Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AF0149

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2000
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
20.000907.99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor verkrachting; mishandeling, begaan tegen zijn echtgenote, meermalen gepleegd; zware mishandeling begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

Gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Verdachte voert verschillende verweren. OM wordt partieel niet-ontvankelijk verklaard.

Cassatieberoep verdachte verworpen (zie AE5618).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 304
Wetboek van Strafvordering 54
Wetboek van Strafvordering 152
Wetboek van Strafvordering 217
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.000907.99

uitspraakdatum : 26 oktober 2000

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda van 24 december 1998 in de strafzaak onder de parketnummers 1016/98 en 1677/97 tegen:

[verdachte],

geboren te Kaman (Turkije) op 4 maart 1964,

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

Voor zover in de tenlastelegging schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door het hof verbeterd. De verdachte is door deze verbetering niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd, dat de dagvaarding met parketnummer 1016-98 met betrekking tot zowel feit 1 als feit 2 nietig moet worden verklaard. De raadsman voert hiertoe aan, zakelijk weergegeven, dat de tenlastelegging van deze feiten vaag is en de periode van het tenlastegelegde te ruim. Voorts is naar de mening van de raadsman het voor de verdachte niet duidelijk op welke gebeurtenissen aangeefster [echtgenote] het oog had.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

In de dagvaarding met parketnummer 02/001016-98 worden onder 1 en onder 2 de ten laste gelegde feiten beschreven die door de verdachte zouden zijn begaan. Het tenlastegelegde is naar het oordeel van het hof voldoende feitelijk omschreven en maakt daardoor in voldoende mate duidelijk van welke concrete misdragingen verdachte verdacht wordt.

De tenlasteleggingen beschrijven voorts de perioden waarin deze feiten door de verdachte zouden zijn begaan.

Het hof is van oordeel, dat met betrekking tot beide tenlasteleggingen geldt, dat het duidelijk is waarvoor verdachte terecht moet staan, zodat hij zich adequaat op zijn verdediging heeft kunnen voorbereiden. Dat de lengte van de onderhavige perioden in de ten laste gelegde feiten betrekkelijk groot is - in beide gevallen ruim vier en een half jaar - doet daaraan niet af.

De dagvaarding met parketnummer 02/001016-98 is derhalve geldig.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd, dat feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 02/001016-98, na de woorden "en/of" reeds is ten laste gelegd op de dagvaarding met parketnummer 02/001677-97. De raadsman betoogt dat dit dient te leiden tot partiële niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, voor zover het betrekking heeft op de dagvaarding met parketnummer 02/001016-98, naar het hof begrijpt wat betreft feit 2 na het eerste gebruik van de woorden "heeft ondervonden".

Het hof is van oordeel dat de tenlastelegging op de dagvaarding met parketnummer 02/001016-98, onder 2, na het eerste gebruik van de woorden "heeft ondervonden", hetzelfde feit betreft als het tenlastegelegde op de dagvaarding met parketnummer 02/001677-98, onder subsidiair.

Het hof zal daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in zijn vervolging met betrekking tot dat deel.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de dagvaarding met parketnummer 02/001016-98 onder 1 en onder 2 en het in de dagvaarding met parketnummer 02/001677-97 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

parketnummer 02/001016-98:

1. hij op tijdstippen in de periode van 14 januari 1993 tot en met 26 augustus 1997 in Nederland, telkens door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) een vrouw, [echtgenote], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [echtgenote], hebbende verdachte zijn penis in de vagina en de anus van die [echtgenote] geduwd en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden hierin, dat verdachte haar tegen het bed heeft geduwd en/of de kleding heeft uitgetrokken en/of aan de haren heeft getrokken en/of haar keel heeft dichtgeknepen en/of die [echtgenote] een groot aantal malen heeft geslagen;

2. hij op tijdstippen in de periode van januari 1993 tot en met 26 augustus 1997 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, opzettelijk mishandelend zijn echtgenote (te weten [echtgenote]) (telkens) met zijn hand en/of een schoen en/of een stok heeft geslagen en/of gebeten en/of geschopt, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

parketnummer 02/001677-97:

hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 1997 tot en met 26 augustus 1997 in Nederland zijn kind, te weten [verdachtes kind], telkens opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (ernstige beetwonden) heeft toegebracht, door opzettelijk die [verdachtes kind] een aantal malen te bijten.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in de dagvaarding met parketnummer 02/001016-98, onder 1 en onder 2, en in de dagvaarding met parketnummer 02/001677-98 primair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen staan vermeld in de aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering; deze aanvulling is aan dit arrest gehecht.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Met betrekking tot parketnummer 02/001016-98

Geen tolk in opsporingsonderzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd

- pleitnota 2.3 -, zakelijk weergegeven, dat hetgeen is gerelateerd in de processen-verbaal van verhoor van [verdachte] die tot stand zijn gekomen zonder de aanwezigheid van een gekwalificeerde tolk, niet tot bewijs mogen worden gebezigd. De raadsman stelt, dat een zodanige handelwijze onder meer in strijd is met artikel 6, derde lid, aanhef en sub a, van het EVRM.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

De verdachte is telkens mede gehoord door een verbalisant van Turkse afkomst die zowel de Turkse als de Nederlandse taal beheerst en die telkens het in het Turks gesprokene ten behoeve van zijn Nederlandse collega en ten behoeve van het opmaken van het proces-verbaal heeft vertaald in het Nederlands en omgekeerd verdachte in de Turkse taal heeft gehoord. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat gehandeld is in strijd met het bepaalde in artikel 6, derde lid, sub 1, van het EVRM en zijn verklaringen niet tot bewijs mogen worden gebezigd.

Aanhouding buiten heterdaad

De raadsman stelt in 2.5 van zijn pleitnota in hoger beroep zakelijk weergegeven als volgt.

De verblijfplaats van de verdachte was bij de opsporingsinstanties bekend - het hof begrijpt dat de raadsman stelt: reeds op 10 december 1997 -. De aanhouding van de verdachte vond plaats op 5 januari 1998. Door het verstrijken van de termijn tussen het verlenen van toestemming tot aanhouding door de zaaksofficier op 10 december 1997 en de aanhouding van de verdachte op 5 januari 1998, is volledig voorbij gegaan aan de ratio van de noodzakelijke toestemming van de officier van justitie, te weten dat hierbij controle wordt uitgeoefend op de politie.

Door de raadsman wordt aangevoerd, dat de gekozen aanhoudingsprocedure buitenproportioneel en dus onrechtmatig is. De raadsman betoogt dat dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting met betrekking tot de door de verdachte ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen. De raadsman komt mede tot deze conclusie, nu naar zijn mening door de opsporingsautoriteiten niet is bezien of de verdachte vrijwillig op het bureau kon verschijnen.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het feit waarvoor toestemming werd gegeven de verdachte aan te houden, betreft een geval als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte is in verband hiermee op 5 januari 1998 aan de [adres] aangehouden. Hiermede werd voldaan aan alle wettelijke voorschriften terzake.

Niet aannemelijk is geworden dat de wijze waarop de aanhouding zelf plaats vond, disproportioneel was.

Gelet op de ernst van het feit waarvoor de aanhouding van de verdachte werd bevolen, te weten verdenking van verkrachting, en in aanmerking genomen dat de vereiste toestemming was verleend tot aanhouding van de verdachte buiten heterdaad, is deze aanhouding niet disproportioneel noch onrechtmatig geweest.

De gegevens die zijn verkregen als gevolg van deze aanhouding, kunnen derhalve tot bewijs worden gebezigd.

Werd ten spoedigste proces-verbaal opgemaakt?

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd, dat door de opsporingsambtenaar in strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman stelt hiertoe in zijn pleitnota, onderdeel 2.7, "dat dit ook geldt voor het proces-verbaal bevindingen dat is opgemaakt door [opsporingsambtenaar] op 8 januari 1998". Naar het hof begrijpt, betoogt de raadsman hiermee, dat de betreffende gegevens niet tot het bewijs mogen worden gebezigd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het Wetboek van Strafvordering noemt geen termijn binnen welke de betreffende gebeurtenis in het proces-verbaal moet worden gerelateerd.

Bij de beantwoording van de vraag, of in het onderhavige geval het bewuste proces-verbaal ten spoedigste is opgemaakt, is in casu met name het volgende van belang.

Door [opsporingsambtenaar] is als getuige ter terechtzitting in hoger beroep, zakelijk weergegeven, verklaard: "Ik verhoorde de verdachte op 5 januari 1998. Bij dit verhoor werd gebruik gemaakt van een cassette-recorder. Het verhoor werd opgenomen. Op een gegeven moment werd pauze gehouden om wat te eten. De cassette-recorder stond toen niet meer aan. In deze pauze vertelde de verdachte mij, dat hij alles met zijn vrouw kon doen wat hij wilde, omdat zijn vrouw zijn eigendom was. Ik zei toen tegen de verdachte dat ik die woorden zou vastleggen. Ik legde het niet meteen vast in een proces-verbaal, omdat ik de nachtdienst in moest. Op 8 januari 1998 heb ik deze opmerkingen gerelateerd in een proces-verbaal van bevindingen.".

Het hof is van oordeel dat, gelet op deze verklaring van de getuige [opsporingsambtenaar], dat het proces-verbaal van bevindingen van [opsporingsambtenaar] van laatstgenoemde datum ten spoedigste is opgemaakt in de zin van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering.

Met betrekking tot parketnummer 02/001677-97

Nu het Openbaar ministerie niet ontvankelijk zal worden verklaard ten aanzien van het gedeelte van feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 02/001016-98 na de woorden "heeft ondervonden", is het in zijn vervolging onder parketnummer 02/001677-97 wel ontvankelijk.

Verschoningsrecht [echtgenote]

Door de raadsman is in hoger beroep betoogd, pleitnota onderdeel 5.2, zakelijk weergegeven, dat aan [echtgenote] niet is medegedeeld dat haar een verschoningsrecht toekwam bij het geven van getuigenis of bij het beantwoorden van bepaalde vragen. Hierdoor is artikel 217 van het Wetboek van Strafvordering geschonden, wat ertoe dient te leiden dat de door haar afgelegde verklaringen niet tot bewijs mogen worden gebezigd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De raadsman gaat er ten onrechte aan voorbij dat [echtgenote] aangifte heeft gedaan wegens door verdachte onder meer jegens haar gepleegde zeer ernstige misdrijven. Het doen van aangifte impliceert reeds dat van een eventueel toekomend verschoningsrecht geen gebruik wordt gemaakt.

De eis dat een getuige moet worden gewezen op zijn verschoningsrecht en dat een verklaring door een getuige afgelegd die daarop niet is gewezen, niet voor het bewijs mag worden gebezigd, vindt geen steun in het recht.

Verschoningsrecht [getuige]

Door de raadsman is in hoger beroep ten aanzien van [getuige] hetzefde verweer gevoerd als hiervoor is weergegeven met betrekking tot de verklaringen bij de politie van [echtgenote].

Het hof oordeelt met betrekking tot de verklaringen van [getuige] overeenkomstig de beslissing aangaande [echtgenote].

De door de deskundige [deskundige] gebezigde methode van onderzoek

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd

- pleitnota 5.5 -, dat de door de forensisch odontoloog [deskundige] gebruikte methode ondeugdelijk is, dan wel, dat het door hem uitgevoerde onderzoek onoordeelkundig heeft plaatsgevonden. De raadsman refereert daarbij aan zijn pleitnota in eerste aanleg betreffende parketnummer 02/001677-97. De raadsman betoogt, dat de bevindingen van [deskundige] uit het betreffende rapport niet tot bewijs mogen worden gebezigd. De raadsman stelt, dat contra-expert [deskundige 2] heeft geconcludeerd, dat aan de conclusies in het beetsporenonderzoek van [deskundige] voorbij gegaan dient te worden. De raadsman verzoekt het hof een nieuw vergelijkend (DNA-)onderzoek naar speekselsporen op de buik van [verdachtes kind] te bevelen, indien de bevindingen uit het rapport van [deskundige] tot bewijs worden gebezigd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het rapport van [deskundige] van 15 september 1997 blijkt onder meer het volgende. [deskundige] is aanwezig geweest bij een schouwing van [verdachtes kind], geboren op 15 juni 1995. Onder meer met behulp van gipsafdrukken van het gebit van [verdachte], na inschakeling van een tandtechnisch laboratorium en aan de hand van foto's die van het slachtoffer werden gemaakt, komt [deskundige] tot de conclusie dat de beetsporen, zichtbaar op de foto's 1, 3, 5 en 7 - het betreft beetsporen op de rug - veroorzaakt zijn door [verdachte].

Uit de verklaring van getuige/deskundige [deskundige 3], forensisch odontoloog, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg volgt, dat de beschrijving van de beetsporen plaats heeft gevonden door [deskundige] en [deskundige 3] tezamen.

De getuige/deskundige [deskundige 2], forensich odontoloog, heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard, dat de werkwijze van [deskundige] en [deskundige 3] voldoet aan de norm die in de literatuur wordt beschreven.

Het hof is van oordeel dat de conclusies uit het betreffende rapport van [deskundige] in casu tot het bewijs mogen meewerken, nu deze tot stand zijn gekomen in samenwerking met de deskundige [deskundige 3] en de gevolgde werkwijze volgens de deskundige [deskundige 2] conform de in de literatuur beschreven norm is. Het hof bezigt tot bewijs de conclusie van [deskundige], voor zover die inhoudt dat de beetsporen op de rug van [verdachtes kind] door de verdachte zijn veroorzaakt.

Nu het onderzoek dat door de raadsman wordt voorgestaan - een onderzoek naar speekselsporen op de buik - geen uitsluitsel kan geven over de beetsporen op de rug, waarvan door het hof bij de bewezenverklaring is uitgegegaan, acht het hof dat onderzoek niet noodzakelijk en wordt het verzoek daartoe afgewezen.

PRO MEMORIE

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde met parketnummer 02/001016-98 onder 1 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde met parketnummer 02/001016-98 onder 2 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 304, aanhef en sub 1, en juncto artikel 57, van die wet.

Het bewezen verklaarde met parketnummer 02/001677, primair, is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 302, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 304, aanhef en sub 1, en juncto artikel 57, van die wet.

Het bewezen verklaarde moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de omstandigheden, dat verdachte in een lange periode meermalen zijn echtgenote heeft verkracht, waarbij door de verdachte geweld is gebruikt en tot welke seksuele handelingen het slachtoffer mede werd gedwongen uit angst voor verdachte.

Voorts heeft het hof bij de straftoemeting rekening gehouden met de bijzonder brute wijze waarop de verdachte zijn echtenote heeft mishandeld.

Het hof heeft ten slotte bewezen verklaard, dat de verdachte meermalen zijn kind zwaar heeft mishandeld. De verdachte heeft aan zijn kind ernstige beetwonden toegebracht.

Het hof acht, gelet op het vorenstaande, oplegging van de hierna te melden straf passend en geboden.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 57, 242, 300, 302 en 304, van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging met betrekking tot parketnummer 02/001016-98, onder 2 na het eerste gebruik van de woorden "heeft ondervonden".

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de dagvaarding met parketnummer 02/001016-98, onder 1 en overigens onder 2 en in de dagvaarding met parketnummer 02/001677-97 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte in de dagvaarding met parketnummer 02/001016-98, onder 1 en overigens onder 2 en in de dagvaarding met parketnummer 02/001677-97 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

parketnummer 02/001016-98, feit 1: "Verkrachting";

parketnummer 02/001016-98, feit 2: "Mishandeling, begaan tegen zijn echtgenote, meermalen gepleegd";

parketnummer 02/001677-97 primair: "Zware mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door Mr. Klaufus, als voorzitter

Mrs. Eijsenga en Van der Eerden, als raadsheren

in tegenwoordigheid van mr. Spijkers, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 oktober 2000.

Mr. Van der Eerden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 05

tijd : 14.00

rolnummer: 20.000907.99

verdachte:

[verdachte],

geboren te Kaman (Turkije), op 4 maart 1964,

wonende te [adres],

Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda van 24 december 1998 ter zake van:

parketnummer 1677/97 primair: "Zware mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd",

parketnummer 1016/98 sub 2: "Mishandeling, begaan tegen zijn echtgenote, meermalen gepleegd",

veroordeeld tot:

vijftien maanden gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, met opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis, met bepaling dat de benadeelde partij [echtgenote] niet ontvankelijk is in haar vordering en dat die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht en met bepaling dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen, met niet ontvankelijk verklaring van de officier van justitie voor hetgeen hij bij parketnummer 1016/98 sub 2 vanaf "en/of" heeft telastegelegd, met vrijspraak van het onder parketnummer 1016/98 sub 1 is ten lastegelegd en van hetgeen onder parketnummer 1677/97 primair en parketnummer 1016/98 sub 2 meer of anders is ten laste gelegd dan ebwezen is verklaard;