Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2001:AA9575

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/00160
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/15.27 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/00160

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de vennootschap naar Iers recht N L Limited te Dublin (Ierland) tegen het niet tijdig door het Hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen Buitenland te Heerlen van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) doen van uitspraak op haar bezwaarschrift tegen het niet tijdig door de Inspecteur beslissen op haar verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 1995 tot en met 31 december 1995.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij haar aangifte voor de omzetbelasting over het vierde kwartaal 1995 heeft belanghebbende op 2 januari 1996 bij de Inspecteur een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting ingediend tot een bedrag van, afgerond, fl. 213.402,=. De Inspecteur heeft op dit verzoek geen uitspraak gedaan binnen de daartoe in artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Algemene wet) gestelde termijn van een jaar. Op de voet van artikel 6:2, aanhef en onderdeel b, jo. artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vervolgens bij de Inspecteur op 7 januari 1997 een bezwaarschrift tegen deze zogeheten fictieve weigering ingediend. Gelet op het bepaalde in artikel 6:12, eerste en derde lid, van de Awb acht het Hof belanghebbende ontvankelijk in dit bezwaar.

Ook op het bezwaarschrift heeft de Inspecteur geen uitspraak gedaan binnen de termijn van een jaar, voorgeschreven in artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet. Evenmin heeft de Inspecteur op de voet van artikel 25, tweede lid, van de Algemene wet de uitspraak met schriftelijke toestemming van of vanwege de Minister van Financiën verdaagd. Op de voet van artikel 6:2, aanhef en onderdeel b, jo. artikel 6:12, tweede lid, van de Awb heeft belanghebbende op 9 januari 1998 tegen deze fictieve weigering beroep ingesteld bij het Hof. Nu het beroepschrift vrijwel onmiddellijk na het verstrijken van de laatstbedoelde termijn is ingediend, is belanghebbende, gelet op het bepaalde in artikel 6:12, eerste en derde lid, van de Awb, ontvankelijk in haar beroep.

Terzake van het beroep heeft de Griffier van belanghebbende een griffierecht van fl. 80,= geheven.

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 3 maart 1999 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende de heer mr. P., verbonden aan het kantoor D Advocaten en Belastingadviseurs te R, tot bijstand vergezeld van de heer mr. drs. A., eveneens verbonden aan dit kantoor, en de heer mr. drs. R., verbonden aan D Belastingadviseurs, alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw L. , verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst, bijgestaan door de heer J, verbonden aan de eenheid Grote ondernemingen E van de rijksbelastingdienst. Belanghebbende en de Inspecteur hebben te dezer zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan hun wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota van belanghebbende behorende bijlagen.

Voorts heeft belanghebbende te dezer zitting met toestemming van de Inspecteur exemplaren overgelegd van:

- een brief, met twee bijlagen, van de heer B voornoemd aan het Hoofd van de eenheid Grote ondernemingen E van de rijksbelastingdienst van 7 augustus 1995,

- een brief van evengenoemd Hoofd aan de heer B voornoemd van 10 augustus 1995, en

- een brief van de gemeente T aan belanghebbendes vorengenoemde gemachtigde van 8 maart 1996.

2. Vaststaande feiten

Blijkens de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat tussen partijen het volgende vast.

2.1. Belanghebbende, een vennootschap naar Iers recht, is ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Zij is gevestigd in Dublin (Ierland) en beschikt niet over een vaste inrichting in Nederland in de zin van de Wet. Tot 28 augustus 1995 droeg belanghebbende de naam P Limited. Op die datum is belanghebbendes naam gewijzigd in N L Limited. Deze naamswijziging heeft geen gevolgen gehad voor belanghebbendes bedrijfsvoering dan wel haar (rechts)persoonlijkheid.

2.2. Bij een op 5 augustus 1995 door haar directeur ondertekend aanmeldingsformulier heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht haar in Nederland een BTW-identificatienummer toe te kennen in verband met door haar in Nederland te ontplooien activiteiten, bestaande uit de verhuur c.q. leasing van roerende zaken. Bij schrijven van 17 augustus 1995 van belang-hebbendes gemachtigde is bedoeld verzoek bij de Inspecteur ingediend. Deze heeft belanghebbende met ingang van het tweede kwartaal 1995 als niet in Nederland gevestigde ondernemer geregistreerd.

2.3. In het onderhavige tijdvak (het vierde kwartaal 1995) zijn door de hierna te noemen Nederlandse ondernemers facturen aan belanghebbende uitgereikt met vermelding van Nederlandse omzetbelasting.

De te N gevestigde O B.V. (hierna: O) heeft ter zake van de levering van huisvuilcontainers (zogenoemde duobakken; hierna aangeduid als: duobakken) facturen aan belanghebbende uitgereikt tot een bedrag van in totaal fl. 958.620,=, vermeerderd met fl. 167.758,50 aan omzetbelasting. De feitelijke afleveringen van deze duobakken hebben plaatsgevonden tussen 25 september 1995 en 28 november 1995.

Daarnaast zijn ter zake van de levering van diverse transportmiddelen (hierna: de transportmiddelen) de volgende bedragen aan belanghebbende gefactureerd.

De te B gevestigde V B.V. heeft ter zake van de levering en montage van een gesloten achteroverkipper op een Ford Transit 190 een bedrag van fl. 20.530,= aan belanghebbende gefactureerd, vermeerderd met fl. 3.592,75 aan omzetbelasting. D B.V. heeft aan belanghebbende ter zake van de levering van een DAF-chassis, type FAG 75.270 Ati Solo, met extra's, gefactureerd een bedrag van fl. 201.630,= vermeerderd met fl. 35.285,25 aan omzetbelasting. Door V B.V., tenslotte, is aan belanghebbende ter zake van de levering van een Ford Transit 190 EF een bedrag van fl. 38.677,77 vermeerderd met fl. 6.764,76 aan omzetbelasting in rekening gebracht.

Bij haar onder 1 vermelde aangifte heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om teruggaaf van de op voormelde facturen aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting, ter grootte van in totaal, afgerond, fl. 213.402,=.

2.4. De door O aan belanghebbende gefactureerde duobakken zijn bestemd voor gebruik door de gemeente T. Het is de gemeente T geweest die de duobakken bij O heeft besteld. Van deze bestelling is geen schriftelijke bevestiging of overeenkomst tot levering opgesteld.

Met betrekking tot de bestelde duobakken heeft belanghebbende, bij schrijven van 29 augustus 1995, naar aanleiding van een telefoongesprek tussen haar en een directeur van O, aan O bevestigd dat de gemeente T de bij O bestelde duobakken zal huren van belanghebbende. In deze brief is voorts vermeld dat de facturering voor de duobakken derhalve aan belanghebbende dient te worden gericht.

Bij brief van 30 augustus 1995 deelt O aan belanghebbende mede dat aan belanghebbende optie wordt verleend om de door O te leveren duobakken aan O terug te verkopen. In bedoelde brief is met betrekking tot deze optie onder meer vermeld: "De eigendom van de duobakken gaat op ons over door de mededeling van N L limited aan de Gemeente T dat zij vanaf de dag der mededeling de duo bakken voor ons als nieuwe eigenaar zal gaan houden. U doet de mededeling die de eigendom doet overgaan niet voordat door ons de koopsom is betaald.". Op 31 augustus 1995 heeft de directeur van belanghebbende deze brief voor akkoord ondertekend.

Een afzonderlijke schriftelijke overeenkomst tot levering van de duobakken door O aan belanghebbende is niet opgesteld.

2.5. Op 31 augustus 1995 hebben belanghebbende en de gemeente T een overeenkomst gesloten, volgens welke belanghebbende aan de gemeente T huisvuilcontainers (duobakken) verhuurt. In deze overeenkomst is onder andere bepaald dat belanghebbende de duobakken zal aanschaffen zonder overigens betrokken te raken bij de praktische aspecten verbandhoudende met de opdrachtbevestiging, anders dan de betaling van de contractwaarde. Daarnaast verklaart de gemeente T alle verplichtingen van belanghebbende voortvloeiend uit de koopovereenkomst met de leverancier (O) over te nemen, onder andere voor zover het betreft het afnemen en accepteren van de duobakken.

2.6. Eveneens op 31 augustus 1995 hebben belanghebbende en de gemeente T een tweetal leningovereenkomsten gesloten. Het betreft in de eerste plaats een overeenkomst waarbij de gemeente T aan belanghebbende ten titel van geldlening een bedrag ter beschikking stelt van fl. 1.659.531,=. De looptijd van deze lening bedraagt vier jaar tegen een rente-percentage van 6,5.

Bij de tweede leningovereenkomst stelt de gemeente T belanghebbende een bedrag van fl. 154.375,= ten titel van geldlening ter beschikking. Deze lening dient ingevolge artikel 1.3 van de desbetreffende overeenkomst door belanghebbende te worden terugbetaald binnen 14 dagen nadat de in verband met de aankoop van de duobakken teruggevraagde BTW door belanghebbende is ontvangen. Belanghebbende is geen rente verschuldigd over het geleende bedrag.

Beide leningen zijn bedoeld om belanghebbende in staat te stellen de duobakken aan te schaffen.

2.7. In haar brief van 20 september 1995 verzoekt de gemeente T aan O om "voor de circa 9.600 duobakken die in september/oktober 1995 aan de milieudienst worden geleverd, de faktuur te sturen aan D Advocaten en Belastingadviseurs. Dit is de de Nederlandse intermediair voor

N L Ltd, waarmee de gemeente T een lease/huurovereenkomst is aangegaan inzake de duobakken.". In deze brief is tevens aangegeven dat bedoelde fakturen op naam van belanghebbende moeten worden gesteld en dat de gemeente T namens belanghebbende de betalingen aan O zal verrichten.

2.8. Bij acceptatieverklaring van 23 oktober 1995 bevestigt de gemeente T aan belanghebbende, onder verwijzing naar de onder 2.5 genoemde overeenkomst, dat de duobakken compleet, gebruiksklaar en in deugdelijke staat bij de gemeente zijn afgeleverd.

2.9. Ten tijde van de mondelinge behandeling van de zaak had de Inspecteur nog steeds niet beslist op belanghebbendes verzoek om teruggaaf; ook had de Inspecteur te dien tijde nog steeds geen uitspraak gedaan op het door belanghebbende tegen het uitblijven van die beslissing ingediende bezwaarschrift.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft de volgende vragen:

I. Heeft belanghebbende, afgezien van het vertrouwens- of het gelijkheidsbeginsel, recht op teruggaaf van de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting, als vermeld onder 2.3?

II. Zo neen, heeft belanghebbende dan op grond van het vertrouwens- of het gelijkheidsbeginsel recht op teruggaaf van die omzetbelasting?

Belanghebbende beantwoordt deze beide vragen bevestigend. De Inspecteur, daarentegen, is van mening dat deze beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de door hen ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota's, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De Inspecteur heeft in zijn vertoogschrift gesteld dat behalve de duobakken ook de transportmiddelen bestemd waren voor de gemeente T. Dat is niet juist. Alleen de duobakken waren voor de gemeente T bestemd. De transportmiddelen zijn door belanghebbende verhuurd aan het te S gevestigde openbaar nutsbedrijf Y.

Anders dan de Inspecteur heeft gesteld, is betaling van een deel van de facturen geschied via de rekening derdengelden van D. advocaten te R, belanghebbendes gemachtigde. Dat hing samen met problemen die belanghebbende, als niet in Nederland gevestigde rechtspersoon, ondervond bij het openen van een eigen bankrekening. Aldus zijn de eerste betalingen via deze derdengeldenrekening gelopen. Latere betalingen, waaronder alle betalingen met betrekking tot de voor Y, voormeld, bestemde goederen, zijn via de eigen bankrekening van belanghebbende gedaan.

De gemeente T had de duobakken in eerste instantie besteld. Een schriftelijke opdrachtbevestiging daarvan als bedoeld in artikel 1.1 van de bij de onder 2.5 vermelde huurovereenkomst behorende algemene voorwaarden, is er niet. Er is evenmin schriftelijk een overeenkomst opgesteld waarbij belanghebbende het contract met O van de gemeente T overneemt. Er bestond evenwel wilsovereenstemming tussen O, de gemeente T en belanghebbende dat de duobakken door O aan belanghebbende zouden worden geleverd en dat de gemeente T de duobakken van belanghebbende zou leasen.

In de door de gemeente T aan belanghebbende verstrekte geldlening ad fl. 154.375,= is de aflossing van het geleende bedrag uitsluitend gekoppeld aan het tijdstip waarop de ter zake van de levering van de duobakken in rekening gebrachte omzetbelasting door de fiscus aan belanghebbende wordt gerestitueerd. Er is geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de omzetbelasting niet aan belanghebbende zou worden gerestitueerd.

Op pagina 5, zevende regel van onderen, van belanghebbendes pleitnota moet 311 BW worden vervangen door 3:111 BW.

De slotopmerkingen op pagina 8, onderaan, onder D, en op pagina 9, bovenaan, van belanghebbendes pleitnota moeten worden opgevat als een beroep op het vertrouwens- respectievelijk het gelijkheidsbeginsel. Met de aldaar onder (i) vermelde brief van 3 augustus 1995 is de door belanghebbende ter zitting overgelegde brief van de heer B van 7 augustus 1995 bedoeld.

Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten bestaan uitsluitend uit de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De Inspecteur

Er is geen onderzoek gedaan naar de levering van de transportmiddelen. Er is van uitgegaan dat de transportmiddelen ook voor de gemeente T waren bestemd en dat de transacties welke aan deze facturen ten grondslag hebben gelegen op dezelfde wijze in het vat waren gegoten als die met betrekking tot de duobakken.

Mocht het Hof van oordeel zijn dat de goederen waarvoor teruggaaf van omzetbelasting wordt geclaimd door de respectievelijke leveranciers aan belanghebbende zijn geleverd en vervolgens door belanghebbende in lease dan wel in verhuur zijn gegeven aan de gemeente T of een derde, dan wordt niet bestreden dat deze lease of verhuur in het kader van de onderneming van belanghebbende geschiedt.

Niet wordt ontkend dat er een overeenkomst tussen belanghebbende en de gemeente T bestaat. Die overeenkomst maakt echter deel uit van een constructie. De duobakken zijn door O aan de gemeente T geleverd. Deze levering is niet gevolgd door een levering van de duobakken door de gemeente T aan belanghebbende. O heeft de duobakken aan de gemeente T geleverd en voor het overige is sprake van een financieringsconstructie tussen belanghebbende en de gemeente T.

Een schriftelijke opdrachtbevestiging als bedoeld in artikel 1.1 van de bij de onder 2.5 vermelde overeenkomst behorende algemene voorwaarden, is er inderdaad niet. Ook een schriftelijke overeenkomst tot levering van de duobakken door O aan de gemeente T bestaat niet.

Van schending van het vertrouwens- of het gelijkheidsbeginsel is geen sprake. De door belanghebbende ter zitting overgelegde brief van het Hoofd van de eenheid Grote ondernemingen E van 10 augustus 1995 levert geen in rechte te beschermen vertrouwen op en is bovendien niet afkomstig van de Inspecteur. De feitelijke situatie in de door belanghebbende bedoelde andere zaak (Rabobank - Lage Landen leasing) is anders dan die in de onderhavige zaak. Van een vergelijkbaar geval is derhalve geen sprake.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de beide fictieve weigeringen en tot het verlenen van teruggaaf van een bedrag van fl. 213.402,= aan omzetbelasting. De Inspecteur, daarentegen, is van mening dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van evenvermeld bedrag aan omzetbelasting en dat belanghebbendes verzoek om teruggaaf van dat bedrag derhalve moet worden afgewezen.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het geschil betreft primair de vraag of belanghebbende, afgezien van het vertrouwens- of het gelijkheidsbeginsel, recht heeft op teruggaaf van de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting, als vermeld onder 2.3.

4.2. Uit de onder 2.4 tot en met 2.7 genoemde schriftelijke stukken en overeenkomsten, tezamen bezien, leidt het Hof af dat een tussen de gemeente T en O gesloten, mondelinge, overeenkomst tot levering van duobakken met instemming van de betrokken partijen door belanghebbende van de gemeente T is overgenomen, een en ander vóórdat de levering van deze duobakken plaatsvond. Naar het oordeel van het Hof zijn de duobakken dan ook door O aan belanghebbende geleverd. Aan dit oordeel doet niet af de omstandigheid dat de duobakken feitelijk zijn afgeleverd bij de gemeente T. Bij die aflevering heeft de gemeente, naar het oordeel van het Hof, de duobakken voor belanghebbende in ontvangst genomen, een en ander als bedoeld in de artikelen 3:108 jo. 3:110 en 3:111 van het Burgerlijk Wetboek. Evenmin doet aan voormeld oordeel af de omstandigheid dat een deel van de factuurbetalingen namens belanghebbende via de rekening derdengelden van belanghebbendes gemachtigde is gelopen.

4.3. De stukken van het geding, in het bijzonder de op 31 augustus 1995 tussen belanghebbende en de gemeente T gesloten overeenkomst, laten naar het oordeel van het Hof geen andere conclusie toe dan dat tussen belanghebbende en de gemeente T met betrekking tot de duobakken een verhuur- dan wel lease-overeenkomst tot stand is gekomen. Het Hof acht niet aannemelijk dat de wilsovereenstemming tussen de contracterende partijen niet was gericht op de totstandkoming van een verhuur- dan wel lease-overeenkomst. Met name de stelling van de Inspecteur dat deze verhuur- dan wel lease-overeenkomst, bezien in samenhang met de eveneens op 31 augustus 1995 gesloten leningsovereenkomsten, geen realiteitsgehalte zou hebben en slechts als financieringsconstructie zou dienen, vindt, naar het oordeel van het Hof, geen steun in de feiten.

4.4. Nu, zoals onder 4.2 en 4.3 is overwogen, de duobakken aan belanghebbende zijn geleverd en vervolgens door haar door middel van een overeenkomst van verhuur dan wel lease aan de gemeente T ter beschikking zijn gesteld, heeft belanghebbende, naar niet in geschil is in het kader van haar onderneming, met de door haar verworven duobakken activiteiten in het economische verkeer verricht. Bij die vaststelling kan in het midden blijven of bedoelde activiteiten bestaan uit de levering van goederen in de zin van artikel 3 van de Wet, dan wel uit het verlenen van diensten in de zin van artikel 4 van de Wet.

4.5. Ten aanzien van de in het onderhavige tijdvak aan belanghebbende gefactureerde omzetbelasting ter zake van de levering van de transportmiddelen, heeft belanghebbende gesteld, hetgeen door de Inspecteur niet dan wel onvoldoende is weersproken, dat deze transportmiddelen aan belanghebbende zijn geleverd en vervolgens door haar aan een derde, niet zijnde de gemeente T, zijn verhuurd. Ook ten aanzien van deze transportmiddelen moet derhalve worden geconcludeerd dat zij door belanghebbende zijn verkregen teneinde deze in het kader van haar onderneming te bezigen.

4.6. Niet in geschil is dat verhuur dan wel lease als bedoeld in 4.4 en 4.5, zo deze in Nederland plaatsvinden, belaste prestaties vormen.

4.7. Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef, onderdeel a en slot, jo. de artikelen 17 en 33, eerste en derde lid, van de Wet heeft de ondernemer recht op aftrek dan wel teruggaaf van de omzetbelasting welke hem door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur, een en ander voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer in het kader van zijn onderneming worden gebezigd. Voor zover te dezen van belang lijdt deze regel, ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Wet, slechts uitzondering indien de door de ondernemer betrokken goederen en diensten worden gebezigd voor prestaties als bedoeld in artikel 11 van de Wet. Dit zijn prestaties welke van omzetbelasting zijn vrijgesteld, dan wel vrijgesteld zouden zijn indien zij in Nederland zouden plaatsvinden.

De Wet stelt voor het recht op aftrek dan wel teruggaaf van omzetbelasting met name niet de eis dat de prestaties waarvoor de door de ondernemer betrokken goederen en diensten, terzake waarvan de omzetbelasting in rekening is gebracht, worden gebezigd, daadwerkelijk, hetzij in Nederland, hetzij in een andere Lid-Staat van de EG in de heffing worden betrokken.

4.8. Nu, zoals in het voorgaande is overwogen, de door belanghebbende aangeschafte duobakken respectievelijk transportmiddelen door haar worden gebezigd in het kader van haar onderneming, niet gebruikt worden voor prestaties als bedoeld in artikel 11 van de Wet en overigens niet gesteld of gebleken is dat niet voldaan is aan de wettelijk aan de aftrek respectievelijk teruggaaf van omzetbelasting gestelde vereisten, moet worden geconcludeerd dat het gelijk in dit geschil aan de zijde van belanghebbende is en dat belanghebbende derhalve recht heeft op teruggaaf van de haar terzake van de levering van de duobakken en de transportmiddelen in rekening gebrachte omzetbelasting.

4.9. Nu belanghebbende op grond van het hiervoor vermelde in het gelijk is gesteld, behoeft haar beroep op het vertrouwens- respectievelijk het gelijkheidsbeginsel geen behandeling meer.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. In de omstandigheid dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van belanghebbendes proceskosten. Belanghebbende heeft uitsluitend aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de haar in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures op 2 (punten voor proceshandelingen: indienen beroepschrift en verschijnen ter mondelinge behandeling) x fl. 710,= (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) is fl. 2.840,=.

De onderhavige zaak hangt naar het oordeel van het Hof niet in de zin van artikel 3, tweede lid, van evengenoemd besluit samen met de zaak met kenmerk 97/22220, nu het beroep in die zaak is ingesteld op 18 november 1997 en in de onderhavige zaak op 9 januari 1998 en derhalve niet kan worden gezegd dat deze beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn ingesteld, terwijl bovendien in de laatstgenoemde zaak de kwestie van de transportmiddelen niet aan de orde is.

5.2. De omstandigheid dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is, brengt tevens met zich dat de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door deze voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= dient te vergoeden.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof verleent teruggaaf van omzetbelasting tot een bedrag van fl. 213.402,=;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van fl. 2.840,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en

gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad fl. 80,= wordt vergoed.

Aldus vastgesteld op 9 januari 2001 door J.A. Meijer, voorzitter, G.J. van Muijen en M.E. van Hilten, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 9 januari 2001