Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AB0041

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/04264
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/04264

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X, met gekozen domicilie te Y, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid particulieren/ ondernemingen buitenland te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende de haar voor het jaar 1997 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

De mondelinge behandeling

De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 23 mei 2000 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord, de Inspecteur.

Na de eerste zitting heeft er tussen partijen een briefwisseling plaatsgevonden, waarbij de bepalingen van de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (tekst 1996) in acht zijn genomen.

De tweede mondelinge behandeling heeft eveneens met gesloten deuren plaatsgevonden op 9 januari 2001 te ’s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn beide partijen - met bericht - niet verschenen.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 23 januari 2001, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

De gronden

(1) Belanghebbende is geboren in 1931. Zij is gehuwd. Met haar echtgenoot is zij in 1989 vanuit Nederland naar Australië geëmigreerd, waar zij nog steeds woont. Vanaf haar emigratie tot haar 65e verjaardag in 1996 heeft zij zich vrijwillig verzekerd op grond van artikel 45 van de AOW. Gelet op het bepaalde in de achtereenvolgens toepasselijke Koninklijke Besluiten over de vrijwillige verzekering, moet zij tegelijkertijd ook vrijwillig verzekerd zijn geweest op grond van artikel 47 van de AWW. Een vrijwillige voortzetting van de AOW-verzekering kan op grond van deze besluiten namelijk slechts plaatsvinden in combinatie met een vrijwillige voortzetting van de verzekering op grond van (destijds) de AWW. Met ingang van de verjaardagsmaand in 1996 heeft belanghebbende recht op een ouderdomspensioen op grond van de AOW. Deze uitkering bedroeg in het onderhavige jaar 1997 ƒ 13.622,=. Gesteld noch gebleken is dat zij daarnaast recht heeft op een socialezekerheidsuitkering op grond van een buitenlandse wettelijke regeling.

De Inspecteur heeft van belanghebbende over het onderhavige jaar 1997 premie volksverzekeringen geheven over haar AOW-uitkering.

Aan belanghebbende is bij voorlopige aanslagen van april 1999 en van maart 2000 voor respectievelijk de jaren 1998 en 1999 een voorlopige teruggaaf verleend van fl. 284,= respectievelijk van fl. 320,= aan te verrekenen loonbelasting/premie volksverzekeringen.

(2) Het geschil gaat in de eerste plaats over de vraag of de Inspecteur belanghebbende terecht in de premieheffing voor de volksverzekeringen heeft betrokken.

Het geschil gaat voorts over de vraag of belanghebbende aan de voorlopige aanslagen die aan haar over de jaren 1998 en 1999 zijn opgelegd het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen, dat de Inspecteur van haar over het onderhavige jaar (1997) geen premie volksverzekeringen zou heffen over haar AOW-uitkering.

(3) Op grond van artikel 8, tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volkverzekeringen 1989 is iemand die niet in Nederland woont, verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen, indien hij of zij

- recht heeft op een uitkering op grond van de AOW; en

- dit recht aansluit op de vrijwillige verzekering op grond van artikel 45 van de AOW en

artikel 47 van de AWW; en

- die uitkering ten minste gelijk is aan 35 % van het bedrag bedoeld in artikel 8, eerste lid,

onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (dat wil zeggen in 1997

ƒ 26.644,80 per jaar).

(4) Gelet op de onder (1) weergegeven feiten voldeed belanghebbende in het onderhavige jaar 1997 aan al deze voorwaarden, zodat zij toen verplicht verzekerd was voor de volksverzekeringen. De Inspecteur heeft haar dan ook terecht in de premieheffing voor deze verzekeringen betrokken.

(5) Belanghebbende heeft zich nog beroepen op de zaak-Asscher, waarvan de eindbeslissing is gewezen door HR 28 mei 1997, BNB 1997/279. De situatie van de heer Asscher lag wezenlijk anders dan die van belanghebbende, nu Asscher als directeur/grootaandeelhouder van een B.V. zowel in Nederland als in zijn woonland België beroepswerkzaamheden verrichtte. Asscher en de fiscus waren het erover eens dat hij als gevolg daarvan alleen was onderworpen aan de Belgische sociale wetgeving en daarom niet premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen. De procedure in de zaak-Asscher ging uitsluitend over de vraag of het 25%-loonbelastingtarief voor buitenlands belastingplichtigen terecht was toegepast.

(6) In haar bezwaarschrift heeft belanghebbende nog verwezen naar het belastingverdrag tussen Nederland en Australië, op grond waarvan uitsluitend Australië belasting mag heffen over haar AOW-uitkering. Voor de volledigheid wijst het Hof erop dat dit verdrag uitsluitend betrekking heeft op belastingen, en niet op socialeverzekeringspremies. Wel bestaat er tussen Nederland en Australië een verdrag over de sociale zekerheid van 4 januari 1991 (Tractatenblad nr. 75 van 1991), maar dat verdrag bevat geen bepalingen die zich tegen de onderhavige premieheffing verzetten.

(7) Het beroep van belanghebbende op EG-Verordening 1408/71 moet worden verworpen, reeds omdat zij niet in een lid-staat van de Europese Gemeenschappen woont.

(8) Belanghebbende heeft zich beroepen op het vertrouwen dat de Inspecteur bij haar zou hebben gewekt door de voorlopige aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1998 en 1999, die de vorm aannamen van voorlopige teruggaven. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad brengen zowel de aard als de wijze van totstandkoming van een voorlopige aanslag in het algemeen mee dat de inspecteur door het opleggen van een dergelijke aanslag bij een belastingplichtige geen verwachtingen kan wekken waarop deze zich in redelijkheid tegenover de fiscus kan beroepen. In overeenstemming met de desbetreffende wettelijke voorschriften pleegt de voorlopige aanslag immers te worden vastgesteld aan de hand van niet of slechts zeer globaal door de inspecteur gecontroleerde schattingen van de belastingplichtige betreffende diens belastbare inkomen en de samenstelling daarvan over het nog lopende jaar. Het Hof verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 1979, onder meer gepubliceerd in BNB 1979/212. Een belasting- of premieplichtige kan zich alleen met succes beroepen op vertrouwen dat is gewekt door de vaststelling van een voorlopige aanslag, indien er sprake is van bijkomende omstandigheden die in redelijkheid de indruk hebben kunnen wekken dat de inspecteur door het opleggen van die voorlopige aanslag uitdrukkelijk een bepaald standpunt heeft ingenomen. Het Hof verwijst in dit verband (mutatis mutandis) naar het arrest van de Hoge Raad van 2 december 1998, onder meer gepubliceerd in BNB 1999/23. Die bijkomende omstandigheden zullen in een procedure door de belanghebbende moeten worden gesteld en, in geval van geschil, ook bewezen moeten worden. Belanghebbende heeft geen feiten gesteld die wijzen op dergelijke bijkomende omstandigheden. Daar komt nog bij dat de Inspecteur ten aanzien van de voorlopige aanslag over 1999 onweersproken heeft gesteld dat daarop het voorbehoud is vermeld dat er geen rechten aan kunnen worden ontleend met betrekking tot de definitieve aanslag.

Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel kan dan ook niet tot het door haar gewenste resultaat leiden.

(9) Nu het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is en geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten.

(10) Het Hof is van oordeel dat zich in deze zaak geen bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding geven om te gelasten dat het door belanghebbende voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= geheel of gedeeltelijk door de Inspecteur wordt vergoed.

(11) Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 23 januari 2001 door M.W.C. Feteris, lid van voormelde Kamer, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 1 februari 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende fl. 150,=.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak eveneens een griffierecht van fl. 150,= verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.