Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AE9758

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2000
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
R 200000696
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appelant dient eerst leven op orde te brengen en dan schuldsaneringsregeling aan te vragen en niet omgekeerd

Schadevergoedingvordering van incestslachtoffer(s) voor een zelfstandige afwijzingsgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te 's-Hertogenbosch

Arrest

In de zaak in hoger beroep van :

X.

Wonende te P.,

Appellant,

Procudeur mr. M.J.M. Strijbosch

Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beslissing van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 27 november 2000, waarvan de inhoud aan appellant bekend is.

Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepsschrift, ingekomen ter griffie op 1 december 2000, heeft appellant het hof verzocht voormelde beslissing van de rechtbank, waarbij het verzoek om toepassing van de schuldsanering is afgewezen, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de schuldsaneringsregeling op appellant van toepassing te verklaren, kosten rechtens.

2.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 december 2000. Bij die gelegenheid zijn appellant en zijn advocaat gehoord.

2.3 Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

De producties, overgelegd bij het beroepschrift;

Een brief met een bijlage van de procureur van appellant van 12 december 2000;

Een ter zitting door de advocaat van appellant overgelegde productie.

De gronden van het hoger beroep

De grieven van appellant hebben de strekking te betogen dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van appellant tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen.

De beoordeling

4.1 Bij het dit geding inleidende verzoekschrift d.d. 27 oktober 2000 heeft appellant de rechtbank verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling.

4.2 Bij beslissing van 27 november 2000 heeft de rechtbank het verzoek van appellant afgewezen. De rechtbank overwoog dat, nu is komen vast te staan dat een substantieel deel van de schulden van appellant samenhangt met een door hem gepleegd strafbaar feit, appellant ten tijde van het "aangaan" van die schuld niet te goeder trouw is geweest.

De rechtbank oordeelde dat appellant de schulden niet te goeder trouw heeft laten ontstaan, dan wel onbetaald heeft gelaten.

Tegen de beslissing van de rechtbank is appellant in hoger beroep gekomen.

4.3 In hoger beroep merkt appellant allereerst op dat de rechtbank weliswaar terecht heeft overwogen dat hij in 1996 is veroordeeld ter zake van een zedendelict, doch appellant is tot in hoogste instantie blijven ontkennen dat hij dit delict heeft gepleegd.

4.3.1 Appellant is niettemin in 1996 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar, waarvan hij 40 maanden in detentie heeft doorgebracht.

Daarnaast is appellant veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan slachtoffers van fl. 10.000,-- Deze vordering aan het Centraal Justitieel Incassobureau bedraagt inclusief kosten thans fl. 12.030,--.

4.3.2 Tijdens zijn detentie zijn een tweetal schulden ontstaan te weten een huurschuld inclusief de kosten van ontruiming van de woning van appellant van in totaal fl. 15.394,-- en een schuld aan de Nutsbedrijven wegens energiekosten van fl. 1.634,--.

Daarnaast heeft appellant een schuld aan de dienst Werk, Zorg en Inkomen van de gemeente Eindhoven van fl. 7.750,-- wegens ten onrechte verstrekte bijstand gedurende zijn detentie. In totaal bedraagt de schuldenlast van appellant fl. 36.808,--.

4.3.3 In het voorjaar 2000 is appellant vrijgekomen en aangezien zijn woning tijdens zijn detentie is ontruimd, beschikt hij niet over zelfstandige woonruimte en slaapt hij noodgedwongen in een auto.

Het gevolg hiervan is dat aan appellant geen ABW-uitkering wordt toegekend, omdat hij niet over een uitkering ingevolge de "Daklozenregeling" van fl. 245,-- netto per week. Op deze uitkering is door de Gemeentelijke Sociale Dienst reeds een bedrag van fl. 109,-- per week in mindering gebracht in het kader van een afbetalingsregeling wegens door de Gemeentelijke Sociale Dienst ten onrechte verstrekte bijstand.

4.3.4 In de eerste plaats stelt appellant dat, indien de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing wordt verklaard, het voor hem gemakkelijker is via de te benoemen bewindvoerder aan zelfstandige woonruimte te komen en in aanmerking te komen voor een ABW- uitkering. In de tweede plaats stelt appellant dat hij op 1 september 2000 bij de Sociale Verzekeringsbank een remigratieverzoek heeft ingediend teneinde te kunnen terugkeren naar zijn geboorteland, doch zolang zijn schuld aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau nog niet is afgelost, dan wel een afbetalingsregeling is getroffen, kan de Sociale Verzekeringsbank op zijn aanvraag tot remigratie nog geen beslissing nemen.

Blijken de inhoud van de brief van de Sociale Verzekeringsbank van 4 december 2000 (overgelegd bij brief van de procureur van appellant van 12 december 2000) kan een remigrant niet in aanmerking komen voor de voorzieningen Remigratie indien hij nog schulden heeft aan het Rijk.

4.4 Met betrekking tot het verzoek van appellant tot toepassing van de schuldsaneringsregeling merkt het hof allereerst op dat, indien komt vast te staan dat een deel van de schulden niet te goeder trouw is ontstaan, dit niet in alle gevallen moet leiden tot afwijzing van toepassing van de schuldsaneringsregeling.

4.4.1 Zoals uit het vorenstaande blijkt wenst appellant toepassing van de schuldsaneringsregeling om in aanmerking te komen voor woonruimte, een "normale" ABW -uitkering en eventueel remigratie naar zijn geboorteland.

Het hof is evenwel van oordeel dat appellant eerst de gebruikelijke hulpverleningsinstanties dient te benaderen die hem behulpzaam kunnen zijn om datgene te bereiken wat hij in eerste instantie beoogt, het verkrijgen van zelfstandige woonruimte en een ABW - uitkering. Het hof overweegt hierbij dat in de situatie waarin appellant zich thans bevindt verschillende instanties voor handen zijn die dak- en thuislozen de nodige hulp kunnen bieden.

Pas als appellant zijn leven enigszins "op orde" heeft kan aangenomen worden dat geen nieuwe schulden zullen ontstaan en daadwerkelijk sanering van de oude schuldenlast kan plaatsvinden.

4.4.2 Met betrekking tot de schuld van appellant aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau merkt het hof nog het volgende op:

4.4.3 Zoals reeds hiervoor is overwogen is appellant wegens een zedendelict veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar en een schadevergoeding aan slachtoffer(s) van fl.10.000,--. Appellant heeft echter altijd ontkend schuldig te zijn aan hetgeen hem ten laste is gelegd; hij stelt zich dan ook op het standpunt dat hij ten onrechte is veroordeeld tot een gevangenisstraf en tot betaling van een schadevergoeding aan de slachtoffer(s).

Voldoende is gebleken dat appellant geen moeite heeft gedaan om deze schuld aan het Centraal Justitieel Incasso bureau te voldoen, dan wel een poging heeft ondernomen om tot een afbetalingsregeling te komen.

Ook om die reden dient het verzoek van appellant te worden afgewezen.

4.5 Al het vorenstaande voert het hof tot de slotsom dat de beslissing van de rechtbank, waarvan beroep, moet worden bekrachtigd.

De beslissing

Het hof:

Bekrachtigt de beslissing, waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. van Ettenm Lo-Sin-Sjoe en Spliet, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 december 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.