Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AD9508

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-11-2000
Datum publicatie
11-10-2004
Zaaknummer
20.001223.00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag.

Bevestiging uitspraak eerste aanleg; 5 jaar gevangenisstraf + schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.001223.00

uitspraakdatum : 17 november 2000

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 18 mei 2000 in de strafzaak onder parketnummer 01/025285/99 tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats], 1981,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. Nieuw Vosseveld / "De Leij" te Vught.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust -met inbegrip van de beslissing van de eerste rechter op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en met inbegrip van de opgelegde maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht- behalve voor wat betreft:

- de bewijsvoering;

- de strafmotivering.

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Om wille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering in haar geheel vervangen. De bewezenverklaring door de eerste rechter komt uitsluitend te berusten op de hierna volgende bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen staan vermeld in de aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering; deze aanvulling is aan dit arrest gehecht.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Met betrekking tot de bewezenverklaring overweegt het hof nader als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.

Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer], die hij van achteren tot op korte afstand was genaderd, met een halfvolle bierfles op het achterhoofd geslagen. Verdachte had hierbij zijn hand om de hals van de fles. Verdachte heeft, al springend, met zoveel kracht geslagen dat de fles kapot is gegaan. Uit de hiervoor vermelde omstandigheden leidt het hof af dat verdachte zich heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] tengevolge van zijn handelwijze van het leven zou worden beroofd en heeft hij derhalve opzet -in de zin van voorwaardelijk opzet- op de levensberoving van [slachtoffer] gehad.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. De verdachte is in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft bevestiging van het beroepen vonnis gevorderd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van het feit, poging tot doodslag, en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op een portier in het uitgaansleven. Het pogen het leven van een ander te nemen is een strafbaar feit dat dermate ernstig is en voor de samenleving zo schokkend dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in aanmerking komt.

Het hof is bovendien van oordeel dat personen die door hun werk de veiligheid in het uitgaansleven trachten te waarborgen, bijzondere bescherming verdienen.

Verdachte, ten tijde van het bewezenverklaarde feit 18 jaar oud, is met enkele vrienden naar het café "Blue Parrot" in Eindhoven gegaan. Aldaar hebben verdachte en zijn vrienden problemen gekregen met een tweetal portiers van de "Blue Parrot", waarop zij door deze portiers via de achterdeur uit het café zijn verwijderd. Verdachte heeft vervolgens een van de portiers, genaamd [slachtoffer], met kracht met een halfvolle bierfles op het achterhoofd geslagen.

Tengevolge van het tegen hem gepleegde misdrijf heeft het slachtoffer ernstig hersenletsel bekomen. Hij is in coma geraakt, waaruit hij na drie weken is ontwaakt. Thans is er nog geen sprake van een medische eindsituatie, doch vast staat dat het slachtoffer in zeer ernstige mate invalide is geraakt, zodanig dat de mate van invaliditeit tot de meest ernstige gevolgen van een hersenbloeding behoort.

Verdachte is op 25 januari 1999 door de kinderrechter terzake van een geweldsmisdrijf tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf veroordeeld. Het hof rekent de verdachte zwaar aan dat hij het onderhavige strafbare feit heeft gepleegd tijdens de door de kinderrechter bepaalde proeftijd.

Over de persoon van de verdachte heeft de psycholoog Drs. P.A.E.T.M. Cremers op 27 april 2000 gerapporteerd. Hij acht verdachte volledig toerekeningsvatbaar. Het hof neemt dit oordeel over en is derhalve van oordeel dat verdachte volledig verantwoordelijk kan worden gesteld voor wat hij heeft gedaan.

Ten slotte geldt dat verdachte op de terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard ten zeerste te betreuren dat door zijn toedoen het slachtofffer [slachtoffer] ernstig invalide is geworden.

De door de raadsman aangevoerde omstandigheid dat verdachte nog een zeer jeugdige leeftijd heeft acht het hof in het licht van het gepleegde strafbare feit niet van zodanige betekenis dat daarin aanleiding kan worden gevonden de op te leggen straf te matigen. Zwaarder weegt dat de invaliditeit van het slachtoffer voor hemzelf, zijn vriendin en directe omgeving onpeilbaar leed met zich brengt.

Onder deze omstandigheden acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van vijf jaren alleszins gerechtvaardigd en juist.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De straf en maatregeloplegging is gegrond op de artikelen: 10, 24c, 27, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

Bevestigt het beroepen vonnis -met inbegrip van de beslissing van de eerste rechter op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en met inbegrip van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Dit arrest is gewezen door Mr. Sterk, als voorzitter

Mrs. Van den Elzen en van Nierop, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Looijmans, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 november 2000.

verdachte:

[verdachte],

geboren te Amsterdam, 1981,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. Nieuw Vosseveld / "De Leij" te Vught

Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 18 mei 2000 ter zake van:

"Poging tot doodslag",

veroordeeld tot:

vijf jaar gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, met vrijspraak van hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd dan bewezen is verklaard en met oplegging aan verdachte van de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde [benadeelde partij], [adres], [woonplaats] te betalen een bedag van vijftienduizend gulden subsidiair honderdentien dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting niet opheft en met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van vijftienduizend gulden en veroordeling van verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], [adres], [woonplaats], een bedrag van vijftienduizend gulden, met bepaling dat de benadeelde partij [benadeelde partij] niet ontvankelijk is in het overige deel van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht, met veroordeling van verdachte tevens in de kosten van het geding, door de benadeelde partij gemaakt en en behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op de dag van de uitspraak begroot op nihil ,