Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AB1032

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/01115
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-0440
V-N 2001/29.3

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/01115

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vijfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren Y van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting 1996 voor het jaar 1996.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van

ƒ 88.892,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 april 2000 te A. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende is werknemer. Hij is in publiekrechtelijke dienstbetrekking bij de overheid. Hij reist ten minste vier dagen per week per auto heen en weer tussen zijn woning en de plaats waar hij arbeid verricht. De afstand daartussen bedraagt 25 kilometer.

2.2 Hij heeft in zijn aangifte de forfaitaire regeling voor aftrek van kosten van woon-werkverkeer toegepast, resulterend in een aftrek voor aftrek van vergoedingen van ƒ 2.050,==.

2.3 In bezwaar vraagt belanghebbende aftrek op basis van werkelijke kosten ad ƒ 0,60 per kilometer resulterend in een -aftrek van ƒ 6.750,== voor aftrek van reiskostenvergoedingen. Hij wil een verlaging van het door hem aangegeven inkomen met het verschil ad ƒ 4.700,==.

2.4 De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op het bezwaarschrift alleen de in de aangifte opgevoerde forfaitaire aftrek toegestaan.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vraag.

Komen, gelet op het gelijkheidsbeginsel, de autokosten gemaakt in het kader van woon-werkverkeer tegen ƒ 0,60 per kilometer in aftrek of is daarop forfaitaire regeling voor aftrek van kosten van woon-werkverkeer van toepassing.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting het volgende toegevoegd.

Belanghebbende

Het woon-werkverkeer van ondernemers en van werknemers vindt niet plaats tijdens de uitoefening van hun onderneming. Het is in beide gevallen een privé-gebeuren. Dat is mijn probleem.

Inspecteur

Ik zie nog steeds niet wat de relevantie daarvan is.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 84.192,==.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1 De berekening van winst uit onderneming en van zuivere inkomsten uit arbeid is nu eenmaal in de wet zo principieel verschillend geregeld dat het geval van de ondernemer en het geval van de werknemer niet vergelijkbaar zijn, aldus Hoge Raad 24 september 1997,nr. 32 144, BNB 1997/400.

De inspecteur beroept zich op dit arrest voor de juistheid van zijn standpunt dat de wetgever gelijkheidsbeginselen niet schendt wanneer hij voor de kosten van woon-werkverkeer de ondernemer een aftrek van ƒ 0,60 per kilometer toestaat, terwijl hij de werknemer slechts een aftrek naar een lager forfaitair bedrag toestaat.

Belanghebbende stelt daartegenover dat het in de casus van dat arrest kosten betrof die werden gemaakt tijdens de uitoefening van de dienstbetrekking, terwijl het in dit geding gaat om kosten gemaakt voor en na de uitoefening van het ondernemer- en werknemerschap. Belanghebbende stelt in dat verband letterlijk het volgende:

“Het om persoonlijke redenen (…)heen en weer rijden tussen woon- en werkplaats is voor iedere staatsburger (…) gelijk en heeft slechts tot doel om die werkplaats te bereiken. Vanaf dat moment wordt eerst begonnen met de uitoefening van het ondernemer- c.q. werknemerschap (…)”.

Belanghebbende gaf ter zitting desgevraagd nog als zijn mening dat woon-werkverkeer in beide gevallen een privé-gebeuren is.

Belanghebbende poneert naar het Hof verstaat aldus twee stellingen:

- De kosten van woon-werkverkeer zijn naar hun aard “bovenbronnelijk’.

- Het evengenoemde arrest is niet van toepassing omdat de kosten hier niet tijdens het werk zijn gemaakt, maar ervoor en erna.

4.2 De eerste stelling van belanghebbende is naar het oordeel van het Hof echter rechtens en feitelijk onjuist. Rechtens onjuist omdat de wetgever die kosten thans in beide gevallen wel als bronkosten aanmerkt. Feitelijk onjuist omdat het woon-werkverkeer, naar de inspecteur in zijn vertoogschrift op pagina 3 en 4 heeft uiteengezet, ook in de werkelijkheid in veel gevallen niet slechts voortkomt uit persoonlijke motieven.

4.3 De tweede stelling van belanghebbende is naar het oordeel van het hof ook onjuist. De Inspecteur stelt naar het oordeel van het Hof terecht dat er geen reden is om verschil te maken tussen bronkosten gemaakt voor, tijdens of na het werk. Er is, ook naar het oordeel van het Hof, daarom geen goede reden Hoge Raad 24 september 1997 , nr. 32 144, BNB 1997/400) in dit geval niet mede tot richtsnoer te nemen.

4.4 Overigens zijn de gevallen van een ondernemer en een werknemer naar het oordeel van het Hof ook feitelijk niet vergelijkbaar. Daarvoor verschillen ze te veel in maatschappelijk en economisch te zeer. Het geval van de ondernemer is naar het oordeel van het Hof daarom rechtens noch feitelijk vergelijkbaar met dat van belanghebbende.

4.5 Belanghebbendes beroep op enig gelijkheidsbeginsel faalt om de in 4.2 4.3 en 4.4 gegeven redenen. Het gelijk is daarom aan de zijde van de inspecteur. Zijn uitspraak moet worden bevestigd.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 22 december 2000 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, in tegenwoordigheid van P.H.A Calis, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 22 december 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een

beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak

overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.