Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AE0427

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-02-2000
Datum publicatie
22-07-2002
Zaaknummer
20.000762.99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 20.000762.99

uitspraakdatum: 18 februari 2000

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 19 februari 1999 in de strafzaak onder parketnummer 04/051944-98 tegen:

[verdachte]

geboren te Prudnik (Polen), op 18 december 1979,

thans preventief gedetineerd in de penitentiaire Inrichting "De Oosterhoek" te Grave.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard en daartoe aangevoerd -zakelijk weergegeven- :

Van de belangrijkste getuige in de onderhavige strafzaak, genaamd [getuige] zijn een groot aantal verklaringen eerst halverwege de behandeling in hoger beroep overgelegd. Uit die alsnog overgelegde verklaringen is gebleken dat er een selectie heeft plaatsgevonden van de stukken die aan de rechter in eerste aanleg en aan de verdediging in eerste instantie zijn voorgelegd, terwijl -zoals de verdediging ter terechtzitting van 23 juni 1999 heeft betoogd- uit de gang van zaken kan worden opgemaakt dat de officier van justitie ten tijde van het onderzoek in eerste aanleg wel beschikte over die stukken. Door het achterhouden van deze zeer relevante stukken heeft de eerste rechter niet de mogelijkheid gehad de verklaringen van [getuige] toetsen op het onderdeel van de betrouwbaarheid.

Het komt de verdediging voor dat het proces-verbaal dossiernummer PL2350/99-000558, d.d. 3 februari 1999, met betrekking tot de dertien misdrijven, waarover [getuige] heeft verklaard op dezelfde dag als waarop hij heeft verklaard over hoe [slachtoffer] te water is geraakt -welk proces-verbaal wel aan de stukken is toegevoegd- bewust is weggelaten.

Verdachte heeft recht op een beoordeling in twee feitelijke instanties.

Nu die beoordeling bij de rechtbank niet op adequate wijze heeft kunnen plaatsvinden, omdat belangrijke aspecten voor de beoordeling van de verklaring van [getuige] niet aanwezig waren, levert dat een flagrante schending van een behoorlijke procesorde op.

Ook de sturende en amateuristische wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden, waardoor niet voldoende recht is gedaan aan de waarheidsvinding, in combinatie met het achterhouden van de stukken is voldoende reden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

De door de raadsman bedoelde processen-verbaal met betrekking tot het zogenaamde "aanvullend onderzoek" zijn door de advocaat-generaal eerst ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juni 1999 aan het strafdossier toegevoegd. Dit onderzoek was echter gericht op geheel andere feitencomplexen, dan in het geding bij de onderhavige strafzaak, ook al zijn aspecten daaruit ter sprake gekomen, zodat, gelet ook op de inhoud van het strafdossier zoals dat wel is gepresenteerd aan de rechtbank, het niet in eerste aanleg overleggen van de resultaten van genoemd aanvullend onderzoek, niet kan leiden tot de conclusie dat het aan een eerste feitelijke instantie heeft ontbroken.

Het hoger beroep biedt in beginsel een geheel nieuwe behandeling van de strafzaak. Ingevolge artikel 414 van het Wetboek van Strafvordering kan de advocaat-generaal daarbij nieuwe bescheiden overleggen. Bij het vergaren en overleggen van nieuw materiaal is het openbaar ministerie daarbij gebonden aan de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het hof is van oordeel dat het ter terechtzitting op 23 juni 1999 overleggen van bedoelde processen-verbaal weliswaar laat heeft plaatsgevonden -hetgeen geen aanbeveling verdient- maar ook mede bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, niet zodanig laat dat dit schending van eerdergenoemde beginselen oplevert.

Het hof overweegt voorts dat, zo er in casu al verdedigingsbelangen zouden zijn geschaad, deze schade alsnog in hoger beroep is kunnen worden gecompenseerd.

Aan de verdediging is immers de gelegenheid geboden de verbalisanten in de onderhavige zaak ter terechtzitting in hoger beroep indringend en uitgebreid te horen met betrekking tot het door haar gestelde bewust buiten het onderhavige strafdossier laten van de processen-verbaal betreffende het bedoelde "aanvullend onderzoek" alsook met betrekking tot het door haar veronderstelde sturende en amateuristische onderzoek.

Uit die verhoren is naar het oordeel van het hof op geen enkele wijze naar voren gekomen dat er sprake is geweest van sturend en amateuristisch onderzoek als bedoeld door de raadsman. Evenmin is met betrekking tot het in een later stadium inbrengen van de processen-verbaal betreffende het "aanvullend onderzoek" uit bedoelde verhoren een omstandigheid naar voren gekomen noch anderszins aannemelijk geworden, die noopt -ook niet in combinatie met de manier waarop het onderzoek in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden- tot de conclusie dat er sprake is geweest van ernstige schending van beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen is tekort gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van zijn zaak hetgeen zou dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar-ministerie.

Het verweer aangaande de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt derhalve verworpen.

De bewezenverklaring

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op 27 oktober 1998 in de gemeente Venray, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door tezamen en in vereniging met zijn mededader, met dat opzet, deze [slachtoffer] in het water van een zand-/grindwinningsplas te gooien of te duwen en, nadat die [slachtoffer] aldus in dat water van die zand-/grindwinningsplas was geraakt, een voor deze [slachtoffer] dermate bedreigende sfeer in stand te houden, dat deze [slachtoffer] daarna niet op de waterkant/oever van dat water en/of uit dat water durfde te komen en /of kon komen, zulks terwijl dit water een temperatuur van 9 graden Celsius of daaromtrent had, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] door verdrinking is overleden.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Zijdens de verdediging is aangevoerd dat de verdachte nimmer het opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad en dat het causaal verband tussen het handelen van de verdachte en zijn mededader en de verdrinkingsdood van het slachtoffer ontbreekt.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Uit de bewijsmiddelen komt -zakelijk weergegeven- het volgende naar voren. Verdachte en zijn mededader hebben het slachtoffer na een voor het slachtoffer zeer bedreigende gijzeling, waarbij hem onder meer werd toegevoegd dat hij naar de bossen zou worden gebracht, achter een auto die zou gaan rijden, zou worden gebonden en dat pistolen zouden worden gepakt, waardoor hij was komen te verkeren in een hevig geëmotioneerde toestand -het slachtoffer stond aan de waterkant te huilen met ineengestrengelde handen, zeggend dat hij twee kinderen had-, in het water (met een temperatuur van 9 graden Celsius of daaromtrent) van een zand/grind winningsplas, waarvan algemeen bekend is dat deze zeer diep kan zijn, hetgeen in casu ook het geval was,

(het slachtoffer is door een duiker aangetroffen op een diepte tussen 7,20 en 9,20 meter), gegooid of geduwd, en terwijl hij daar zwom, een voor het slachtoffer dermate bedreigende sfeer in stand gehouden dat het slachtoffer daarna niet op de waterkant/oever van dat water en/of uit dat water durfde te komen en/of kon komen.

Verdachte is, na kort voordat het slachtoffer te water geraakte hem nog te hebben geslagen, toen het slachtoffer in het water lag, samen met zijn medeverdachte, terwijl deze schreeuwde dat, als het slachtoffer uit het water zou komen, hij, de medeverdachte, hem weer terug zou gooien, aan de waterkant gebleven.

Het slachtoffer is na het te water geraken van de oever weggezwommen en naderhand toen hij trachtte terug te keren onder water geraakt en verdronken.

Opzet:

Door te handelen als hierboven weergegeven, heeft verdachte naar het

oordeel van het hof tenminste bewust het risico op de koop toegenomen

dat het slachtoffer daardoor om het leven zou komen. '

Causaal verband:

Ook al heeft het in het (koude) water geraken op zich niet noodzakelijkerwijs tot het intreden van de dood hoeven leiden, acht het hof het intreden van de dood door verdrinking na het in het water geduwd/geworpen zijn onder de omstandigheden als hierboven weergegeven niet van zodanige aard, dat het overlijden van het slachtoffer redelijkerwijs niet meer als gevolg van het in het water duwen of gooien aan de daders zou kunnen worden toegerekend. Van omstandigheden die zouden moeten leiden tot een ander oordeel is uit het onderzoek ter terechtzitting op geen enkele wijze gebleken.

De verdediging heeft voorts betoogd dat de door de getuige [getuige] afgelegde verklaring op 3 november 1998 leugenachtig is, dat de nadien verkregen verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] slechts door de sturende wijze van onderzoek met behulp van deze leugenachtige verklaring zijn verkregen en dat daarom deze verklaringen volledig dienen te worden gepasseerd.

Het hof verwijst in dit verband op de eerste plaats naar hetgeen hiervoor met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is overwogen aangaande het onderzoek van de politie. Het hof voegt daar nog aan toe dat er -gelet op de consistentie en de gedetailleerdheid van de door [getuige] afgelegde verklaringen en gelet op de overeenkomst op hoofdpunten die tussen deze verklaringen en de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] bestaan, welke laatste verklaringen tijdens het opsporingsonderzoek nimmer zijn herroepen geen enkele reden bestaat te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door deze getuigen afgelegde verklaringen, zodat niets de bruikbaarheid van deze verklaringen als bewijsmiddel in de weg staat.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte terzake van "medeplegen van doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren. Zowel de verdachte als de officier van justitie zijn in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte, eveneens terzake van "medeplegen van doodslag" wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van het feit, "medeplegen van doodslag", de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft, tezamen met zijn broer, een landgenoot van het leven beroofd. Het een ander van het leven beroven is een zo ernstig strafbaar feit dat alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking

komt.

De verdachte heeft het slachtoffer -in verband met onenigheid over een auto- tezamen met zijn broer en enkele landgenoten, wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd gehouden, waarbij een uitermate bedreigende situatie voor het slachtoffer in het leven werd geroepen, onder meer doordat het slachtoffer werd toegevoegd dat hij naar de bossen zou worden gebracht, achter de auto zou worden gebonden en dat pistolen zouden worden gepakt.

Nadat verdachte tezamen met zijn broer, zijn landgenoten en het slachtoffer was aangekomen bij de zeer afgelegen zand-/grindwinningsplas, waar het slachtoffer door zijn broer uit de auto werd getrokken en in de richting van het water werd geduwd, heeft verdachte het slachtoffer nog geslagen. Daarna heeft de verdachte, tezamen met zijn broer, het slachtoffer -ondanks dat dit slachtoffer begon te huilen en herhaalde dat hij de auto niet had en dat hij twee kinderen had- vastgepakt en hem met kracht in het water gegooid c.q. geduwd, tengevolge waarvan het slachtoffer is verdronken. Toen het slachtoffer in het water lag, bleef verdachte aan de waterkant staan, terwijl zijn broer heeft geschreeuwd dat, als het slachtoffer uit het water zou komen, hij hem weer terug zou gooien.

Het hof heeft bij de bepaling van de duur van de hoofdstraf voorts in aanmerkinggenomen dat:

- de verdachte aan de nabestaanden van het slachtoffer een zeer groot en niet te vergoeden verlies heeft toegebracht;

- dit soort gewelddadige feiten grote maatschappelijk onrust tot gevolg hebben.

Overigens heeft het hof daarbij in matigende zin in aanmerking genomen dat -blijkens het de verdachte betreffende uittreksel uit het Algemeen documentatieregister- de verdachte in Nederland nog niet eerder terzake strafbare feiten is veroordeeld.

Onder deze omstandigheden is een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren gerechtvaardigd.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de

verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

subsidiair: "Medeplegen van doodslag."

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van

vijf jaren.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door Mr. Eijsenga, als voorzitter

Mrs. Harmsen en Mol, als raadsheren

In tegenwoordigheid van Mw. Pulskens, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 februari 2000.

Mr. Mol is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.