Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA9903

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/02574
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 317
Belastingblad 2002/454

Uitspraak

BELASTINGKAMER.

Nr. 98/02574

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH.

PROCES VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK.

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het afdelingshoofd Financiën van de gemeente P (hierna: de ambte-naar), op het bezwaarschrift betreffende de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet) aan belanghebbende gezonden beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak Astraat 1 te P (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 1995 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000.

De mondelinge behandeling.

Deze heeft plaatsgevonden in raadkamer op 15 december 2000 te Eindhoven. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en de ambtenaar, tot zijn bijstand vergezeld van de taxateur.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 29 december 2000, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof:

vernietigt de bestreden uitspraak,

vermindert de bij de beschikking voor de onroerende zaak vastgestelde waarde tot ƒ 275.000,-- en

gelast dat de ambtenaar aan belanghebbende het gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 80,-- vergoedt.

De gronden.

1. Bij voormelde beschikking heeft de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op ƒ 352.000,--. Bij de bestreden uitspraak is die waarde verminderd tot ƒ 334.000,--.

2. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat vast dat belanghebbende de onroerende zaak eind juni 1995 heeft gekocht voor ƒ 282.000,-- nadat die onroerende zaak al enige tijd bij een onroerendezaakhandelaar ten verkoop werd aangeboden. Tevens staat vast dat belanghebbende na de koop van de onroerende zaak enkel een eenvoudig keukenblok heeft geplaatst en verder niets aan de onroerende zaak heeft gedaan of heeft laten doen.

3.1. In het taxatierapport van 18 februari 1999 is de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum, 1 januari 1995, bepaald naar de staat van de onroerende zaak op 1 januari 1997. De taxateur heeft deze waarde bepaald op grond van het vermoeden dat na de aankoop van de woning door belanghebbende diverse verbeteringen waren aangebracht. Op basis van dit vermoeden heeft de ambtenaar in het vertoogschrift verdedigd, dat met deze verbeteringen de in art. 19, eerste lid, onderdeel b Wet WOZ bedoelde grenzen waren overschreden.

3.2. Art 18, eerste en tweede lid Wet WOZ, bepaalt het volgende:

‘1. De waarde van een onroerende zaak wordt bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert.

2. De waardepeildatum ligt twee jaren voor het begin van het tijdvak waarvoor de waarde wordt vastgesteld.

(…)’

Art. 19, eerste lid Wet WOZ (zoals dit artikel luidde van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998) bepaalt het volgende:

‘Indien een onroerende zaak na de waardepeildatum die behoort bij het tijdvak waarvoor de waarde wordt vastgesteld:

a. opgaat in een andere onroerende zaak dan wel in meer onroerende zaken, of

b. wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing, verbetering, afbraak of vernietiging, hetzij verandering van bestemming, welke wijziging een verandering in de waarde van ten minste 5 percent met een minimum van ƒ 25.000 ten gevolge heeft dan wel van ƒ 250.000 of meer, of

c. een verandering in waarde ondergaat van ten minste 5 percent met een minimum van ƒ 25.000 dan wel van ƒ 250.000 of meer als gevolg van een andere, specifiek voor de onroerende zaak geldende, bijzondere omstandigheid,

wordt, in afwijking in zoverre van artikel 18, eerste lid, de waarde bepaald naar de staat van die zaak bij het begin van het kalenderjaar volgende op dat waarin de in de onderdelen a of b bedoelde feiten geheel of ten dele hun beslag hebben gekregen dan wel de in onderdeel c bedoelde omstandigheid heeft plaatsgevonden of is gebleken.’

Het Hof is van oordeel dat de ambtenaar - tegenover de betwisting door belanghebbende - niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onroerende zaak tussen 1 januari 1995 en 1 januari 1997 zodanig is gewijzigd dat de waarde is veranderd met minimaal ƒ 25.000,--, zodat de onroerende zaak gewaardeerd moet worden naar de staat van die zaak op 1 januari 1995.

3.3. De ambtenaar heeft zich tijdens de mondelinge behandeling nog beroepen op de tekst van art. 19 Wet WOZ, zoals deze luidt met ingang van 1 januari 1999 (Stb.728; 17 december 1998). Aan deze wetswijziging heeft de wetgever echter geen terugwerkende kracht toegekend, zodat het Hof hieraan voorbij gaat.

4. Op grond van al het vorenstaande is het Hof van oordeel dat het taxatierapport waarop de ambtenaar zich beroept op onjuiste uitgangspunten berust, zodat de ambtenaar niet heeft bewezen dat de door hem vastgestelde waarde juist is. Belanghebbende beroept zich op de door hem ingevolge de koopovereenkomst van 8 juli 1995 verschuldigde koopsom ad fl. 282.000,=. Het Hof stelt de waarde van de onroerende zaak, gelet op de verkoopopbrengst van de onroerende zaak medio 1995, nu dit een in de vrije markt tot stand gekomen verkoopprijs betreft, en de marktontwikkeling met betrekking tot onroerende zaken begin 1995, in goede justitie vast op ƒ 275.000,--.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken nu belanghebbende daar niet om heeft verzocht en niet is gebleken dat belanghebbende kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft gehad.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 29 december 2000 door P. Fortuin, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van C.A.F.M. Stassen, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 8 januari 2001

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende ƒ 150,--. Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van ƒ 150,-- verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.