Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AE9734

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-02-2000
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
R200000023
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overname schuld is geen opzetje om de stemverhouding met betrekking tot akkoord te manipuleren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te 's-Hertogenbosch

Rekestenkamer

Beschikking van 16 februari 2000

in de zaak van:

X. ,

wonende te P.,

appellant, nader te noemen X.

procureur mr F.. van Amstel.

op het hoger beroep tegen de beslissing van de arrondissementsrechtbank te Breda van 11 januari 2000.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar voormelde beslissing van de rechtbank, waarvan de inhoud bij X. bekend is.

2. Het geding in hoger beroep.

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 18 januari 2000, heeft X. hof verzocht de beslissing waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende, alsnog uit te spreken dat wordt gehomologeerd het op 14 oktober 1999 aangenomen ontwerp van een akkoord.

2.2. De eerste mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 januari 2000. Bij die gelegenheid zijn gehoord X. , zijn advocaat en de bewindvoerder. Van het verhandelde ter terechtzitting is een verkort proces-verbaal gemaakt dat zich hij de processtukken bevindt.

2.3. De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 februari 2000. Bij die gelegenheid zijn gehoord X. zijn advocaat en de bewindvoerder.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

de producties, overgelegd bij liet beroepschrift;

de brief met bijlagen van mr van Amstel ingekomen ter griffie op 21 januari 2000;

de brief met bijlagen van mr van Amstel ingekomen ter griffie op 25 januari 2000;

de brief van 27 januari 2000 met bijlage van mr van Amstel;

de brief van 28 januari 2000 met bijlagen van mr Andriessen:

de ter zitting van het hof van 9 februari 2000 overgelegde pleitnotities van mr van Amstel;

het ter zitting van het hof van 9 februari 2000 overgelegde verslag van de bewindvoerder, mr Andriessen.

de fax van X. d.d. 25 januari 2000, ter zitting overgelegd.

De processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg d.d. 26 december 1999 en 22 december 1999.

3. De gronden van het hoger beroep.

Het hoger beroep richt zich tegen de weigering van de rechtbank het op 14 oktober 1999 aangenomen ontwerp van een door X. aangeboden akkoord in de op 4 mei 1999 tegen hem uitgesproken definitieve schuldsanering te homologeren.

4. De beoordeling .

4.1. Bij vonnis van de rechtbank te Breda van 4 mei 1999 is de definitieve schuldsanering uitgesproken. Op 14 oktober 1999 heeft de verificatievergadering plaatsgevonden waarbij een ontwerp van een akkoord is aangenomen.

4.2. De behandeling van de homologatie van het akkoord in eerste aanleg heeft plaatsgevonden op 26 oktober 1999 en 22 december 1999. Op 26 oktober 1999 is de behandeling aangehouden teneinde de bewindvoerder in de gelegenheid te stellen nog nadere inlichtingen te verschaffen omtrent een drietal kwesties, waaronder - voor zover hier van belang - de onverplichte overname om niet van de schulden van Y. Beheer B.V. aan de vader van X.

4.3. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat:

X. in december 1996 en in december 1997 onverplicht schulden van Y. Beheer BV ad in totaal f 218.000,- aan zijn vader in privé om niet heeft overgenomen;

vader voornoemde vordering vervolgens heeft ingediend ter verificatie, heeft deelgenomen aan de stemming over het akkoord en voor heeft gestemd;

als dit niet was gebeurd, het akkoord niet tot stand zou zijn gekomen. Daarnaast heeft X. zijn huishoudelijke inboedel aan zijn vader verkocht, juist op het moment dat beslag zou worden gelegd door de KCB bank.

4.4. Op grond van deze kwesties heeft de rechtbank ambtshalve op grond van art. 153. Lid 3 Faillissementswet, de homologatie geweigerd omdat niet kon worden gezegd dat met het akkoord recht is gedaan aan het belang van alle crediteuren. Hiertegen komt X. op.

4.5. Hij voert aan dat de schuld van Y. Beheer BV betrekking heeft op de overname door hem van het familiebedrijf van zijn vader en dat hij zich persoonlijk verantwoordelijk voelde voor de terugbetaling van die schuld. Ten tijde van de overname van de schuld had hij een goed inkomen zodat hij geen rekening heeft gehouden met een mogelijke benadeling van schuldeisers. Daarnaast is de rechtbank in haar overwegingen naar zijn mening van onjuiste uitgangspunten uitgegaan. Anders dan de rechtbank stelt is de huishoudelijke inboedel één jaar eerder verkocht dan de KCB bank beslag wenste te leggen, zodat er geen verband tussen deze twee gebeurtenissen bestaat. Bovendien valt de huishoudelijke inboedel buiten de boedel in het kader van de schuldsanering.

4.6. Het hof overweegt hieromtrent dat, nu in hoger beroep aannemelijk is geworden dat X. in 1996 en 1997, toen hij de schuld van Y. Beheer B.V. aan zijn vader overnam, over een behoorlijk salaris beschikte (namelijk een jaarsalaris van circa f 129.000,- in 1997 en van minimaal f 142.000,- in 1998), terwijl hij destijds geen andere schulden had dan de schuld aan Z., niet geoordeeld kan worden dat hij bij de onverplichte overname van de schuld van Y. Beheer B.V. wist of behoorde te weten dat hiervan benadeling van, schuldeisers het gevolg zou zijn.

4.7. In hoger beroep is voorts gebleken dat de overweging van de rechtbank met betrekking tot de huishoudelijke inboedel niet juist is. De huishoudelijke inboedel was verkocht in 1997 terwijl de beoogde beslaglegging in december 1998 was. Bovendien valt de inboedel ingevolge artikel 295 lid 4 sub b van de Faillissementswet buiten de boedel voor zover de inboedel niet bovenmatig is. Naar de mening van de bewindvoerder was van bovenmatigheid geen sprake.

4.8. Ter zitting van het hof heeft de bewindvoerder verklaard dat er op dit moment een lijst van erkende schuldvorderingen bestaat van in totaal f 706.294,-. Het op 14 oktober 1999 gesloten akkoord houdt in dat 20,79% van de erkende schuldvorderingen zouden worden betaald uit het thans beschikbare actief van f 146.854,-. Dit is meer dan het dubbele dan waar aanvankelijk bij het tot stand komen van het akkoord vanuit werd gegaan.

4.9. Voorts heeft de vader van X. zich bereid verklaard om het verschil tussen het bedrag vat f 45.797,50 aan akkoordpenningen dat hij onder de bewindvoerder heeft gestort en het bedrag waarop hij op basis van het akkoord recht heeft, ten gunste van de boedel laten komen. Bovendien staat de vader in voor het salaris en de verschotten van de bewindvoerder.

4.10. Gelet op het bovenstaande acht het hof geen gronden aanwezig om met toepassing van art. 153 lid 3 Faillissementswet de verzochte homologatie te weigeren. Voorts is niet gebleken dat zich een van de weigeringsgronden, genoemd in art. 153 lid 2 Faillissementswet voordoet, zodat de bestreden beslissing moet worden vernietigd.

5. De beslissing.

Het hof:

vernietigt de beslissing waarvan beroep;

verleent de homologatie van het op 14 oktober 1999 aangenomen ontwerp van een akkoord;

stelt het bedrag van het salaris van de bewindvoerder vast op f 35.001,34 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting), de belaste verschotten op f 1.694,19 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting )en de onbelaste verschotten op f 1.211,38.

Dit arrest is gegeven door mrs Koens, van Etten en Meulenkamp en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 16 februari 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.