Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AD9541

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-01-2000
Datum publicatie
01-08-2002
Zaaknummer
20.001855.99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.001855.99

uitspraakdatum : 18 januari 2000

tegenspraak;

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda van 12 juli 1999 in de strafzaak onder parketnummer 02/001272-99 tegen:

[verdachte],

geboren te Heusden, 1970,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Nieuw Vosseveld / "De Leij" te Vught.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, onder 2, onder 3, onder 4, onder 5 en onder 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, onder 2, onder 3, onder 4, onder 5 en onder 6 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het onder 1, onder 2, onder 3, onder 4 en onder 6 bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 312, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Het onder 5 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 317, eerste en derde lid, juncto artikel 312, tweede lid, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregelen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich in een periode van enkele weken schuldig gemaakt aan zes gewapende overvallen op een modezaak, twee apothekers, een supermarkt, een pizzeria en een postagentschap. Daarbij werden het aanwezige personeel en de aanwezige klanten op ernstige wijze bedreigd.

Eén van de overvallen heeft de verdachte samen met een ander gepleegd, waarbij die ander met een vuurwapen heeft gedreigd. Bij het plegen van de andere vijf overvallen heeft de verdachte zelf een alarmpistool gehanteerd en bij enkele van de slachtoffers heeft hij dat alarmpistool zelfs tegen het hoofd of lichaam gehouden. Voor de slachtoffers moeten de overvallen een bijzonder bedreigende ervaring zijn geweest. Slachtoffers van dergelijke gewelddadige en levensbedreigende feiten ondervinden daarvan vaak nog gedurende lange tijd de psychische gevolgen. Bovendien lijden dergelijke gewelddadige feiten tot grote maatschappelijke onrust.

Bij de straftoemeting heeft het hof ten bezware van de verdachte er rekening mee gehouden dat de verdachte heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de strafbare feiten, ad informandum vermeld op de inleidende dagvaarding, voor welke feiten de verdachte niet afzonderlijk is of zal worden vervolgd.

Deze ad informandum gevoegde feiten betreffen vier andere gewapende overvallen op een supermarkt, restaurant en twee apotheken, gepleegd in dezelfde periode als de bewezen verklaarde overvallen.

Blijkens het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister is hij reeds eerder in Nederland en in Duitsland terzake van vermogensmisdrijven en geweldsmisdrijven veroordeeld. In Duitsland is hem een langdurige gevangenisstraf opgelegd. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden zich schuldig te maken aan de bewezen verklaarde feiten.

De verdachte werd voordat hij de onderhavige feiten beging voor het laatst veroordeeld op 9 oktober 1998 door de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Breda.

Door drs. F.C.P. Zuidhof is op 19 mei 1999 een de verdachte betreffend psychologisch rapport uitgebracht. Blijkens dit rapport heeft de verdachte opvallend weinig zelfkritiek en ligt voor de verdachte de schuld voor het gebeurde overduidelijk in zijn hopeloze financiële en maatschappelijke situatie waarin hij door anderen is terecht gekomen.

Volgens de deskundige is de persoonlijkheid van verdachte als geheel door zijn inadequate opvoeding in affectieve zin schraal en leeg gebleven, hetgeen verdachte compenseert door drugsgebruik en criminele gedragingen, die voor de verdachte derhalve een functionele betekenis hebben.

De psycholoog komt tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis Niet Anders Omschreven, hetgeen betekent dat de verdachte over de gehele linie van zijn persoonlijkheid stelselmatig tekorten vertoont waardoor zijn persoonlijk, relationeel en maatschappelijk functioneren duurzaam tot ontwrichting leidt. Drs. Zuidhof is van oordeel dat het aan de verdachte ten laste gelegde hem in licht verminderde mate toegerekend kan worden. Het hof neemt, gelet op de persoon van verdachte zoals deze ter terechtzitting naar voren is gekomen, de conclusie van de deskundige over en zal bij de straftoemeting in geringe mate in het voordeel van verdachte rekening houden met de omstandigheid dat de verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde.

De verdachte heeft alle hem ten laste gelegde feiten bekend en zich bereid getoond een intensieve behandeling in de kliniek voor forensische psychotherapie Groot Batelaar te ondergaan. Ook de deskundige en de reclassering achten een dergelijke behandeling wenselijk. Die behandeling zou volgens de verdediging in het kader van een bijzondere voorwaarde dienen plaats te hebben.

Gelet evenwel op de bijzondere ernst en het grote aantal gewapende overvallen is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf tot drie jaar waarbij bij een voorwaardelijk op te leggen gedeelte van de gevangenisstraf een bijzondere voorwaarde als voormeld zou kunnen worden bepaald, geen passende strafrechtelijke sanctie is.

Al het vorenstaande tegen elkaar afwegend kan immers naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van vijf jaar met zich brengt.

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven vuurwapen is van zulke aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1, onder 2, onder 3, onder 4 en onder 6 bewezen verklaarde is begaan.

Bij gelegenheid van het onderzoek naar de feiten waarvoor de verdachte is vervolgd, is voorts de in de beslissing als zodanig te noemen bivakmuts in beslag genomen. Die bivakmuts behoort aan de verdachte toe, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Uit de aard van het voorwerp volgt dat het kan dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en tot de belemmering van de opsporing van soortgelijke misdrijven.

Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat

[benadeelde partij], wonende te [woonplaats], [adres], als gevolg van het onder 6 bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden, welke het hof naar billijkheid begroot op f. 300,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van f. 300,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

De vordering is niet betwist. Aan de benadeelde partij is door het onder 6 bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op na te melden bedrag. De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmede de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij na te melden bedrag te betalen komt te vervallen.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 27, 36b, 36c, 36d, 36f, 57, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, onder 2, onder 3, onder 4, onder 5 en onder 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1, onder 2, onder 3, onder 4, onder 5 en onder 6 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

onder 1, onder 2, onder 4 en onder 6 telkens: "Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken";

onder 3: "Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij de betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren";

onder 5: "Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijf jaar.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de navolgende inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een zwarte bivakmuts en een zilverkleurig pistool, voorzien van zwarte kolfplaten, merk VALTRO AP92ARMY9M.

Gelast de teruggave van de navolgende inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een grijze muts van het merk Nike en een blauwe broek, merk Adam Ronald, aan verdachte [verdachte].

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], [adres], te betalen een bedrag van f. 300,-- (zegge: driehonderd gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van zes dagen, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan

[benadeelde partij], wonende te [woonplaats], [adres] een bedrag van f. 300,-- (zegge driehonderd gulden).

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Dit arrest is gewezen door Mr. Pijls, als voorzitter

Mrs. Aarts en de Poorter, als raadsheren

in tegenwoordigheid van mr. Vos, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 januari 2000.

verdachte:

[verdachte],

geboren te Heusden, 1970,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. Nieuw Vosseveld / "De Leij" te Vught

Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda van 12 juli 1999 ter zake van:

onder 1, 2, 4 en 6 telkens: "Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd", onder 3: "Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij de betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren", onder 5: "Afpersing",

veroordeeld tot:

zes jaar gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en met veroordeling van verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van driehonderd gulden, met veroordeling van verdachte tevens in de kosten van het geding, door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op de dag van de uitspraak begroot op nihil, met oplegging van de verplichting aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], te betalen een som geld ten bedrage van driehonderd gulden, subsidiair zes dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft, met bepaling daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van driehonderd gulden ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij een bedrag van driehonderd gulden te betalen komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien verdachte aan de benadeelde partij een bedrag van driehonderd gulden heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van driehonderd gulden ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] komt te vervallen), met onttrokkenverklaring aan het verkeer van een pistool, merk Valtro AP92ARMY9M, met bevel tot teruggave aan verdachte van twee mutsen en een broek, met vrijspraak van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan bewezen is verklaard.