--,

gelast dat de ambtenaar aan de belanghebbende het gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 80,-- vergoedt.

Aldus vastgesteld op 13 februari 2001 door P. Fortuin, lid van voormelde Kamer, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 13 februari 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.